Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:313

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
15/03764
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:303, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1147, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Uitleg onderwijsovereenkomst hbo. Toezeggingen omtrent te verwerven graad MA? Tekortkoming? Toerekenbaar? Wijziging van eis in hoger beroep, rechtsmiddelenverbod (art. 130 lid 2 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/566
JWB 2017/86
AR 2017/1009
RvdW 2017/304

Uitspraak

24 februari 2017

Eerste Kamer

15/03764

LZ/JS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

SNR SCHOUTEN EN NELISSEN RECOVERY B.V.,
gevestigd te Zaltbommel ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa,

t e g e n

1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [verweerster 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [verweerster 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [verweerder 6] ,
wonende te [woonplaats] ,

7. [verweerder 7] ,
wonende te [woonplaats] ,

8. [verweerster 8] ,
wonende te [woonplaats] ,

9. [verweerder 9] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. H.L. van Lookeren Campagne, thans mr. P. Kuipers.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als SNR en [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 218964/HA ZA 11-1166 van de rechtbank Oost-Nederland van 28 september 2011, 22 februari 2012 en 16 januari 2013;

b. de arresten in de zaak 200.124.309 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2015 en 24 maart 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft SNR beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor SNR mede door mr. W.E. Pors.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging van beide bestreden arresten en tot verwijzing.

De advocaat van [verweerders] heeft bij brief van 25 november 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerders] zijn op basis van met SNR – een commerciële onderwijsinstelling – gesloten studieovereenkomsten in 2002 en 2003 (cohort II respectievelijk III) gestart met de door SNR aangeboden postinitiële hbo-(deeltijd)opleiding ‘Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige’ (hierna: de opleiding).

(ii) Op het aanmeldingsformulier, de prospectus en het cursusboek van de opleiding staat “Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” vermeld.

(iii) Per 1 september 2002 is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gewijzigd en is een bachelor-masterstructuur in Nederland ingevoerd. Sedertdien wordt op grond van het bepaalde in art. 7.10a leden 1 en 2 WHW de graad ‘Master of Arts’ en de graad ‘Master of Science’ verleend aan degenen die met goed gevolg een universitaire masteropleiding hebben gevolgd.

(iv) Bij wet van 23 september 2004 (Stb. 2005, 32) is in art. 7.19a lid 2 WHW onder meer opgenomen dat de graad Master of Arts wordt aangeduid als MA en de graad Master of Science als MSc.

(v) In juni 2003 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), decaan van SNR, aan onder meer [verweerders] een e-mail verzonden met daarin de mededeling:

“Dat houdt in dat wij [SNR] de studenten van de eerste twee inschrijfjaren een erkend MA-diploma mogen verschaffen”.

(vi) In juli 2003 heeft de Dutch Validation Council (hierna: DVC) aan SNR bericht:

“Met genoegen deel ik namens de Dutch Validation Council mede, dat de navolgende opleiding is toegelaten tot het kandidaatsregister van het “DVC Masterregister”.

Master in Stressmanagement en Reïntegratie deskundigheid

Dit verleent u het recht om vanaf juni 2003 de genoemde titel aan maximaal twee uitstromende cohorten afgestudeerden van de genoemde opleidingen te mogen verlenen.”

(vii) [betrokkene 1] heeft namens SNR [verweerders] bij brief van 24 september 2004 onder meer bericht:

“Gisteren, 16 september 2004, ontving ik van cohort III een bezorgde brief (…) over de status van de opleiding Stressmanagement en Reïntegratiedeskundige. (…) De NVAO [Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie; Hoge Raad] is vanaf eind 2003 de enige instantie die accreditaties kan verstrekken. (…)

Er worden in Nederland veel nieuwe masteropleidingen aangeboden; zowel door universiteiten, hogescholen als private ondernemingen. De laatste twee zijn betrekkelijk nieuwe spelers in het veld. De wet staat hen toe dit type van onderwijs aan te bieden. Ook private aanbieders kunnen hun bachelor- en masteropleidingen dus laten accrediteren bij de NVAO. Schouten & Nelissen heeft vanaf het begin (2001) het voornemen uitgesproken de door hen ontwikkelde en te ontwikkelen masteropleidingen te laten accrediteren.

In dat kader hebben wij de masteropleiding Stressmanagement en Reïntegratiedeskundige destijds aangeboden aan de toenmalige accrediterende instantie, de DVC. Onze opleiding is medio 2003 aan de DVC, dus voordat de NVAO actief was, aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als een MA-SR, als een Master of Arts opleiding dus. Als zodanig is de opleiding inderdaad kandidaatsgeaccrediteerd door de DVC. Dit betekent dus dat alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren. Zij kunnen kiezen tussen de ‘oude’ titel MA-SR of de ‘nieuwe’ titel MSR. Het cohort IV is medegedeeld dat zij af zal studeren als MSR.

Overigens hebben wij de aanduiding MA-SR niet op het diploma gezet van de eerste groep afgestudeerden. Dit omdat inmiddels duidelijk was geworden dat de titel Master of Arts voor dit type onderwijs zijn langste tijd had gehad. Onder invloed van de nieuwe Wet op de Accreditatie werd duidelijk dat de Master of Arts titel bestemd is voor het initiële universitaire hoger onderwijs, evenals de Master of Science (MSc), en bovendien dat de Master of Arts titel niet thuis hoort in de gamma-wetenschappen, eerder in de wereld van de alfa-studies.

(…)

Desondanks willen wij de studenten van cohort I t/m III tegemoet komen door op hun diploma onder andere te vermelden dat de opleiding kandidaatsgeaccrediteerd is door de DVC als Master of Arts in Stressmanagement- en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR). (…).”

(viii)In 2005 en 2006 heeft een aantal studenten van SNR een diploma met daarop de titel ‘Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)’ ontvangen.

(ix) SNR heeft in verband met het hiervoor onder (viii) genoemde diploma op 7 april 2008 een brief aan [verweerders] verstuurd, met als bijlagen aan haar gestuurde brieven van 22 januari 2008 van de NVAO en van 11 februari 2008 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Ministerie van OCW). De brief van SNR aan [verweerders] vermeldt, voor zover van belang:

“U bent in (…) afgestudeerd aan de Schouten & Nelissen University en heeft daarbij een diploma ontvangen met de titel Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR). Onlangs is gebleken dat de titel op uw diploma niet juist is. In deze brief lichten wij de achtergrond toe van deze onjuistheid en hoe deze tot stand is gekomen. In de bijlagen vindt u een brief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover en een nieuw diploma met aangepaste titel.

In 2003 is uw studie kandidaatsgeaccrediteerd bij de Dutch Validation Council (DVC). Destijds werd ervan uitgegaan dat bij afstuderen de titel Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR) kon worden verleend. In de looptijd van uw studie is echter de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) opgericht die in Nederland als enige wettelijke organisatie de accreditaties verleent. De NVAO heeft de studie uiteindelijk op 21 december 2004 geaccrediteerd met de titel: Master Stressmanagement en Reïntegratie (MSR).

Bij uw afstuderen is op uw diploma de titel: MA-SR vermeld. Omdat de uiteindelijke accreditatie echter niet door de DVC werd verleend, maar door de NVAO bleven hier vragen over bestaan. De Raad van Bestuur van SNR Services B.V., moedermaatschappij van o.a. de Schouten & Nelissen University heeft vanaf de accreditatie op 21 december 2004 laten onderzoeken wat de juiste titel is, verbonden aan de door u gevolgde studie.

(…)

De duidelijkheid is pas op 11 februari jl. definitief en eenduidig gegeven door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In de bijlage treft u een kopie van deze brief van het Ministerie aan. Tevens treft u aan een brief van de NVAO d.d. 17 januari j.l. Op basis van deze brief zijn wij tot de conclusie gekomen dat op het aan u uitgereikte diploma een onjuiste titel is vermeld. Daarom ontvangt u bij deze tevens een nieuw diploma met daarin vermeld de juiste titel. Het oude diploma komt daarmee te vervallen.

Het spijt ons dat het zo lang heeft geduurd voordat er duidelijkheid kon worden gegeven over de titel die verbonden is aan de door u gevolgde studie. (…)”

De bovengenoemde brief van de NVAO houdt onder meer in:

“Aan een positief beoordeelde postinitiële hbo-masteropleiding is de graad Master verbonden zonder het predikaat of Arts dan wel of Science. Sedert juli 2007 is aan postinitiële wo-master opleidingen de graad Master of Arts dan wel Master of Science gekoppeld.

Een student die na augustus 2002 is afgestudeerd aan een door de NVAO positief beoordeelde postinitiële hbo-masteropleiding heeft recht op de graad Master en komt niet in aanmerking voor de titel Master of Arts of Master of Science. Dit geldt ook voor studenten die met de opleiding zijn gestart voorafgaand aan de accreditatie van de opleiding en na accreditatie zijn afgestudeerd. (…)”

De eveneens hiervoor vermelde brief van het Ministerie van OCW vermeldt, voor zover van belang:

“De opleiding Stressmanagement & Reïntegratie is op 21 december 2004 als HBO-master geaccrediteerd. (…)

Door de accreditatie van de bovengenoemde opleiding worden de wettelijke bepalingen, inclusief de bepalingen omtrent graadverlening, van toepassing. Op grond van de genoemde wet is de graad MA (en MSc) voorbehouden aan het wetenschappelijk onderwijs. Aan een hbo-opleiding (bachelor en master) kan geen ‘of Arts’ of ‘of Science’ zijn verbonden. Aan een hbo-opleiding is de graad bachelor respectievelijk master verbonden waarbij de instelling een relevante toevoeging kan plegen (met uitzondering van ‘of Arts’ of ‘of Science’).

Anders geformuleerd: degene die afstudeert nadat de opleiding is geaccrediteerd, studeert af aan een geaccrediteerde (dus formeel erkende) opleiding - ook al was de opleiding gedurende een groot deel van zijn of haar studietijd niet geaccrediteerd - en verkrijgt een formeel erkende graad en dito getuigschrift. Wat betreft de graad betekent dat voor een hbo-opleiding géén MA of MSc. Dit geldt ook voor opleidingen die door de DVC waren beoordeeld. Bij deze opleiding gaat het blijkbaar om de graad MSR.”

(x) [verweerders] hebben bij de hiervoor onder (ix) genoemde brief van 7 april 2008 een diploma van SNR ontvangen waarop staat aangegeven dat hun de graad Master Stressmanagement en Reïntegratie (MSR) is verleend.

(xi) Bij brief van 4 februari 2011 hebben [verweerders] SNR aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van het niet ontvangen van de MA-graad na afronding van de opleiding.

3.2.1

[verweerders] vorderen een verklaring voor recht dat SNR jegens hen aansprakelijk is voor de door hen geleden schade als gevolg van het niet ontvangen van de MA-graad na afronding van de opleiding, en tevens de veroordeling van SNR tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. [verweerders] baseren hun vorderingen op de met SNR gesloten studieovereenkomsten en de in dat kader gedane toezeggingen dat de opleiding zou leiden tot de MA-graad, alsmede (in hoger beroep) op onrechtmatige daad van SNR door hun de MA-graad te onthouden.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerders] afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft voor recht verklaard dat SNR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten met [verweerders] en uit dien hoofde aansprakelijk is jegens hen voor de daaruit voortvloeiende schade, en heeft SNR veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. Daartoe heeft het hof in zijn tussenarrest als volgt overwogen.

SNR is door het niet verlenen (althans door het eerst verlenen en daarna intrekken) van de MA-graad tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten met [verweerders] Tenzij die tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend, is SNR op grond van art. 6:74 BW verplicht de schade die [verweerders] als gevolg daarvan lijden te vergoeden. De stelplicht en bewijslast terzake van het ontbreken van de toerekenbaarheid rusten op SNR. (rov. 4.6)

SNR heeft betoogd dat de tekortkoming haar niet valt te verwijten, althans niet voor haar risico komt, omdat zij in de onzekere periode rond de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en het daaruit voortvloeiende verbod aan niet-universitaire masteropleidingen om de MA-graad te verlenen, in onzekerheid verkeerde over de titel die aan afgestudeerden van de opleiding mocht worden verleend. De onzekerheid omtrent de te verlenen graad kan echter geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat SNR de (in de hiervoor in 3.1 onder (vii) genoemde brief van 24 september 2004 besloten liggende) toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan, maar had SNR er juist van moeten weerhouden die toezeggingen aan [verweerders] te doen, althans had haar ertoe moeten bewegen op dit punt een voldoende duidelijk voorbehoud te maken. (rov. 4.8)

SNR heeft ook overigens geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat haar niet kan worden verweten dat zij de bedoelde toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan, althans dat de niet-nakoming van die toezeggingen niet voor haar rekening zou moeten komen. De stelling van SNR dat zij is afgegaan op hetgeen de DVC haar had medegedeeld omtrent de bevoegdheid om de MA-graad aan de studenten van de cohorten I t/m III te verlenen, is daarvoor onvoldoende. Met de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en de invoering van het bachelor-masterstelsel in Nederland bestond voor SNR een belangrijke indicatie om aan te nemen dat zij als instelling van hoger beroepsonderwijs niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen. SNR heeft niet, althans in onvoldoende mate toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] en de in dat kader nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen niet van de consequenties van de (naderende) wetgeving op de hoogte was of heeft kunnen zijn. Het lag op de weg van SNR zich daarvan wel op de hoogte te stellen, zeker nu zij zich voor het eerst in dit opleidingssegment begaf. (rov. 4.9)

Nu vaststaat dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan aan de informatie van de DVC op zijn minst kon worden getwijfeld, lag het op de weg van SNR om niet op de van de DVC verkregen informatie af te gaan zonder ook zelf voldoende inspanning en zorgvuldigheid te betrachten om de juistheid van die informatie te verifiëren. SNR heeft aangevoerd dat de NVAO pas met ingang van 1 januari 2005 (in de per die datum gewijzigde WHW) als accreditatieorgaan met name werd genoemd en in de periode tussen 1 september 2002 en 1 januari 2005 slechts in oprichting was, zodat SNR er ook daarom vanuit is gegaan dat tot die tijd de DVC-accreditaties gelding bleven behouden. Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste uitgangspunten van de per 1 september 2002 gewijzigde WHW en het daarin duidelijk vastlegde onderscheid tussen graden in het wo-onderwijs en het hbo-onderwijs, zijn deze stellingen, wat daar ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat SNR op dit punt niet tot enig (nader) onderzoek was gehouden. (rov. 4.10)

3.3.1

Onderdeel A klaagt in de eerste plaats dat het hof is uitgegaan van een (in rov. 3.2 opgenomen) versie van de wet – met name van art. 7.10a WHW – die in de relevante periode nog niet van kracht was.

Hoewel deze klacht gegrond is – waartoe wordt verwezen naar hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.10-2.13 – kan zij niet tot cassatie leiden, nu het bestreden oordeel van het hof omtrent de toerekenbaarheid aan SNR van haar tekortkoming (rov. 4.8-4.11) niet berust op de eerst per 1 maart 2005 in art. 7.10a lid 2 WHW opgenomen regel die de mogelijkheid uitsloot om aan een op grond van een hbo-opleiding verkregen mastertitel de aanduiding ‘of Arts’ of ‘of Science’ toe te voegen, maar op hetgeen hierna in 3.3.3 wordt overwogen.

3.3.2

Het onderdeel behelst voorts de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de notitie van de Minister van OCW ‘Naar een open hoger onderwijs’ over de invoering van een bachelor-masterstructuur, die in het kader van de openbare consultatie in november 2000 naar het parlement is gezonden (Kamerstukken II 2000-2001, 27 496, nr. 1) (hierna: de notitie), in zijn oordeel te betrekken. Volgens het onderdeel heeft geen van partijen een beroep op die notitie gedaan (ook niet op de door het hof veronderstelde consultatie), noch daarover iets in het geding gebracht, en had het hof de notitie ook anderszins niet in zijn oordeel mogen betrekken. In dit verband wijst het onderdeel erop dat de notitie niet een onderdeel van de parlementaire geschiedenis van de wijziging van de WHW vormt.

3.3.3

Het hof heeft (in rov. 4.9) de notitie aangehaald in verband met zijn oordeel dat SNR niet (voldoende) heeft toegelicht dat zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] en de in dat kader nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen niet van de consequenties van de (naderende) wetgeving op de hoogte was of heeft kunnen zijn, en dat haar tekortkoming in de nakoming van die toezeggingen daarom, anders dan SNR betoogt, toerekenbaar is als bedoeld in art. 6:75 BW. Het hof heeft daarbij van belang geacht dat SNR zelf heeft aangevoerd dat zij in de periode rond de wijziging van de WHW, derhalve in de periode waarin SNR de toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan, in onzekerheid verkeerde over de titel die zij aan afgestudeerden van de opleiding mocht verlenen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat als SNR zich van die consequenties had vergewist, zij niet anders had kunnen concluderen dan dat zij niet bevoegd was de MA-titel te verstrekken. Dat heeft het hof afgeleid uit:

(i) de tekst van art. 7.10a WHW, zoals die op 1 september 2002 is gaan luiden;

(ii) de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij de Wijziging van (onder meer) de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Kamerstukken I 2001-2002, 28 024, nr. 232c) (hierna: de memorie van antwoord); en

(iii) de notitie.

Met dit oordeel is het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft het bovendien ook niet in strijd gehandeld met art. 149 Rv. De stelplicht en bewijslast van de door [verweerders] betwiste stelling dat de tekortkoming in de nakoming van de toezeggingen niet toerekenbaar is, rustten immers op SNR. Nu SNR zich in dit verband beriep op de onduidelijkheid van de wetgeving in en voorafgaande aan september 2004, diende het hof na te gaan of van die onduidelijkheid sprake was, waarbij het in beginsel diende te letten op alle relevante parlementaire stukken, ook de notitie. Overigens draagt hetgeen het hof overweegt omtrent de stukken onder (i) en (ii) genoemd, zijn oordeel al zelfstandig. De verwijzing naar de notitie diende slechts ter bevestiging van hetgeen reeds uit de wet en de memorie van antwoord voortvloeide.

De klacht faalt dus.

3.4

Onderdeel B klaagt dat onjuist en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is dat het hof (in rov. 3.7) heeft overwogen dat [verweerders] in 2005 en 2006 elk een diploma van SNR hebben ontvangen met daarop de titel ‘Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)’, terwijl dat slechts voor vier van de verweerders gold.

Deze klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien [verweerders] , blijkens hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, hun vorderingen baseren, kort gezegd, op de (niet-nakoming van) toezeggingen van SNR dat de opleiding zou leiden tot de MA-graad.

3.5

Onderdeel C bevat onder meer de klacht dat SNR in hoger beroep heeft aangevoerd dat [verweerders] door hun wijze van procederen in eerste aanleg hun recht hadden verwerkt in appel terug te komen van de wijziging van de grondslag van hun eis in eerste aanleg, althans dat deze handelwijze in strijd met een goede procesorde was, en dat het hof op dat verweer in het geheel niet heeft beslist.

Deze klacht kan niet tot cassatie leiden op grond van het volgende. In rov. 4.3 heeft het hof (met betrekking tot grief I) overwogen:

“(…) In hoger beroep hebben [verweerders] (…) onmiskenbaar aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat SNR tekort is geschoten in de door haar met [verweerders] gesloten studieovereenkomsten en de in dat kader gedane toezegging dat deze opleiding zou leiden tot de MA-graad (…) en voorts dat SNR door [verweerders] geen MA-graad te verlenen onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld (…). Het hof zal de vorderingen op basis van deze grondslagen behandelen.”

In dit oordeel ligt besloten dat het hof het bezwaar van SNR – dat overigens niet is toegelicht – tegen de eiswijziging in hoger beroep heeft verworpen. Voor zover de klacht tegen deze verwerping opkomt stuit zij af op art. 130 lid 2 Rv, dat iedere hogere voorziening tegen een beslissing omtrent een verandering van eis uitsluit.

3.6

Onderdeel D is gericht tegen rov. 4.4 en 4.5, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat SNR onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij [verweerders] heeft toegezegd dat zij recht hebben op een MA-titel en zij mochten begrijpen dat dit een Master of Arts betrof. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist is en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk.

Deze klacht faalt. Hetgeen het hof daaromtrent in rov. 4.4 heeft overwogen, waarbij het heeft verwezen naar de hiervoor in 3.1 onder (vii) geciteerde brief, van welke brief het in rov. 4.5, naar aanleiding van het verweer van SNR op dat punt, de relevantie nader heeft gemotiveerd, kan dat oordeel dragen. Het bestreden oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht; het is ook niet onbegrijpelijk. De getuigenverklaringen behoefden het hof niet tot een ander oordeel te brengen.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt SNR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 393,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 februari 2017.