Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3071

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/00433
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1110, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Instellen h.b. door een bijzondere gemachtigde van verdachte d.m.v. een daartoe strekkend faxbericht aan de griffie en een (niet ondertekende) machtiging van verdachte. Art. 450.1.b Sv. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BM2496 m.b.t. de wijze waarop het aanwenden van een rechtsmiddel door een vertegenwoordiger van de verdachte dient te geschieden en de op de griffie rustende informatieplicht. Het oordeel van het Hof dat het h.b. niet op de juiste wijze tijdig is aangewend en verdachte om die reden n-o moet worden verklaard in zijn h.b., getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR merkt verder op dat: (i) in dit verband niet relevant is of ttz. in h.b. verdachte of een door hem ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze h.b. in te stellen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die, anders dan bijzonder gemachtigden, wel hoger beroep d.m.v. een schriftelijke volmacht kunnen instellen (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BV6999) en (ii) de informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.

CAG: de griffie was gehouden eigener beweging inlichtingen te verstrekken aan de bijzondere gemachtigde over de juiste aanwending van het rechtsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/8
NJ 2018/49 met annotatie van T. Kooijmans
NJB 2018/15
NBSTRAF 2018/61
SR-Updates.nl 2017-0480 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2017

Strafkamer

nr. S 16/00433

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2016, nummer 23/003325-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde deze opnieuw te berechten en af te doen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

2.2.

De Politierechter in de Rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij op tegenspraak gewezen vonnis van 28 juli 2015 ter zake van diefstal veroordeeld tot een geldboete van € 225,- subsidiair vier dagen hechtenis. Tegen dat vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte is gedateerd 14 augustus 2015.

2.3.1.

Aan voormelde akte zijn gehecht:
(i) een faxbericht van [betrokkene 1] van de "protestantse diaconie" van 10 augustus 2015, gericht aan de Rechtbank Amsterdam, inhoudende:

"Tot mij wendde zich [verdachte] zonder vaste woon- of verblijfplaats. Hierbij stel ik mij als gemachtigde. Ik stel namens cliënt hoger beroep in tegen het vonnis van 28 juli 2015 en verzoek u om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Ik dank u bij voorbaat. U kunt mij bereiken via de mail [betrokkene 1] @ [...] .org of op maandag, woensdag en vrijdag per telefoon 06 [0001] , b.g.g. [0002] .

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 1]

Straatjurist

Bijlagen: machtiging"

(ii) een niet ondertekende machtiging van 1 juli 2015, inhoudende:

"Hierbij machtigt (...) [verdachte] (...) Geboortedatum [geboortedatum] 1950 (...) [betrokkene 1] verbonden aan het Juridisch Steunpunt voor dak- en thuislozen van de protestantse diaconie [...] , [a-straat 1] te [plaats] , om voor hem/haar inzage in (medische) stukken te krijgen en kopieën van documenten in ontvangst te nemen en hem/haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen in verband met aan (dreigende) dakloosheid gerelateerde problemen. (...)".

(iii) een ondertekende machtiging van 13 augustus 2015, inhoudende:

"Hierbij machtigt (...) [verdachte] (...) Geboortedatum [...] - [...] -1950 (...) [betrokkene 1] verbonden aan Bureau straatjurist, [a-straat 1] te [plaats] , om voor ondergetekende inzage in relevante (medische) documenten te krijgen en kopieën van relevante (medische) documenten in ontvangst te nemen en om hem/haar te vertegenwoordigen in verband met aan (dreigende) dakloosheid gerelateerde problemen. (...)".

2.3.2.

Op het voorblad van het hiervoor onder 2.3.1 sub (i) vermelde faxbericht van 10 augustus 2015 – dat blijkens de daarop geplaatste stempel op 10 augustus 2015 ter griffie van de Rechtbank Amsterdam is ontvangen – staan de volgende handgeschreven aantekeningen, kennelijk afkomstig van een medewerker van de griffie:

"Machtiging niet getekend!"

"Gebeld ivm de niet getekende machtiging d.d. 10-08-15"

"Gebeld d.d. 12-08-15 ivm de niet-getekende machtiging"

"12/8 [betrokkene 1] heeft gebeld. Ze probeert handtekening te krijgen van verdachte, maar hij is dakloos. Als ze handtekening heeft, stuurt/faxt ze gelijk door."

2.3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof houdt in dat aldaar zijn verschenen de verdachte en zijn raadsvrouwe mr. A.C.G. Meijer, advocaat te Amsterdam. Voorts houdt het proces-verbaal onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat hij eerst de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep aan de orde wil stellen.

De raadsvrouw reageert daarop als volgt:

Dat begrijp ik. Ik wil u vragen mijn cliënt toch ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Hij heeft een hulpverleenster ingeschakeld om voor hem hoger beroep in te stellen. Zij had op dat moment hiervoor alleen nog geen handtekening van mijn cliënt. Dit was nieuw voor haar. Ik heb ook tegen haar gezegd dat ze dat in het vervolg aan een advocaat moet overlaten. Als we naar de Hoge Raad kijken, moeten we ruim opvatten dat de verdachte tijdig hoger beroep wilde instellen.

De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. Hij deelt het volgende mede:

Ik heb een ander standpunt. De wet is behoorlijk rigide wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Ik kan dat wel volgen. Er kunnen altijd omstandigheden zijn waardoor je dat moet oprekken. Echter, dan kan er in sluipen dat er niets meer met de termijn wordt gedaan. De verdachte heeft hoger beroep willen instellen door middel van een schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 1 sub b Sv. Het hoger beroep is tardief. Op 13 augustus 2015 wordt er pas hoger beroep ingesteld. Ik heb wel begrip voor mensen als de straatjurist die zich hiervoor inzetten, maar ik verzoek de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.

De raadsvrouw reageert als volgt:

Ik zie het als herstel van het tijdig voornemen om hoger beroep in te stellen.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter het volgende mede. Ik ben het eens met de advocaat-generaal dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Uit het dossier blijkt weliswaar dat de verdachte het hoger beroep op tijd had willen instellen, maar de termijnen hiervoor zijn van openbare orde.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."

2.3.4.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De verdachte is bij vonnis op 28 juli 2015 op tegenspraak veroordeeld.

De verdachte heeft door middel van een schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, sub b, van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep doen instellen. De machtiging voor deze volmacht is op 13 augustus 2015 door de verdachte ondertekend, waardoor de verdachte niet binnen veertien dagen hoger beroep heeft ingesteld, maar eerst op 14 augustus 2015.

Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.4.1.

Art. 450 Sv luidde ten tijde van het instellen van het hoger beroep:

"1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

2. Indien de overeenkomstig het eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt, brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.

3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.

4. De uitreiking van de oproeping aan de gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte. Een afschrift van de dagvaarding wordt als gewone brief over de post aan het door of namens de verdachte daartoe opgegeven adres toegezonden.

5. Indien de in het eerste lid bedoelde gemachtigde weigert de oproeping in ontvangst te nemen, wordt deze niettemin geacht op het tijdstip van aanbieding te zijn uitgereikt. Van de weigering wordt aantekening gemaakt in de akte van uitreiking."

2.4.2.

Ingevolge art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv kan het aanwenden van een rechtsmiddel (ook) geschieden door een vertegenwoordiger van de verdachte die daartoe persoonlijk door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Die aldus gemachtigde vertegenwoordiger van de verdachte dient zelf ter griffie te verschijnen en aldaar die volmacht over te leggen. Is deze niet in het bezit van een volmacht dan zal het opmaken van een akte achterwege dienen te blijven. Overigens ligt het in een dergelijk geval waarin de gemachtigde vertegenwoordiger ter griffie verschijnt, op de weg van de griffieambtenaar hem te wijzen op het vereiste van een bijzondere volmacht en de daaraan te stellen eisen, waarbij dan alsnog de gelegenheid dient te worden geboden om een dergelijke volmacht tijdig ter griffie over te leggen. De wet biedt niet de mogelijkheid dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461).

2.4.3.

Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3.1 is weergegeven, getuigt het oordeel van het Hof dat het hoger beroep niet op de juiste wijze tijdig is aangewend en dat de verdachte om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, in dit verband niet relevant is of ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat de verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze hoger beroep in te stellen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die, anders dan bijzonder gemachtigden, wel hoger beroep door middel van een schriftelijke volmacht kunnen instellen (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426). Opmerking verdient bovendien dat de hiervoor onder 2.4.2 bedoelde informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.