Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:31

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
16/02322
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Zedenzaak. Aanvraag door zuster en moeder van de overleden veroordeelde. Aanvraag door zuster: n-o ingevolge art. 458.1 Sv omdat de aanvraag mede is gedaan door de moeder. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:736. Rapport van de deskundige komt erop neer dat hij de verklaring van de getuige anders weegt dan het Hof heeft gedaan, hetgeen niet voldoende is om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. Voorts bevat het rapport geen nieuw of gewijzigd deskundigeninzicht. Ook overigens bevat het rapport geen f&o die kunnen worden beschouwd als een gegeven in de zin van art. 457 Sv en dat het vereiste “ernstige vermoeden” wekt. V.zv. de aanvraag zich erop beroept dat veroordeelde aangifte heeft gedaan, kan dit niet worden beschouwd als een gegeven in de zin van art. 457 Sv. De aanvraag is kennelijk ongegrond. De HR acht geen grond aanwezig tot inwilliging van het verzoek tot het (doen) instellen van een nader onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/135
SR-Updates.nl 2017-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02322 H

CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 december 2011, nummer 20/002946-10, ingediend door M. Wezepoel, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[de moeder] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944 en
[de zuster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, respectievelijk moeder en zuster van [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, overleden te Veldhoven op 12 januari 2016, inzake een tegen deze uitgesproken, hierna te vermelden, veroordeling.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1.

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 juli 2010 - de veroordeelde ter zake van "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

1.2.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 november 2013 het tegen 's Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.

2 De aanvraag tot herziening

2.1.

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2.

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

3. Beoordeling van de aanvraag voor zover gedaan door [de zuster]

3.1.

De stukken van het geding houden in dat de herzieningsaanvraag na het overlijden van de veroordeelde is gedaan door zowel [de zuster] , de zuster van de veroordeelde, als door [de moeder] , de moeder van de veroordeelde.

3.2.

Art. 458, eerste lid, Sv luidt, voor zover hier van belang:

"Na het overlijden van de gewezen verdachte kan de herzieningsaanvraag gedaan worden door:

(...)

c. elke bloedverwant in de rechte lijn of bij afwezigheid dan wel niet in staat of bereid zijn van deze;

d. de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de tweede graad."

3.3.

Nu de aanvraag tot herziening mede is gedaan door de moeder van de veroordeelde kan – gelet op art. 458, eerste lid, Sv – de aanvraag niet worden ontvangen voor zover deze is gedaan door de zuster van de veroordeelde.

4 Bewezenverklaring

4.1.

In de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, is ten laste van de veroordeelde bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 13 november 2007 tot en met 1 januari 2009 te Heeze, gemeente Heeze-Leende, met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , hebbende verdachte

- meermalen zijn, verdachtes, tong in de mond en de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht en

- meermalen aan de vagina van [slachtoffer] gelikt/gezogen en over de vagina van [slachtoffer] gewreven en

- meermalen [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis doen vasthouden en aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en

- meermalen met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van [slachtoffer] gelegen."

4.2.

Het Hof heeft deze bewezenverklaring onder meer doen steunen op de verklaringen van de, destijds minderjarige, getuige [slachtoffer] . Blijkens een in zijn uitspraak opgenomen nadere bewijsoverweging heeft het Hof de betrouwbaarheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen getoetst en daarbij in het bijzonder acht geslagen op een rapport van de klinisch psycholoog dr. R. Bullens.

5 Beoordeling van de aanvraag voor zover gedaan door [de moeder]

5.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

5.2.

In de aanvraag is het volgende aangevoerd.

"Het hof is evenwel tot een bewezenverklaring en voornoemde kwalificatie overgegaan. Het rapport van dr. R. Bullens was daarbij in de bewijsconstructie redengevend en doorslaggevend. Het cassatieberoep van de verdachte is vervolgens verworpen.

Nadien zijn echter gegevens bekend geworden die ten tijde van de berechting aan de rechter niet bekend of gebleken waren, en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet verenigbaar lijkt, in die zin dat het ernstige vermoeden ontstaat dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de gewezen verdachte. Absolute zekerheid van die onverenigbaarheid is echter niet vereist.

Doorslaggevende betekenis komt bij die waarschijnlijkheid van onverenigbaarheid toe, aan de voor [veroordeelde] ontlastende rapportage van 22 mei 2015 met bevindingen en conclusies van prof. dr. Ton Derksen. Dit rapport met nieuwe inzichten was bij het onderzoek op de terechtzitting nog niet opgesteld en derhalve niet bekend, terwijl rapportages van prof. Derksen - al dan niet hoofdzakelijk gebaseerd op hetzelfde bewijsmateriaal - eerder hebben geleid tot het inwilligen van herzieningsaanvragen dan wel nader onderzoek daartoe.

Het deskundigenoordeel van prof. Derksen wekt als een omstandigheid van feitelijke aard het ernstige vermoeden dat, waren de bevindingen en conclusies van deze deskundige - die het rapport van dr. R. Bullens en de verhalen van [slachtoffer] onderuit haalt - aan de rechter bekend geweest, (wederom) een vrijspraak zou zijn gevolgd.

De resultaten van het uitgevoerde onderzoek door prof. Derksen roepen ernstige twijfel op aan de juistheid van de veroordeling en werpen een ander licht op de zaak. Genoemd rapport kent onder meer als belangrijke bron c.q. novum een nieuw, en eerder ten onrechte buiten beschouwing gebleven, geïntroduceerd scenario, te weten: het zgn. misinterpretatie en elaboratiescenario. Binnen dit zeer waarschijnlijke scenario tegen de achtergrond van het aanwezige bewijsmateriaal, is [slachtoffer] niet misbruikt doch duidt zij allerlei handelingen van [veroordeelde] verkeerd als seksueel misbruik en heeft zij zich andere gevallen van seksueel misbruik ingebeeld dan wel laten aanpraten. Dit scenario is, onder meer op basis van likelihood verhoudingen, volgens prof. dr. Derksen veel waarschijnlijker dan het seksueel misbruik-scenario waarvan het Hof op basis van Bullens' rapportage ten onrechte is uitgegaan.

(...)

Daar komt nog bij, dat de door dr. Bullens gehanteerde methode van Statement Validity Asessment (SVA) met zijn Criteria-Based Content-Analyse (CBCA) onvoldoende betrouwbaar is om daar een conclusie op te baseren over de betrouwbaarheid van de verhoren van [slachtoffer] . Deze methode wordt door prof. Derksen gefundeerd onderuit gehaald, terwijl het Hof eerder op basis van deze niet zonder meer betrouwbare bevindingen en conclusies van dr. Bullens tot een veroordeling is gekomen. Aan de raadsheren was toen niet bekend dat dr. Bullens ter onderbouwing en voorlichting een kennelijk (onbetrouwbaar en niet wetenschappelijk erkend) intuïtief criterium heeft gebruikt, dat geheel niet voorkomt in CBCA en SVA en derhalve niet betrouwbaar te noemen is.

Aan de aanvankelijke als betrouwbaar beoordeelde verklaring van [slachtoffer] wordt daardoor thans door prof. Derksen in zijn rapportage aanzienlijk afbreuk gedaan, althans lijkt de geloofwaardigheid daarvan door het Hof niet geheel juist ingeschat.

(...)

Ondanks dat het nieuwe deskundigenoordeel van prof. dr. Derksen hoofdzakelijk is gebaseerd op de stukken uit het dossier waarover het Hof ook beschikt, werpt de rapportage een ander licht op de zaak en kan dit deskundigenoordeel derhalve worden aangemerkt als een omstandigheid van feitelijke aard, die het ernstige vermoeden wekt dat het Hof, als het daarmee bekend was geweest, [veroordeelde] (alsnog) van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

Ten slotte is er nog de aangifte van [veroordeelde] tegen [betrokkene] , welke aangifte, ondanks herhaaldelijke verzoeken, pas na zijn veroordeling door de politie is opgenomen, waarin melding wordt gemaakt van de chantage door [betrokkene] . Als zij geen €50.000 van [veroordeelde] zou krijgen, zou zij in strijd met de waarheid aan de politie vertellen dat hij haar dochter [slachtoffer] heeft misbruikt. Van deze aangifte heeft het Hof geen kennis kunnen nemen en derhalve niet in zijn oordeelsvorming kunnen betrekken.

Subsidiair wordt verzocht dat de Hoge Raad zal gelasten dat de zaak naar de rechter/raadsheer-commissaris zal worden verwezen ter fine van nader onderzoek en benoeming van een of meer deskundigen (o.a. verhoorspecialist) op het gebied van verhoormethoden/methodieken, omtrent het in de aanvragen aangevoerde met betrekking tot de (on)geloofwaardigheid van [slachtoffer] , de gebruikte ontoelaatbare verhoortechnieken en mogelijke alternatieve scenario's."

5.3.

Een nieuw of een gewijzigd deskundigeninzicht kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een "gegeven" in de zin van art. 457 Sv en kan daardoor grond zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. (Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736, NJ 2016/305).

5.4.

Het rapport van prof. T. Derksen komt in de kern erop neer dat hij het bewijs (de verklaring van [slachtoffer] ) anders weegt dan het Hof heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen is die enkele omstandigheid niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken.

5.5.

Voor zover de aanvraag zich erop beroept dat het uit het rapport van prof. Derksen blijkende onderzoeksresultaat, inhoudende dat in het onderzoek van dr. R. Bullens het zogenoemde misinterpretatie- en elaboratiescenario ten onrechte buiten beschouwing is gebleven, als een gegeven in de zin van art. 457 Sv moet worden aangemerkt, geldt het volgende. Zoals in genoemd arrest van 26 april 2016 (rov. 4.3.3) is overwogen, gaat het in herzieningszaken erom dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport de Hoge Raad in staat moet stellen te beoordelen of en zo ja in hoeverre sprake is van een deskundigeninzicht dat als nieuw of gewijzigd kan worden aangemerkt. Bij die beoordeling speelt ook een rol de vraag in hoeverre het deskundigenbericht zich richt op de enkele herbeoordeling van omstandigheden waarvan de uiteindelijke weging aan de strafrechter is overgelaten. Dit een en ander in aanmerking genomen kan de omstandigheid dat het misinterpretatie- en elaboratiescenario, naar de opvatting van prof. Derksen, buiten beschouwing is gebleven, niet worden opgevat als een nieuw of gewijzigd deskundigeninzicht.

Ook overigens bevatten de in het rapport van prof. Derksen verwoorde conclusies noch de daaraan voorafgaande beschouwingen feiten of omstandigheden die kunnen worden beschouwd als een gegeven in de zin van art. 457 Sv en dat het ernstige vermoeden wekt als in 5.1 bedoeld.

5.6.

Voor zover de aanvraag zich erop beroept dat de veroordeelde aangifte heeft gedaan tegen [betrokkene] , kan dit niet worden beschouwd als een gegeven in de zin van art. 457 Sv. De melding die in de aangifte wordt gedaan van chantage door [betrokkene] berust niet op objectieve en toetsbare informatie, nu de aanvrager zelf daarvan de enige bron is.

5.7.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5.8.

De Hoge Raad acht geen grond aanwezig tot inwilliging van het subsidiair gedane verzoek tot het (doen) instellen van een nader onderzoek.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk voor zover gedaan door [de zuster] ;

wijst de aanvraag tot herziening af voor zover gedaan door [de moeder] .

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.