Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3141

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
16/03032
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Schadeloosstelling na onteigening ten behoeve van omlegging Rijksweg A9 en reconstructie knooppunt Badhoevedorp. Is plaats voor vergoeding van bijkomende schade aan de juridisch eigenaar die zijn agrarische grond in economische eigendom heeft overgedragen onder toekenning aan hem van een voortgezet gebruiksrecht, dat door de onteigening wordt beëindigd? Samenhang met 16/03063, 16/03065, 16/03068, 16/03077, 16/03078 en 16/03079.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 december 2017

Eerste Kamer

16/03032

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

t e g e n

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

e n

N.V. LANDINVEST,

gevestigd te Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser], de Staat en Landinvest.

1 Het geding in vorige instanties

Voor het verloop van het geding in vorige instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/15/206165/HA ZA 13-431 van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2013 en 18 december 2013;

b. het arrest in de zaak 14/00562 ECLI:NL:HR:2014:1660 van de Hoge Raad van 11 juli 2014;

c. de vonnissen in de zaak C/15/206165/HA ZA 13-431 van de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2015 en 6 april 2016.

Het vonnis van de rechtbank van 6 april 2016 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 6 april 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping. [eiser] heeft ten aanzien van klacht 1 van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping en ten aanzien van klacht 2 tot niet-ontvankelijkheid.

Tegen Landinvest is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 13 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Op vordering van de Staat is bij vonnis van 18 december 2013 vervroegd de onteigening uitgesproken van een gedeelte van een perceel in de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de onroerende zaak), waarvan [eiser] juridisch eigenaar was en Landvision Property Holding B.V. (hierna: Landvision) economisch eigenaar.

  • -

    ii) De onteigening is geschied ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 29 mei 2013, nr. 13.001080 (Stcrt. 2013, 16463), waarin (onder meer) ter onteigening is aangewezen de hiervoor onder (i) genoemde onroerende zaak ten behoeve van de omlegging van de Rijksweg A9 en de reconstructie van het knooppunt Badhoevedorp, met bijkomende werken, in de gemeente Haarlemmermeer.

  • -

    iii) Het onteigeningsvonnis is op 11 augustus 2014 ingeschreven in de openbare registers.

3.2

De rechtbank heeft overeenkomstig het advies van de deskundigen de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 2.281.944,--.

3.3

[eiser] heeft in deze cassatieprocedure (zie ook hierna in 4.1) klachten gericht tegen het oordeel van de rechtbank over inkomensschade, omrijschade en de toegekende kostenvergoeding.

3.4

De rechtbank heeft over de inkomensschade en de omrijschade als volgt overwogen:

“2.67. [eiser] maakt aanspraak op gemiste inkomensschade en stelt daartoe dat, de onteigening weggedacht, [eiser] het gebruik van de onteigende gronden onverminderd had kunnen voortzetten, omdat in die situatie geen sprake was van vervulling van de beide (destijds bij de economische eigendomsoverdracht afgesproken) limitatieve voorwaarden voor beëindiging van het gebruiksrecht van perceel AI 187. (…) [eiser] betoogt dat aan hem daarom de kosten die hij moet maken om vervangende akkerbouwgrond te kopen (…), als schadeloosstelling moet worden toegekend.

2.68.

Vast staat dat perceel AI 187 in 1991 door [eiser] is verkocht en in 1993 ook in economische eigendom aan Landvision is overgedragen tegen betaling van de koopsom en onder toekenning van een voortgezet gebruiksrecht aan [eiser]. Blijkens de overgelegde akte van levering eindigt het gebruiksrecht zodra de bestemming van het perceel in een andere dan agrarische bestemming wijzigt en de economische eigenaar het gekochte daadwerkelijk conform de nieuwe, gewijzigde bestemming wil (doen) gebruiken.

2.69.

De deskundigen oordelen dat [eiser] geen vergoeding van de door de onteigening van een gedeelte van perceel AI 187 veroorzaakte schade toekomt, omdat [eiser] anders feitelijk twee keer schadeloos wordt gesteld voor vervreemding van dit perceel. De rechtbank volgt de deskundigen in hun advies. Het betoog van [eiser] dat hij in staat moet worden gesteld om vervangende grond te kopen, miskent dat hij thans (niet meer dan) een persoonlijk gebruiksrecht ten aanzien van dit perceel heeft en bij aankoop van vervangende grond de volledige eigendom daarvan zou verkrijgen, hetgeen (veel) meer omvat dan een persoonlijk gebruiksrecht.

2.70.

Uit het voorgaande volgt dat de verzochte omrijschade evenmin toewijsbaar is.”

3.5

Over de kostenvergoeding heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de gedeclareerde kosten buitensporig hoog zijn. Die kosten hangen met name samen met het standpunt van [eiser] over inkomensschade. In die kwestie is [eiser] in het ongelijk gesteld. Hij heeft, nadat de deskundigen in hun voorlopig oordeel al de onhoudbaarheid van zijn standpunt hadden onderbouwd, tegen beter weten in, in zijn standpunt volhard, waarmee de kosten voor rechtsbijstand aanzienlijk zijn opgelopen. (rov. 2.96)

4 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1

[eiser] heeft niet slechts het onderhavige cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank (zaak 16/03032), maar – een dag eerder – ook, samen met de hypotheekhouder, een ander cassatieberoep (zaak 16/03077), waarin ook vandaag uitspraak wordt gedaan (ECLI:NL:HR:2017:3108). De Staat heeft betoogd dat [eiser] daarom niet-ontvankelijk is in het onderhavige cassatieberoep, nu een partij gelet op art. 407 lid 2 Rv tegen hetzelfde vonnis niet tweemaal cassatieberoep kan instellen.

4.2

Een eiser moet (ambtshalve) niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn tweede cassatieberoep als het instellen daarvan in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de eisen van een goede procesorde of als de behandeling van dat beroep niet valt te verenigen met een beslissing die inmiddels is gegeven in het eerder ingestelde cassatieberoep. (Vgl. HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:505, NJ 2016/188 en HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9714, NJ 2008/75.)

4.3

Voor toepassing van (een van) deze gronden voor niet-ontvankelijkheid bestaat in deze zaak geen aanleiding. De middelen in beide cassatiedagvaardingen stellen geen geschilpunten aan de orde die kunnen leiden tot met elkaar onverenigbare beslissingen. Mede in verband daarmee is niet aannemelijk dat de Staat is geschaad in zijn mogelijkheden om verweer in cassatie te voeren of incidenteel cassatieberoep in te stellen. Daarom verzetten ook de eisen van een goede procesorde zich in dit geval niet tegen het uitbrengen van een tweede cassatiedagvaarding binnen de cassatietermijn onder handhaving van de eerste cassatiedagvaarding. Daarbij is van belang dat [eiser] voor het afzonderlijk doen instellen van twee cassatieberoepen door verschillende advocaten, een afdoende verklaring heeft gegeven: dit cassatieberoep ziet op de schadeloosstelling die aan [eiser] zelf toekomt, terwijl het andere cassatieberoep ziet op de schadeloosstelling die (uiteindelijk) aan Landvision als economisch eigenaar toekomt, en op voorhand valt niet uit te sluiten dat de belangen van [eiser] en van Landvision in bepaalde opzichten tegengesteld zijn.

4.4

[eiser] is dus ontvankelijk in dit cassatieberoep.

5 Beoordeling van de middelen in het principale beroep

5.1

Middel I richt verschillende klachten tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.69 dat [eiser] geen vergoeding toekomt van de schade die hij als gebruiker van het perceel lijdt door de onteigening omdat hij anders feitelijk twee keer schadeloos wordt gesteld voor vervreemding van het perceel. De rechtbank heeft daarmee onder meer miskend dat de vergoeding die [eiser] in 1993 heeft ontvangen voor de economische levering van het perceel (met het recht van voortgezet gebruik) een andere is dan de vergoeding van de schade die [eiser] lijdt omdat hij als gevolg van de onteigening het gebruik niet kan voortzetten. De rechtbank heeft in rov. 2.70 bovendien miskend dat de omrijschade toewijsbaar is.

5.2

Uitgangspunt is dat de eigenaar wiens onroerende zaak wordt onteigend, recht heeft op volledige vergoeding voor alle schade die hij rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt (art. 40 Ow). Die vergoeding omvat de werkelijke waarde van het onteigende en in voorkomend geval ook vergoeding van bijkomende schade. Als de eigenaar op het onteigende een bedrijf uitoefent, kan de vergoeding van bijkomende schade vergoeding behelzen van onder meer inkomstenderving, van kosten in verband met een vervangende bedrijfslocatie en van omrijschade.

5.3

De omstandigheid dat de eigenaar de onteigende onroerende zaak al eerder aan een derde in economische eigendom heeft overgedragen, brengt geen verandering in het hiervoor in 5.2 genoemde uitgangspunt. Wel brengt de economische-eigendomsverhouding dan mee dat de eigenaar de schadeloosstelling voor de werkelijke waarde van het onteigende afdraagt aan de economisch eigenaar. Als de economisch eigenaar – anders dan in deze zaak aan de orde is – op het onteigende een bedrijf uitoefent, kan de door de juridisch eigenaar te ontvangen en door te betalen schadeloosstelling tevens een vergoeding behelzen van de door de economisch eigenaar als gevolg van de onteigening geleden bijkomende schade. (Vgl. HR 10 augustus 1995, ECLI:NL:HR:1995:AC1576, NJ 1996/614 en 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9104, NJ 2010/138.)

5.4

In dit geval heeft de juridisch eigenaar [eiser] na de economische-eigendomsoverdracht van de onroerende zaak, zijn bedrijf daarop voortgezet, zoals nader geregeld in de contractuele verhouding met de economisch eigenaar Landvision. Niet valt in te zien waarom [eiser] geen recht zou hebben op vergoeding van de schade die hij als juridisch eigenaar in verband met die bedrijfsuitoefening lijdt als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, evenals het geval zou zijn geweest indien hij de onroerende zaak niet aan een ander in economische eigendom had overgedragen. Daarmee ontstaat geen aanspraak op schadeloosstelling die de onteigende niet heeft als geen economische-eigendomsoverdracht zou hebben plaatsgevonden. De onteigenaar verkeert dus niet in een nadeliger positie dan zonder die economische-eigendomsoverdracht het geval zou zijn.

Uitgangspunt is dan ook dat een vergoeding van bijkomende schade die geleden wordt in verband met de bedrijfsuitoefening door de onteigende op de in economische eigendom aan een ander overgedragen onroerende zaak, op haar plaats is indien en voor zover dat ook het geval zou zijn geweest indien geen sprake was geweest van economische-eigendomsoverdracht van die onroerende zaak.

5.5

In verband met het hiervoor in 5.2-5.4 overwogene had de rechtbank moeten onderzoeken of en in hoeverre [eiser] zijn bedrijf, de onteigening weggedacht, naar redelijke verwachting na de peildatum zou hebben voortgezet op de onroerende zaak. Daarvoor is mede van belang hetgeen de contractuele verhouding met de economisch eigenaar meebrengt voor de continuering van het bedrijf op die plaats, de onteigening weggedacht. Hetgeen daaromtrent is overeengekomen tussen de juridisch eigenaar en de economisch eigenaar is immers in dat geval bepalend voor de continuïteit van het bedrijf op die plaats. Hetgeen met de economisch eigenaar is overeengekomen over een mogelijke beëindiging van het gebruik van de onroerende zaak, kan onder omstandigheden meebrengen dat verplaatsing van het bedrijf niet aangemerkt kan worden als onteigeningsgevolg maar reeds besloten ligt in de contractuele verhouding met de economisch eigenaar.

5.6

Over enkele schadeposten die op de voet van het hiervoor in 5.4 en 5.5 overwogene mogelijk voor vergoeding in aanmerking komen, wordt in zijn algemeenheid het volgende overwogen.

Financieringslasten in verband met de aankoop van een vervangende bedrijfslocatie komen slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover deze aangegaan moeten worden voor het gedeelte van de aankoopsom dat uitgaat boven het bedrag van de ontvangen schadeloosstelling voor de werkelijke waarde van het onteigende. De omstandigheid datde onteigende die schadeloosstelling moet afdragen aan de economisch eigenaar en derhalve niet kan benutten voor de aankoop van een vervangende bedrijfslocatie (zodat hij – ook – voor het daarmee gemoeide bedrag financieringslasten moet aangaan), is geen rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, maar van de voordien reeds plaatsgevonden hebbende economische-eigendomsoverdracht.

In lijn met het voorgaande geeft de omstandigheid dat de onteigende juridisch eigenaar na de economische-eigendomsoverdracht het gebruik van de onroerende zaak om niet of tegen een relatief geringe vergoeding heeft mogen voortzetten, op zichzelf geen aanspraak op schadeloosstelling voor een hogere gebruiksvergoeding (bijvoorbeeld uit hoofde van huur) die hij voor een vervangende bedrijfslocatie moet betalen. Die gebruiksvergoeding komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover deze uitgaat boven het bedrag dat naar objectieve maatstaven een geëigende gebruiksvergoeding voor het onteigende zou zijn geweest.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in rov. 2.69-2.70 op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat aan [eiser] in het geheel geen vergoeding toekomt van bijkomende schade. De hierop gerichte klacht van middel I treft dus doel.

5.8

Middel II richt een klacht tegen de rov. 2.92-2.100 van het vonnis van de rechtbank, die gaan over de kostenvergoeding. Het middel bouwt voort op middel I. De in middel II vervatte klacht slaagt om die reden ook.

6 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

6.1

Nu blijkens het hiervoor onder 5 overwogene de middelen in het principale beroep doel treffen, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden behandeld.

6.2

De klachten van het middel in het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 april 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 483,93 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 15 december 2017.