Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:305

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
16/00581
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1236, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Koop motorblok voor races met tijdelijke bruikleen vervangend motorblok. Schuldeisersverzuim? Motivering oordeel dat verklaring ter comparitie onvoldoende is weersproken. Grenzen rechtsstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/568
JWB 2017/89
AR 2017/1023
RvdW 2017/308
TvPP 2017, afl. 3, p. 112

Uitspraak

24 februari 2017

Eerste Kamer

16/00581

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[verweerder] ,
handelend onder de naam [A] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. E.H. Hoeksma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 94381/HA ZA 12-222 van de rechtbank Assen van 19 december 2012 en het vonnis in de zaak C/19/94381/HA ZA 12-222 van de rechtbank Noord-Nederland van 25 september 2013;

b. de arresten in de zaak 200.139.693/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2015 en 29 september 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 29 september 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot referte.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt in zowel het principale als het incidentele cassatieberoep tot vernietiging.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 december 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verweerder] bouwt competitieauto’s voor de motorsport en heeft zich gespecialiseerd in het afstellen van motoren voor race- en rallyauto’s.

  • -

    ii) [eiser] is een particulier die wedstrijden met raceauto’s rijdt.

  • -

    iii) Partijen zijn omstreeks november 2009 overeengekomen dat [verweerder] aan [eiser] een 2.5 liter motorblok zal leveren vóór de start van het Europees Autocross Kampioenschap in februari 2011 (hierna: EAK 2011), tegen betaling van een koopprijs van € 25.000,--. [eiser] heeft een aanbetaling gedaan van € 10.000,--.

  • -

    iv) Op enig moment in 2010 heeft [eiser] het frame van de auto, waarin de motor moet worden geplaatst, bij [verweerder] gebracht.

  • -

    v) Tijdens het aftesten eind 2010 is het motorblok tweemaal stukgelopen, met als gevolg dat het motorblok niet voor de start van het EAK 2011 aan [eiser] is geleverd.

  • -

    vi) Met instemming van [eiser] heeft [verweerder] vervolgens aan [eiser] een 2.3 liter motorblok in bruikleen meegegeven, in afwachting van door [verweerder] bestelde onderdelen voor het gereed maken van het 2.5 liter motorblok.

  • -

    vii) Na betaling door [eiser] van een bedrag van € 10.500,-- heeft [verweerder] aan [eiser] een factuur verzonden waarin een koopprijs van € 25.000,-- exclusief btw is opgenomen en waarin die koopprijs inclusief btw wordt gefactureerd, verminderd met de reeds gedane betalingen. Ook is aan de factuur een lijst met onderdelen gehecht, voor een bedrag van € 3.455,-- inclusief btw (ten behoeve van het 2.3 liter motorblok).

  • -

    viii) Tussen partijen is een geschil ontstaan over de inhoud van hun overeenkomst en de omvang van de overeengekomen koopprijs, over het al dan niet inbegrepen zijn van de hiervoor in (vii) bedoelde onderdelen in de koopprijs en over de afspraken die zijn gemaakt over de teruggave van het 2.3 liter motorblok en de aflevering van het 2.5 liter motorblok.

  • -

    ix) In oktober of november 2011 heeft [verweerder] aan [eiser] verzocht het 2.3 liter motorblok terug te brengen, hetgeen [eiser] heeft geweigerd.

  • -

    x) Bij brief van 15 februari 2012 heeft [verweerder] aan [eiser] meegedeeld dat is afgesproken dat [eiser] het 2.3 liter motorblok in de loop van het seizoen zou teruggeven, waarna [verweerder] , met behulp van een aantal onderdelen uit dit motorblok, het 2.5 liter motorblok gereed zou maken. [verweerder] heeft nakoming van de overeenkomst geëist.

  • -

    xi) [eiser] heeft bij brief van 28 februari 2012 geantwoord dat hij het 2.3 liter motorblok zou teruggeven zodra het 2.5 liter motorblok gereed was. [eiser] heeft [verweerder] een termijn van veertien dagen gesteld om het door hem bestelde motorblok te leveren.

  • -

    xii) Op 8 mei 2012 heeft [eiser] aan [verweerder] meegedeeld de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden op de grond dat [verweerder] is tekortgeschoten in zijn verplichting tot levering van het 2.5 liter motorblok. [eiser] heeft daarbij aanspraak gemaakt op terugbetaling van het voldane bedrag van € 20.500,-- en heeft toegezegd na betaling het 2.3 liter motorblok aan [verweerder] te zullen teruggeven.

  • -

    xiii) Bij brief van 18 mei 2012 heeft [verweerder] betwist dat hij is tekortgeschoten. Hij heeft geschreven dat de nakoming van de overeenkomst wordt verhinderd door [eiser] , nu deze weigert het 2.3 liter motorblok terug te geven.

3.2

In dit geding heeft [verweerder] in conventie gevorderd – verkort weergegeven en na wijziging van eis – veroordeling van [eiser] tot afgifte van het 2.3 liter motorblok, betaling van € 12.705,-- en vergoeding van door [verweerder] geleden schade als gevolg van het niet-nakomen door [eiser] van de bruikleenovereenkomst. [eiser] heeft in reconventie gevorderd, kort weergegeven, ontbinding van de koopovereenkomst en veroordeling van [verweerder] tot terugbetaling van € 20.500,--.

De rechtbank heeft, samengevat, voor recht verklaard dat de koopovereenkomst met betrekking tot het 2.5 liter motorblok is ontbonden, [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] € 20.500,-- te betalen, [eiser] veroordeeld om op straffe van een dwangsom binnen 48 uur het 2.3 liter motorblok aan [verweerder] terug te geven en het in conventie en in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3

Het hof heeft bij eindarrest geoordeeld dat [eiser] door de weigering om het 2.3 liter motorblok aan [verweerder] af te geven, in schuldeisersverzuim is komen te verkeren. Dit brengt mee dat [verweerder] niet in verzuim is geraakt met betrekking tot de levering van het 2.5 liter motorblok, zodat [eiser] niet bevoegd was de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. (rov. 2.3)

Voorts heeft het hof geoordeeld dat [eiser] de (slijtage)schade aan het 2.3 liter motorblok aan [verweerder] dient te vergoeden. Het heeft de hoogte van de schadevergoeding door schatting bepaald. (rov. 2.5)

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank wat betreft de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot het 2.5 liter motorblok, de veroordeling van [verweerder] tot terugbetaling van de koopsom van € 20.500,-- en de veroordeling van [eiser] tot teruggave van het 2.3 liter motorblok, in stand gelaten. In afwijking van de rechtbank heeft het hof [eiser] voorts veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 3.445,-- in hoofdsom voor door [verweerder] geleverde onderdelen en betaling van € 12.500,-- aan schadevergoeding wegens slijtage aan het 2.3 liter motorblok.

De overwegingen die het hof aan deze oordelen ten grondslag heeft gelegd, zullen voor zover nodig hierna worden vermeld.

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.4.1

Onderdeel I.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.2, eerste volzin, “dat [eiser] ter zitting van 22 april 2015 de gedetailleerde verklaring van [verweerder] niet heeft weersproken en dat het hof om die reden uitgaat van de juistheid daarvan” (welk oordeel heeft geleid tot het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel in rov. 2.3). Het onderdeel klaagt onder meer dat [eiser] de stellingen van [verweerder] ter zitting wél heeft weersproken, dat de verklaringen van [verweerder] ter zitting identiek zijn aan de stellingen die hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan zijn beroep op schuldeisersverzuim ten grondslag heeft gelegd, waartegen [eiser] in beide instanties uitvoerig verweer heeft gevoerd, en dat [eiser] dit verweer ter comparitie heeft gehandhaafd.

4.4.2

Het onderdeel wijst op een groot aantal vindplaatsen in de stukken. Uit die stukken blijkt dat, zoals het onderdeel aanvoert, de kwestie waarover [verweerder] ter comparitie heeft verklaard – die de kern van het geschil betreft – uitvoerig aan de orde is geweest in de stukkenwisseling voor de rechtbank en het hof. Uit die stukken blijkt voorts dat de verklaring van [verweerder] ter comparitie in essentie overeenstemt met het standpunt dat hij gedurende de gehele procedure heeft ingenomen, en dat [eiser] dat standpunt in de stukken steeds gemotiveerd heeft weersproken.

4.4.3

Wat betreft het standpunt van [eiser] ter comparitie vermeldt het proces-verbaal onder meer:

(als verklaring van [eiser] zelf, kennelijk afgelegd vóór de verklaring van [verweerder] ):

“Ik heb destijds het 2.3 liter motorblok niet afgegeven omdat ik via een telefoontje met [verweerder] van hem de indruk kreeg dat ik na teruggave van het 2.3 motorblok het 2.5 motorblok niet zou krijgen. [verweerder] heeft toen gezegd dat ik moest betalen en dat hij anders de motor weg zou halen. Ik wou de onderdelen naar [ [verweerder] ] brengen.”

en (als antwoorden van zijn advocaat, mr. Van Dalen, op vragen van de raadsheer-commissaris, kennelijk gegeven na de verklaring van [verweerder] ):

“Op de vraag van de raadsheer-commissaris of partijen nog het nodige kunnen mededelen omtrent de inhoud van het overeenkomst, de omvang van de overeengekomen koopsom en of voornoemde onderdelen al dan niet bij de koopsom zijn inbegrepen, deelt mr. Van Dalen mee dat het een welles/nietes discussie is hetgeen mr. Scheper beaamt. Mr. Van Dalen deelt mee dat er niets op papier staat. Mr. Scheper beaamt dit. Mr. Van Dalen deelt mee dat de standpunten van partijen verschillen.”

4.4.4

Noch uit het oordeel van het hof, noch uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt dat het hof naar aanleiding van de gedetailleerde verklaring van [verweerder] specifieke vragen aan [eiser] heeft gesteld, dat de verklaring van [verweerder] nieuwe of toegespitste punten aan de orde stelde die van dien aard waren dat daarop een (nadere) reactie van [eiser] kon worden gevergd dan wel dat sprake is geweest van enige andere omstandigheid die meebracht dat van [eiser] kon worden gevergd dat hij meer of anders verklaarde dan hij heeft gedaan. Ook blijkt niet uit het proces-verbaal of uit het oordeel van het hof dat [eiser] enig verweer heeft prijsgegeven. In dit licht heeft het hof hetzij ten onrechte zijn oordeel enkel gegrond op de wederzijdse verklaringen ter comparitie zonder daarbij rekening te houden met de schriftelijke stukkenwisseling (zie hiervoor in 4.4.2), hetzij ten onrechte nagelaten te motiveren waarom de gang van zaken ter comparitie de doorslag heeft gegeven ten gunste van het standpunt van [verweerder] . Het onderdeel slaagt dus.

4.4.5

De onderdelen I.4 en I.6 hangen ten dele samen met onderdeel I.3 en behoeven in zoverre geen afzonderlijke behandeling.

4.5.1

Onderdeel II is gericht tegen rov. 2.5, waarin het hof onder meer als volgt heeft overwogen:

“(…)

Volgens [verweerder] heeft [eiser] niet als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van het 2.3 liter motorblok gezorgd (artikel 7A:1781 lid 1 BW), reden waarom hij volgens [verweerder] aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Voorts heeft [verweerder] gesteld dat [eiser] het 2.3 liter motorblok volledig geruïneerd bij hem heeft ingeleverd en derhalve ook uit onrechtmatige daad jegens hem aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ruïneren van dit motorblok. [eiser] heeft een en ander weersproken. Blijkens voormeld proces-verbaal heeft [verweerder] omtrent deze (slijtage)schade het volgende verklaard:

“Als de auto netjes behandeld wordt, niet over de toeren gaat en de kleppen de zuiger raken – wat wel is gebeurd – dan kan de motor langer mee. Aangezien de kleppen de zuiger hebben geraakt kunnen de kleppen breken en de zuiger is beschadigd. Verder heeft de motor zand gehad, zijn de filters niet onderhouden en is het oliefilter nooit ververst. Er is dus schade.”

Ook deze verklaring is niet door [eiser] ter zitting van 22 april 2015 weersproken. Daarmee staat vast dat het 2.3 liter motorblok is beschadigd. [verweerder] heeft de nieuwwaarde van dit motorblok ad € 29.750,- gevorderd. [eiser] heeft dit bedrag van € 29.750,- weersproken.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] , alvorens [verweerder] het 2.3 liter motorblok terug vroeg, daarmee met instemming van [verweerder] verschillende keren heeft “gecrossed”, zodat het niet om de nieuwwaarde van dit motorblok gaat. De omvang van deze schade staat thans nog niet vast. Het hof begroot deze ex aequo et bono op € 12.500,-, welk bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, [eiser] als schadevergoeding aan [verweerder] dient te vergoeden.”

4.5.2

Het hof heeft in rov. 2.5 kennelijk geoordeeld – overeenkomstig het standpunt van [verweerder] – dat [eiser] niet als een goed huisvader voor het motorblok heeft gezorgd (art. 7A:1781 BW). Het onderdeel bevat diverse klachten tegen de motivering van dit oordeel.

Onderdeel II.4 treft doel. Het betoogt, onder verwijzing naar diverse vindplaatsen in de memorie van antwoord, dat [eiser] voor het hof uitdrukkelijk heeft betwist dat hij in de nakoming van zijn zorgverplichting is tekortgeschoten en dat hij eveneens heeft betwist dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar het aan beide partijen bekende gebruik dat van het motorblok zou worden gemaakt. De door het hof geciteerde passage uit de verklaring van [verweerder] ter comparitie heeft geen wezenlijk andere inhoud dan de stellingen van [verweerder] die door [eiser] in zijn memorie van antwoord waren betwist. In zoverre geldt ook hier dat het hof hetzij ten onrechte zijn oordeel enkel heeft gegrond op de wederzijdse verklaringen ter comparitie zonder rekening te houden met het reeds in de stukken ingenomen standpunt van [eiser] , hetzij ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom de gang van zaken ter comparitie de doorslag heeft gegeven ten gunste van het standpunt van [verweerder] .

4.5.3

De onderdelen II.1-3, II.5 en II.7-8 behoeven geen (afzonderlijke) behandeling.

4.6.1

Onderdeel III bevat diverse klachten tegen rov. 2.7. Het hof overweegt daarin als volgt:

“2.7 De strekking van grief 5 is toewijzing van de vordering van € 3.455,- voor de extra in het 2.3 liter motorblok gemonteerde onderdelen. Volgens [verweerder] waren deze onderdelen onderdeel van de koopovereenkomst, zij het dat daarvoor wel extra zou moeten worden betaald, en waren ze geen onderdeel van de bruikleenovereenkomst. Deze onderdelen heeft [verweerder] (…) gespecificeerd met daarbij de afzonderlijke kosten van deze onderdelen. Deze onderdelen zijn thans volgens [verweerder] waardeloos. [eiser] heeft een en ander onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voorts heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat met deze onderdelen een bedrag van € 3.455,- is gemoeid. Aldus is [eiser] dit bedrag aan [verweerder] verschuldigd, waarbij in het midden kan blijven of dit op grond van de (nadere) koopovereenkomst is dan wel bij wege van schadevergoeding naast de ontbinding van de oorspronkelijke koopovereenkomst van het 2.5 liter motorblok. De grief slaagt.”

4.6.2

Onderdeel III.1 klaagt over het oordeel van het hof dat [eiser] ‘een en ander onvoldoende gemotiveerd [heeft] weersproken’. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken voert het onderdeel aan dat [eiser] zowel de (primaire) stelling van [verweerder] – die inhield dat de onderdelen niet vielen onder de oorspronkelijke koopovereenkomst – als de (subsidiaire) stelling van [verweerder] dat de onderdelen thans waardeloos zijn, gemotiveerd heeft betwist.

4.6.3

Anders dan het hof in de tweede volzin van rov. 2.7 overweegt, hielden de stellingen van [verweerder] in dat de desbetreffende onderdelen géén deel uitmaakten van de oorspronkelijke koopovereenkomst. Uit het vervolg van rov. 2.7 volgt echter dat deze kennelijke vergissing niet van invloed is geweest op het oordeel van het hof, nu het in het midden heeft gelaten of de verplichting tot vergoeding van schade is terug te voeren op de oorspronkelijke koopovereenkomst of op een afzonderlijke overeenkomst. In zoverre treft het onderdeel dus geen doel.

De klachten wijzen evenwel terecht erop dat [eiser] verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [verweerder] .
Het hof heeft dat verweer niet vermeld, is daarop (dan ook) niet ingegaan, en heeft volstaan met het oordeel dat [eiser] het standpunt van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Aldus blijkt niet of het hof het verweer van [eiser] in zijn beoordeling heeft betrokken. Ook dit onderdeel slaagt derhalve.

4.6.4

Onderdeel III behoeft voor het overige geen behandeling.

4.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Het middel is gericht tegen rov. 2.6, voor zover het hof daarin overweegt (a) dat [verweerder] niet (meer) bereid is het 2.5 liter motorblok aan [eiser] te leveren, terwijl hij anderzijds wel betaling van de hoofdsom voor dit motorblok van [eiser] vordert, (b) dat [verweerder] vanwege de tekortkoming van [eiser] in de nakoming van de koopovereenkomst in wezen (ook) ontbinding van de koopovereenkomst vordert, en (c) dat [verweerder] in feite wenst dat hij van zijn leveringsverplichting wordt ontslagen. Het middel klaagt primair dat het hof met deze overwegingen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, aangezien uit de stukken blijkt dat [verweerder] nog steeds bereid is het 2.5 liter motorblok aan [eiser] te leveren, dat [verweerder] nakoming van de koopovereenkomst nastreeft en dat hij niet van zijn leveringsverplichting wenst te worden ontslagen. Subsidiair klaagt het middel dat de vermelde overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingen van [verweerder] in feitelijke instanties.

5.2

De primaire klacht van het middel slaagt. Die klacht betoogt terecht dat de hiervoor in 5.1 weergegeven overwegingen in rov. 2.6 onverenigbaar zijn met de stellingen van [verweerder] . Het hof is derhalve met die overwegingen en de daarop gegronde beslissingen buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

5.3

Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

in het principale beroep voorts:

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 497,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep voorts:

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 februari 2017.