Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3038

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
17/01245
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1133, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:637, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9.2, lid 1, aanhef en letter a Wet IB 2001, art. 27, lid 1, Wet LB 1964. Verrekening loonbelasting met inkomstenbelasting, loonbelasting ingehouden? Goede/kwade trouw niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2965 met annotatie van Marcel Kawka
V-N Vandaag 2017/2823
V-N 2017/60.8 met annotatie van Redactie
FED 2018/56 met annotatie van M. Robben
BNB 2018/67 met annotatie van A.L. Mertens
Viditax (FutD), 01-12-2017
FutD 2017-3006 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/2987 met annotatie van drs. R.P. Bitter
NTFRB 2018/5 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 december 2017

nr. 17/01245

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2017, nrs. 16/00360 en 16/00361, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 15/2240 en LEE 15/2241) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 september 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1133).

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was van 25 augustus 2009 tot 8 september 2010 enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: de BV).

2.1.2.

Tot 30 april 2012 was belanghebbende directeur van de BV en vanaf 1 mei 2012 was hij als medewerker voor de BV werkzaam. Hij heeft tot 1 juni 2012 salaris van de BV ontvangen.
2.1.3. Toen de BV in 2010 in liquiditeitsproblemen raakte, heeft zij nog wel bedragen ten titel van loonheffing van het brutoloon van werknemers afgezonderd, maar besloten die bedragen voorlopig niet af te dragen.
2.1.4. De BV heeft tot en met oktober 2012 maandelijks aangifte loonheffing gedaan, maar heeft daarbij de in 2.1.3 bedoelde afgezonderde bedragen niet afgedragen.

2.1.5.

Op 4 december 2012 is de BV in staat van faillissement verklaard.

2.1.6.

Met de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 en 2012 is geen loonheffing als voorheffing verrekend.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of de zojuist bedoelde verrekening terecht achterwege is gebleven met betrekking tot de in de jaren 2011 en 2012 afgezonderde, maar niet afgedragen loonheffing.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat partijen terecht de conclusie hebben getrokken dat de loonheffing door de BV is ingehouden, omdat de BV de bedoeling had om tot afdracht over te gaan van de daartoe afgezonderde bedragen zodra haar liquiditeitspositie dat zou toelaten. Aangezien loonheffing is ingehouden, wordt deze volgens het Hof verrekend met de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV en wordt aan de vraag of belanghebbende te kwader trouw was, niet toegekomen.

2.3.1.

Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het beroepschrift in cassatie met één middel.

2.3.2.

Het middel faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 6.10 tot en met 6.13 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1485 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.