Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3083

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
16/05970
Formele relaties
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBNHO:2016:8864, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:565, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9d UBLB. 150-kilometercriterium, 30%-regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2966 met annotatie van Frouke Verberk
V-N Vandaag 2017/2880
V-N 2017/61.19 met annotatie van Redactie
BNB 2018/50 met annotatie van J.P. BOER
Belastingadvies 2018/3.6
FED 2018/57 met annotatie van S. Bentohami
Viditax (FutD), 08-12-2017
FutD 2017-3077 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/3116 met annotatie van Dr. F.M. Werger
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 december 2017

nr. 16/05970

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2016, nr. HAA 13/706, betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffing over het tijdvak juli 2012. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 15 juni 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:565).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit. Per 1 juli 2007 is zij in dienst getreden bij [A] N.V. (hierna: de inhoudingsplichtige). In verband daarmee is belanghebbende in 2007 in [Z] gaan wonen. Gedurende de 24 aan juli 2007 voorafgaande maanden woonde zij in België, op een afstand van minder dan 150 kilometer van de grens van Nederland.

2.1.2.

Bij beschikking van 3 maart 2008 (hierna: de 30%-beschikking) heeft de Inspecteur vastgesteld dat op belanghebbende de zogenoemde 30%regeling van toepassing is als bedoeld in het toenmalige artikel 15a, lid 1, aanhef en onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en de bijbehorende bepalingen uit het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, tekst tot 2011 (hierna: UBLB). De 30%beschikking geldt voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2017.

2.1.3.

In verband met de invoering van de zogenoemde werkkostenregeling is het in 2.1.2 bedoelde wetsartikel met ingang van 1 januari 2011 vervallen. De inhoudingsplichtige heeft, op grond van het in artikel 39c van de Wet LB getroffen overgangsrecht, gekozen voor toepassing van het tot 1 januari 2011 geldende regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen.

2.1.4.

Bij de inhouding van loonheffing op het salaris van belanghebbende over de maand juli 2012 heeft de inhoudingsplichtige de 30%regeling niet toegepast.

2.2.1.

Bij de Rechtbank was in geschil of de 30%regeling toegepast had moeten worden.

2.2.2.

De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

2.3.1.

Het hiertegen gerichte eerste middel houdt in dat artikel 9d UBLB geen basis biedt om de looptijd van de 30%beschikking tussentijds te beperken uitsluitend omdat een werknemer niet voldoet aan het met ingang van 1 januari 2012 in artikel 8 UBLB opgenomen 150‑kilometercriterium.

2.3.2.

Ingevolge artikel III van het Koninklijk besluit van 22 december 2011, Stb. 2011, 677 (hierna: het Besluit) is artikel 8 UBLB aldus gewijzigd dat met ingang van 1 januari 2012 van een “ingekomen werknemer” alleen sprake is, en de 30%-regeling dus alleen kan worden toegepast, in gevallen waarin wordt voldaan aan het 150‑kilometercriterium.

Op grond van artikel IV, lid 1, letter a, van het Besluit bleef artikel 9d UBLB zoals dat vóór toepassing van artikel III van het Besluit luidde op 31 december 2010 van toepassing indien op 31 december 2011 niet meer dan vijf jaar van de looptijd van de verleende 30%beschikking was verstreken.

2.3.3.

Ten aanzien van belanghebbende was op 31 december 2011 nog geen vijf jaar van de looptijd van de 30%beschikking verstreken. Artikel 9d UBLB is dus op haar situatie van toepassing.

2.3.4.

In artikel 9d, lid 1, UBLB was tot 2011 bepaald dat de looptijd van de 30%beschikking kan worden verminderd indien de ingekomen werknemer niet langer de specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Het tweede lid van dit artikel bepaalde dat de inspecteur met ingang van het zesde jaar van de looptijd aan de inhoudingsplichtige kan verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer.

Volgens de toelichting op artikel IV van het Besluit blijft “(…) in het geval de werkgever nog heeft gekozen voor toepassing van het tot 1 januari 2011 geldende regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen (…) artikel 9d van het UBLB 1965 zoals dat vóór toepassing van artikel III luidde op 31 december 2010 van toepassing. Dat betekent voor die gevallen dat aan het begin van het zesde jaar van de looptijd van de bewijsregel voor het eerst getoetst zal worden aan de nieuwe criteria zoals (…) de 150 kilometergrens” (zie Stb. 2011, 677, blz. 53‑54). Hieruit is af te leiden dat het de bedoeling van de Besluitgever is geweest dat in deze gevallen de toepassing van de 30%regeling na ommekomst van vijf jaren van rechtswege eindigt indien niet is voldaan aan het 150‑kilometercriterium. De tekst van artikel 9d UBLB en artikel IV van het Besluit, hoewel op dit punt onduidelijk, verzet zich niet tegen deze uitleg.

2.3.5.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de inhoudingsplichtige toepassing van de 30%regeling terecht achterwege heeft gelaten.

2.3.6.

Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.3.7.

Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.