Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3127

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
15/05937
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4966, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:966, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; artt. 14, 15, 17 en 31 Wet OB; artt. 6, 10, en 19, AWR; artt. 3 en 25 Uitvoeringsregeling AWR. In geval van verschuldigdheid van omzetbelasting verplichting aangifte te doen, ook indien aangifte tot teruggaaf leidt. Geen wettelijke termijn voor het doen van een verzoek te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. Aftrek in het tijdvak waarin recht op teruggaaf is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-12-2017
FutD 2017-3142 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2018/0023 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts

Uitspraak

15 december 2017

nr. 15/05937

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 november 2015, nr. 15/00094, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/2121) betreffende het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 september 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:966).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft op zijn privéwoning een aan hem geleverde zonne-energie-installatie (hierna: de installatie) doen installeren en deze op 1 september 2012 in gebruik genomen. Voor de levering en de montage van de installatie is hem met dagtekening 1 september 2012 een factuur uitgereikt, waarbij hem € 830,41 aan omzetbelasting in rekening is gebracht. Sinds die datum levert belanghebbende met de installatie opgewekte elektriciteit tegen vergoeding aan een energiemaatschappij.

2.1.2.

Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 8 maart 2013 verzocht hem voor de heffing van omzetbelasting als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) te registreren en hem een aangiftebiljet voor de omzetbelasting uit te reiken over de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. In de brief heeft belanghebbende gewezen op de op 7 maart 2013 door de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie genomen conclusie in de zaak Thomas Fuchs, C-219/12, ECLI:EU:C:2013:152.

2.1.3.

Bij brief van 3 april 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij als belastingplichtige voor de omzetbelasting is geregistreerd. Tegelijkertijd heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aangiftebiljet uitgereikt voor het doen van aangifte van omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. Op dit aangiftebiljet is vermeld dat de aangifte door de Inspecteur moet zijn ontvangen op 6 mei 2013. Belanghebbende heeft op 7 april 2013 de aangifte gedaan. In het aangiftebiljet heeft hij € 21 als verschuldigde omzetbelasting vermeld en heeft hij het bedrag van (afgerond) € 831 aan omzetbelasting dat hem in rekening is gebracht ter zake van de levering en de montage van de installatie, als in aftrek te brengen omzetbelasting vermeld. De aangifte resulteerde aldus in een verzoek om teruggaaf van € 810.

2.1.4.

Bij beschikking met dagtekening 25 mei 2013 heeft de Inspecteur beslist de gevraagde teruggaaf niet te verlenen. Als motivering voor zijn beslissing heeft de Inspecteur gegeven dat hij belanghebbende niet als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet aanmerkt. De Inspecteur heeft ervan afgezien het als verschuldigde omzetbelasting aangegeven bedrag van belanghebbende te heffen.

2.1.5.

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013, Thomas Fuchs, C-219/12, ECLI:EU:C:2013:413, heeft belanghebbende tegen de hiervoor in 2.1.4 vermelde beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op het bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbende alsnog als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet aangemerkt. Het verzoek om teruggaaf heeft de Inspecteur niettemin afgewezen op de grond dat belanghebbende het verzoek niet heeft gedaan binnen de daartoe in artikel 31, lid 5, van de Wet gestelde termijn van drie maanden na afloop van het kwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

2.2.

Het Hof heeft vooropgesteld dat belanghebbende vanaf 1 september 2012 omzetbelasting verschuldigd is geworden die op grond van artikel 14 van de Wet op aangifte moet worden voldaan en dat belanghebbende ingevolge artikel 31, lid 1, van de Wet een verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 17 van de Wet, diende te doen bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, in dit geval de aangifte over het derde kwartaal van het jaar 2012. Op grond van artikel 10, lid 2, AWR in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van de Uitvoeringsregeling AWR had belanghebbende, aldus het Hof, de Inspecteur uiterlijk 31 oktober 2012 moeten verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte over het derde kwartaal van het jaar 2012. Uit het feit dat belanghebbende bij brief van 8 maart 2013 de Inspecteur heeft verzocht hem als ondernemer aan te merken en hem een aangiftebiljet uit te reiken voor de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 volgt dat belanghebbende niet binnen de daartoe wettelijk gestelde termijnen heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte, aldus het Hof. Het Hof heeft hieraan het gevolg verbonden dat het verzoek om teruggaaf niet tijdig is gedaan. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur daarom terecht het verzoek om teruggaaf van € 810 afgewezen.

De omstandigheid dat belanghebbende de voor het indienen van de aangifte door de Inspecteur gestelde termijn in acht heeft genomen, leidt naar het oordeel van het Hof niet ertoe dat ook het in die aangifte vervatte verzoek om teruggaaf tijdig is ingediend. Volgens het Hof mag uit het stellen van een termijn voor het indienen van de aangifte alleen worden geconcludeerd dat daarmee uitstel voor het doen van aangifte is verleend, indien het verzoek om uitreiking van een aangifte(biljet) tijdig is gedaan.

2.3.1.

Bij de beoordeling van de klachten, die zich richten tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof en die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, wordt het volgende vooropgesteld.

2.3.2.

Ingevolge artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet brengt de ondernemer de omzetbelasting in aftrek welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.

Op grond van artikel 14, lid 1, van de Wet is de ondernemer verplicht de in een tijdvak verschuldigde belasting op aangifte te voldoen. Daarbij heeft ingevolge artikel 17 van de Wet te gelden dat indien de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting het verschil op zijn verzoek aan de ondernemer wordt terugbetaald. Een verzoek om teruggaaf geschiedt op grond van artikel 31, lid 1, van de Wet bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

2.3.3.

In de Nederlandse wet is niet de verplichting voor een belastingplichtige opgenomen opgaaf te doen van het begin van zijn activiteit als belastingplichtige (vgl. artikel 213 BTW-richtlijn 2006).

Op grond van artikel 6, leden 2 en 3, AWR gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van de Uitvoeringsregeling AWR is een belastingplichtige die belasting moet betalen – en die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte – gehouden de inspecteur te verzoeken te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte en wel vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald. Voor gevallen waarin een belastingplichtige geen belasting behoeft te betalen, is in de AWR geen verplichting opgenomen noch een termijn gesteld voor het doen van een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. De verplichting de inspecteur te verzoeken te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte ontstaat voor een ondernemer daarom pas voor tijdvakken waarin de verschuldigde omzetbelasting de in aftrek gebrachte omzetbelasting overtreft. Dit een en ander betekent dat een ondernemer die niet uit eigen beweging de aanvang van zijn belaste activiteiten heeft gemeld bij de inspecteur en die niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tijdig op de voet van de artikelen 14, 15, 17 en 31, lid 1, van de Wet bij aangifte een verzoek om teruggaaf heeft gedaan.

2.4.

Belanghebbende heeft niet eerder dan in maart 2013 verzocht te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte over de periode 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. Op grond van artikel 10, lid 2, AWR in samenhang gelezen met artikel 25, leden 1 en 3, van de Uitvoeringsregeling AWR wordt de aangiftetermijn in de regel op een kalenderkwartaal gesteld. Het verzoek van belanghebbende betrof derhalve tijdvakken die reeds waren verstreken op het tijdstip waarop hij het verzoek deed.
Aangezien met betrekking tot de maand september 2012 de door belanghebbende in aftrek te brengen omzetbelasting de door hem verschuldigde belasting overtrof, was belanghebbende niet op de voet van artikel 6, lid 3, AWR gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van de Uitvoeringsregeling AWR gehouden de Inspecteur te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte en moet het verzoek worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 6, lid 2, AWR. Naar volgt uit hetgeen in 2.3.3 hiervoor is overwogen, geldt in deze gevallen geen termijn waarbinnen een verzoek om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte moet worden gedaan, zodat belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat hij het verzoek niet tijdig heeft gedaan.

Het hiervoor in 2.2 weergegeven andersluidende oordeel van het Hof geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten slagen.

2.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

2.5.2.

Voor gevallen waarin op grond van artikel 14 van de Wet verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet worden voldaan en de aangifte vanwege in aftrek te brengen omzetbelasting per saldo leidt tot een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 17 van de Wet, schrijft artikel 31, lid 1, van de Wet niet méér voor dan dat dat verzoek om teruggaaf moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

De Inspecteur heeft van de hem in artikel 25, lid 3, van de Uitvoeringsregeling AWR geboden bevoegdheid gebruik gemaakt en heeft belanghebbende overeenkomstig diens verzoek uitgenodigd tot het doen van een eerste aangifte voor de omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2012 tot en met 31 december 2012. In aanmerking nemende de dagtekening van de factuur – 1 september 2012 – heeft belanghebbende de hem in rekening gebrachte omzetbelasting in het in artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet voorgeschreven tijdvak in aftrek gebracht en heeft hij derhalve op de voet van artikel 31, lid 1, van de Wet over het juiste tijdvak een verzoek om teruggaaf gedaan.

De Inspecteur heeft dan ook ten onrechte het verzoek om teruggaaf afgewezen. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten,

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 248, en

gelast dat de Inspecteur aan het Hof betaalt het griffierecht ter zake van de behandeling van het hoger beroep ten bedrage van € 497.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.