Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3062

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16/01253
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1305, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuursrechtelijke sanctie van huisverbod in combinatie met strafrechtelijke vervolging t.z.v. mishandeling, beroep op niet-ontvankelijkheid OM. Huisverbod a.b.i. art. 2 Wet tijdelijk huisverbod punitieve sanctie? Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het huisverbod opgelegd door de burgemeester ertoe strekt de veiligheid van personen met wie een huishouden wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren, waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen en dus om in een noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het voorziet primair in de mogelijkheid om vroegtijdig op te treden uit een oogpunt van bescherming en preventie waardoor huiselijk geweld kan worden voorkomen en kan worden voorzien in een afkoelingsperiode. Gelet hierop is een besluit tot oplegging en verlenging van een huisverbod niet punitief van aard en geen 'criminal charge' a.b.i. art. 6 EVRM (zie ook ECLI:NL:RVS:2013:BZ2495 en ECLI:NL:RVS:2017:1922). Aan verdachte is een huisverbod opgelegd ex art. 2 Wet tijdelijk huisverbod n.a.v. bewezenverklaarde mishandeling. ’s Hofs oordeel dat het OM het recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit een huisverbod is opgelegd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Een vergelijking met de uitzonderlijke situatie a.b.i. ECLI:NL:HR:2015:434 (alcoholslotprogramma) gaat niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/9
NJB 2018/17
NJ 2018/231 met annotatie van Redactie, J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2018/62
SR-Updates.nl 2017-0479
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2017

Strafkamer

nr. S 16/01253

MAA/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 7 december 2015, nummer 21/003019-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.A. Speijdel, advocaat te Enschede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 17 maart 2015 te Enschede [betrokkene 1] heeft mishandeld door [betrokkene 1] met kracht bij de keel vast te pakken en in het gezicht te slaan."

2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"De verdediging is primair van mening dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Een huisverbod heeft een karakter van bestraffing. Het wordt opgelegd als een ordemaatregel, maar heeft ook een bestraffend karakter, net als bij het alcoholslotprogramma (zie ECLI:NL:HR:2015:434). Bij het alcoholslotprogramma wordt een veilige situatie in het verkeer geschept, dat is hetzelfde bij een huisverbod waar een veilige situatie in huis wordt geschept. Een huisverbod krijgt degene die naar het oordeel van de politie daartoe het meeste aanleiding heeft gegeven. Dus de vrouw wordt natuurlijk niet uit huis geplaatst, maar de man, die daarmee gestraft wordt. Dat geeft rust, maar het is ook een vorm van bestraffing. Dit wordt ook zwaar gesanctioneerd. Als je bijvoorbeeld een oplader thuis wilt ophalen. Maar om die overtreding gaat het hier niet. Het gaat om de kwestie dat het huisverbod opgelegd is. Het huisverbod als zodanig en de verlenging van het huisverbod hebben de kenmerken van een bestraffing in zich.

Als de hulp officier van justitie vraagt wat een verdachte vindt van een huisverbod, dan zal de verdachte snel zeggen dat hij het er mee eens is, want anders duurt de inverzekeringstelling een stuk langer. Die toestemming zegt niets.

Het heeft dus heel nadrukkelijk een karakter van bestraffing. Het Openbaar Ministerie dient dan ook niet ontvankelijk verklaard te worden omdat er door het huisverbod al een bestraffing plaats heeft gevonden.

(...)"

2.4.

Het Hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd. Het vonnis van de politierechter houdt - voor zover in cassatie van belang - het volgende in:

"2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De politierechter is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging. Zij overweegt daartoe het volgende. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 ECLI:NL:HR:2015:434, komt naar voren dat het met betrekking tot het alcoholslotprogramma gaat om een uitzonderlijke - van andere gevallen waarin een bestuursrechtelijk en een strafrechtelijk traject samenlopen, afwijkende - situatie, nu enerzijds de procedure die leidt tot oplegging van het alcoholslotprogramma en anderzijds de strafrechtelijke vervolging hun oorsprong vinden in hetzelfde feit. De aan de betrokkene verweten gedraging is immers identiek, te weten het rijden onder invloed, terwijl de beschermde rechtsgoederen in hoge mate vergelijkbaar zijn, te weten de bevordering van de verkeersveiligheid.

In onderhavig geval zijn het bestuursrechtelijke en het strafrechtelijke traject niet dermate vergelijkbaar dat gesproken zou moeten worden van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit als bedoelt in art. 68 Sr. Het opleggen van een huisverbod strekt er namelijk toe in de gegeven noodsituatie (verdere) escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het kan ook worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maat er juist situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte aan het creëren van een afkoelingsperiode is. Het opleggen van een dergelijke maatregel brengt dan ook geen bestraffend karakter met zich mee, zodat geen sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel. De politierechter verwerpt dan ook het verweer van de raadsman."

2.5.1.

Het gaat in dit geding om de bestuursrechtelijke maatregel van het huisverbod als bedoeld in art. 2 van de Wet tijdelijk huisverbod.

2.5.2.

Deze wet bevat onder meer de navolgende bepalingen:

Art.1:

"In deze wet wordt verstaan onder:

(...)

b. huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven;

c. uithuisgeplaatste: degene aan wie een huisverbod is opgelegd."

Art. 2:

"1. De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

2. Een huisverbod kan slechts worden opgelegd aan een meerderjarig persoon.

3. Indien de burgemeester voornemens is het huisverbod op te leggen wegens kindermishandeling of een ernstig vermoeden daarvan, neemt hij contact op met het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 teneinde te overleggen over het voornemen om een huisverbod op te leggen.

4. Het huisverbod bevat in ieder geval:

a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;

b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en

c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.

(...)"

2.5.3.

In de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6 en 3.7 is de achtergrond en de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet samengevat. Kort gezegd strekt het huisverbod opgelegd door de burgemeester ertoe de veiligheid van personen met wie een huishouden wordt gedeeld te waarborgen en een periode te creëren, waarin maatregelen kunnen worden genomen om de dreiging van huiselijk geweld te doen wegnemen en dus om in een noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het voorziet primair in de mogelijkheid om vroegtijdig op te treden uit een oogpunt van bescherming en preventie waardoor huiselijk geweld kan worden voorkomen en kan worden voorzien in een afkoelingsperiode.

Gelet hierop is een besluit tot oplegging en verlenging van een huisverbod niet punitief van aard en geen 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dezelfde zin: ABRvS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2495 en ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1922.

2.6.

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat aan de verdachte op 17 maart 2015 een huisverbod is opgelegd op de voet van art. 2 Wet tijdelijk huisverbod naar aanleiding van de bewezenverklaarde, op diezelfde datum gepleegde, mishandeling. Het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat het Openbaar Ministerie het recht tot strafvervolging van de verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat in verband met hetzelfde feit, de voormelde mishandeling, een huisverbod is opgelegd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt gaat een vergelijking met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434 (Alcoholslotprogramma) niet op.

2.7.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.