Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3110

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
16/05741
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:885
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Insolventierecht. Surseance van betaling. Akkoord aan schuldeisers aangeboden. Beslissingen rechter-commissaris als bedoeld in art. 267 Fw en art. 268a Fw. Staat gewoon rechtsmiddel open? Art. 282 Fw. Doorbrekingsgronden toepasselijk? Termijn voor instellen rechtsmiddel met beroep op doorbrekingsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0386
RvdW 2018/32
NJB 2018/9
AR 2017/6463
NJ 2018/13
RI 2018/12
RBP 2018/24
JOR 2018/102 met annotatie van Mr. R.J. van Galen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 december 2017

Eerste Kamer

16/05741

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,

t e g e n

1. mrs. O.B.J. POORTHUIS en P.R. DEKKER, in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Accessio Beheer B.V.,

kantoorhoudende respectievelijk te ’s-Hertogenbosch en Rosmalen,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,

en

2. [A],
kantoorhoudende te [plaats] ,

3. CBH Rechtsanwalte,
gevestigd te Keulen, Duitsland,

4. [B] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. Propertize B.V.,
gevestigd te Utrecht,

6. mrs. F.P.G. Dix en M.J.W. van Ingen, in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1] ,

kantoorhoudende respectievelijk te Best en ’s-Hertogenbosch,

VERWEERDERS/BELANGHEBBENDEN in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en verweerders sub 1 als de curatoren van Accessio.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/01/270452/FT-RK 13/1756, surseancenummer C/01/13/44 S en faillissementsnummer C/01/16/507 F van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2014 en 17 november 2016.

De beschikking van de rechtbank van 17 november 2016 is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 17 november 2016 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curatoren van Accessio hebben verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt deels tot niet-ontvankelijkheid en deels tot verwerping van het cassatieberoep

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van28 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) In 2014 is aan [verzoeker] definitief surseance van betaling verleend.

  • -

    ii) Op 5 oktober 2016 heeft ten overstaan van een rechter-commissaris een vergadering van schuldeisers en raadpleging en stemming plaatsgevonden ter zake van een door [verzoeker] aan zijn schuldeisers aangeboden (ontwerp van een) akkoord. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, dat aan belanghebbenden ter beschikking is gesteld.

  • -

    iii) [verzoeker] is op 13 oktober 2016 in staat van faillissement verklaard.

3.2.1

In dit geding heeft [verzoeker] op 10 oktober 2016 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen beslissingen van de rechter-commissaris van 5 oktober 2016. Voor zover in cassatie van belang betrof het beslissingen als bedoeld in art. 267 Fw en de beslissing tot afwijzing van een op
art. 268a Fw gebaseerd verzoek (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.14).

3.2.2

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe in haar beschikking, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Tegen beslissingen van de rechter de surseance van betaling betreffende, staat ingevolge art. 282 Fw geen hogere voorziening open, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet (rov. 2.2).

Daarom kan [verzoeker] geen beroep aantekenen tegen de door de rechter-commissaris ter vergadering van5 oktober 2016 genomen beslissingen, ook niet van de beslissing over de toepassing van art. 268a Fw (rov. 2.2.1).

Dat zou anders kunnen zijn als zou zijn gebleken van ter vergadering van 5 oktober 2016 geschonden fundamentele rechten van [verzoeker] of een (apert) onjuiste toepassing of buiten toepassing laten van bepalingen van de Faillissementswet. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. (rov. 2.2.2)

Ten overvloede wordt opgemerkt dat hoe dan ook door [verzoeker] onvoldoende is aangevoerd om tot de conclusie te komen dat zijn schuldeisers niet in redelijkheid tot hun beslissing hebben kunnen komen, gelet op het verhandelde ter zitting van 5 oktober 2016, zoals neergelegd in het proces-verbaal, en hetgeen crediteuren (die tegen hebben gestemd) tijdens en in verband met de zitting van
10 november 2016 (in de verweerschriften en brieven) hebben aangevoerd (rov. 2.2.3).

3.2.3

Op 13 oktober 2016 is namens [verzoeker] op de voet van art. 269a Fw een voorwaardelijk verzoek ingediend tot verbetering van het hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde proces-verbaal.

3.2.4

Het cassatieberoep is gericht tegen de hiervoor in 3.2.2 vermelde beschikking, en tegen de afwijzing door de rechtbank, in dezelfde beschikking, van het verzoek van [verzoeker] tot verbetering van het hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde proces-verbaal.

3.2.5

De curatoren van Accessio voeren onder andere het verweer dat [verzoeker] niet-ontvankelijk in het cassatieberoep is. Hetgeen zij daartoe aanvoeren, komt hierna bij de bespreking van de cassatieklachten van [verzoeker] aan de orde.

3.3

Klacht 1 houdt onder meer in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen beroep openstaat van de beslissingen van de rechter-commissaris. In ieder geval staat volgens de klacht beroep open van de beslissing omtrent toepassing van art. 268a Fw, aangezien het blijkens de parlementaire geschiedenis de bedoeling is geweest dat beroep open te stellen.

Rechtsmiddelenverbod (art. 282 Fw)

3.4.1

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

3.4.2

Art. 282 Fw bepaalt dat tegen rechterlijke beslissingen, gegeven ingevolge de bepalingen van de tweede titel van de Faillissementswet (“Van surseance van betaling”), geen hogere voorziening openstaat, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet.

3.4.3

Het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw heeft slechts betrekking op beslissingen waartoe de rechter door enige bepaling van de tweede titel van de Faillissementswet uitdrukkelijk wordt geroepen (HR 20 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4606, NJ 1984/270). Art. 267 Fw en
art. 268a Fw maken deel uit van de tweede titel van de Faillisementswet en zijn bepalingen waardoor de rechter-commissaris uitdrukkelijk tot beslissingen wordt geroepen.

3.4.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2-3.4.3 is vermeld, vallen rechterlijke beslissingen als bedoeld in art. 267 Fw en art. 268a Fw onder het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw, tenzij het tegendeel wettelijk is bepaald.

Dit laatste is niet het geval. Een onderdeel van een wetsvoorstel, welk onderdeel echter nadien is vervallen, heeft ingehouden:

“Aan artikel 282 wordt een tweede lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden:

Van alle beschikkingen van de rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden.” (Kamerstukken II 1999-2000, 27 244, nr. 2, p. 16, Artikel I, onderdeel HHH)

Door het vervallen van dit onderdeel (Kamerstukken II 2003-2004, 27 244, nr. 8, p. 1, onder 3), is het vermelde tweede lid niet aan art. 282 Fw toegevoegd.

3.5

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [verzoeker] ingevolge art. 282 Fw niet-ontvankelijk is in zijn beroep tegen de bestreden beslissingen. Anders dan de klacht betoogt, kan niet worden aangenomen dat in afwijking van art. 282 Fw een rechtsmiddel tegen de beslissing over de toepassing van art. 268a Fw niettemin openstaat, noch op de grond dat een daartoe strekkend wetsvoorstel aanhangig is geweest, noch op de grond dat art. 67 Fw voor faillissement en art. 315 Fw voor de schuldsaneringsregeling een andere regeling bevatten dan die van art. 282 Fw voor de surseance van betaling. Het hiervoor in 3.3 weergegeven onderdeel van klacht 1 faalt.

3.6.1

Klacht 1 betoogt voorts dat de rechter-commissaris geen onpartijdige en onafhankelijke rechter is. Daartoe wordt onder meer het volgende aangevoerd. [verzoeker] had twee bewindvoerders, Kemps en Poorthuis. De rechter-commissaris heeft vooroverleg gehad met in ieder geval de bewindvoerder Poorthuis, die tevens curator was in het faillissement van Accessio Beheer B.V (hierna: Accessio). Accessio pretendeerde een substantiële vordering op [verzoeker] , die door [verzoeker] werd betwist met een beroep op een hogere tegenvordering. Door Kemps werd die tegenvordering bevestigd. De rechter-commissaris heeft echter ten gunste van Poorthuis als curator van Accessio beslist dat de tegenvordering van [verzoeker] niet voor verrekening vatbaar was. De rechter-commissaris heeft op 12 augustus 2016 bij de rechtbank een voordracht tot ontslag van Kemps als bewindvoerder van [verzoeker] ingediend, waarop de rechtbank op 7 september 2016 afwijzend heeft beslist. [verzoeker] is met die voordracht en afwijzing pas later bekend geraakt. De voordracht tot ontslag van Kemps plaatst de beslissingen van de rechter-commissaris ten nadele van [verzoeker] in een ander daglicht. Van een onpartijdige en onafhankelijke rechter kan niet meer worden gesproken.

3.6.2

Klacht 3, die is aangevoerd voor het geval klacht 1 niet gegrond wordt bevonden, is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een schending van fundamentele rechten van [verzoeker] dan wel van het ten onrechte buiten toepassing laten van hetgeen art. 269 Fw voorschrijft. Betoogd wordt dat geen rechtsgeldige stemming heeft plaatsgevonden en de rechter-commissaris daarom niet heeft kunnen beslissen dat het akkoord is verworpen. De stemming voldoet volgens de klacht niet aan de eisen van art. 269 Fw op de grond dat uit het proces-verbaal niet blijkt hoe de crediteuren hebben gestemd.

3.6.3

Met de hiervoor in 3.6.1-3.6.2 weergegeven klachten wordt kennelijk een beroep gedaan op een grond voor doorbreking van het in art. 282 Fw neergelegde verbod op het instellen van een gewoon rechtsmiddel. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

Doorbrekingsgronden

3.7.1

Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op een van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze regeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het rechtsmiddelenverbod van art. 282 Fw anders te oordelen.

Termijn voor instellen beroep

3.7.2

Bij het bepalen van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het verbod van art. 282 Fw wordt beoogd, is het volgende van belang.

De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. In beginsel geldt dan de termijn die voor het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel zou gelden als het rechtsmiddelenverbod zou ontbreken, wat in de verzoekschriftprocedure ingevolge art. 358 lid 2 Rv respectievelijk art. 426 lid 1 Rv een termijn van drie maanden zou opleveren.

Indien het gaat om beslissingen waarop het verbod van art. 282 Fw betrekking heeft, bestaat evenwel grond uit te gaan van een kortere termijn.

In gevallen waarin Titel II van de Faillissementswet, die betrekking heeft op surseance van betaling, in rechtsmiddelen voorziet, is de termijn acht dagen voor het instellen van hoger beroep, en acht dagen voor het instellen van cassatieberoep tegen de uitspraak op het hoger beroep (vgl. art. 219 lid 1 Fw en art. 221 lid 1 Fw; art. 243 lid 1 en art. 244 lid 1 Fw; art. 247b lid 2 en lid 4 Fw; art. 269a en art. 270 lid 1 Fw; art. 278 lid 1 en art. 279 lid 2 Fw).

Aldus is in de titel over surseance niet alleen afgeweken van de gewone termijn van drie maanden vanart. 358 lid 2 Rv respectievelijk art. 426 lid 1 Rv, maar ook van de regel van art. 426 lid 2 Rv dat in de gevallen waarin de wet voor het instellen van hoger beroep een kortere termijn dan drie maanden heeft voorgeschreven, de cassatietermijn het dubbele bedraagt van de appeltermijn.

Deze afwijking moet worden bezien tegen de achtergrond dat op een surseance die niet eindigtdoor algehele voldoening van de schuldeisers of door een akkoord, veelal een andere, ingrijpender insolventiemaatregel volgt (een faillissement, of toepassing van de schuldsaneringsregeling). Een termijn van acht dagen past bij het spoedeisende karakter van zaken waarin aanvankelijk toepassing is gegeven aan de surseance, maar vervolgens ingrijpender insolventiemaatregelen worden overwogen of getroffen. Dit is evenzeer aan de orde bij een rechtsmiddel waarmee doorbreking van het verbod van art. 282 Fw wordt beoogd. Daarom moet worden aanvaard dat ook dat rechtsmiddel gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak kan worden aangewend, ongeacht of het gaat om hoger beroep of cassatie.

3.8.1

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.7.2 is geoordeeld, is het op 28 november 2016 tegen de beschikking van 17 november 2016 ingestelde cassatieberoep niet tijdig ingesteld. Bij ontvankelijkverklaring op de grond dat in het licht van het hiervoor in 3.7.2 overwogene onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel dat door het verbod van art. 282 Fw wordt bestreken, heeft [verzoeker] evenwel geen belang, aangezien de hiervoor in 3.6.1 en 3.6.2 weergegeven klachten op het volgende afstuiten.

3.8.2

Uit het hiervoor in 3.6.1 weergegeven betoog van [verzoeker] , kan niet worden afgeleid dat bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Het voeren van overleg met een bewindvoerder in surseance, het nemen van een beslissing ten nadele van degene aan wie surseance is verleend en het doen van een voordracht tot ontslag van een bewindvoerder zijn feiten of omstandigheden die noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang erop duiden dat de rechter-commissaris niet onpartijdig en onafhankelijk te werk is gegaan. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet aangevoerd.

3.8.3

De hiervoor in 3.6.2 weergegeven klacht miskent dat onjuiste toepassing van een regel geen doorbrekingsgrond is als hiervoor in 3.7.1 bedoeld.

3.9

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.10

Tegen de hiervoor in 3.2.3 vermelde afwijzing door de rechtbank van het verzoek van [verzoeker] tot verbetering van het hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde proces-verbaal, zijn geen afzonderlijke klachten gericht. Voor zover het cassatieberoep is gericht tegen de afwijzing van dat verzoek slaagt het dus evenmin.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren van Accessio begroot op € 396,34 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 8 december 2017.