Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3115

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
16/01917
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1338, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon opzettelijk nalaten melding te doen van ongebruikelijke transacties. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:895. Middelen over 1. opzet van de rechtspersoon, 2. feitelijke leiding geven, 3. toepasselijkheid Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, 4. in een later stadium alsnog voldoen aan de meldplicht en 5. onjuiste maatstaf (Zwolsmancriterium) bij verwerping no-verweer wegens schending gelijkheidsbeginsel. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/02167.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 december 2017

Strafkamer

nr. S 16/01917 A

EC/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, CuraƧao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 23 maart 2016, nummer H 009/11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017.