Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3034

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
17/01021
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie gegrond, zie 17/01020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2826
V-N 2017/60.19.3
Viditax (FutD), 01-12-2017
FutD 2017-3013
NTFR 2017/2995 met annotatie van mr. E. Alink RB
NLF 2017/2887 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 december 2017

nr. 17/01021

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2017, nrs. 15/00322 tot en met 15/00332, 15/00342 en 15/00343, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 12/7242 tot en met 12/7252, 12/7262 en 12/7263) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1997 tot en met 2007 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, over de jaren 1999 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was gehuwd met [X-Y] (hierna: de ex-echtgenote). Het huwelijk van belanghebbende en de ex-echtgenote is op 25 april 2005 door echtscheiding ontbonden.

2.1.2.

Naar aanleiding van een microfiche afkomstig van de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) zijn belanghebbende en de ex-echtgenote als gezamenlijke rekeninghouders van een rekening bij die bank geïdentificeerd. Volgens het microfiche bedroeg het saldo van deze rekening op 31 januari 1994 fl. 133.861, ofwel € 60.743. Belanghebbende noch de ex-echtgenote heeft in de aangiften voor de onderhavige jaren inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij KB‑Lux.

2.1.3.

Ter zake van het saldo op de bij KB‑Lux aangehouden bankrekening is bij zowel belanghebbende als de ex-echtgenote door het Hof onder meer voor de jaren 2001 en 2003 een correctie op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen van jaarlijks vier percent van het volledige bedrag van € 60.743, dat is € 2430.

3 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie

Gelet op hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 17/01020 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, dat betrekking heeft op de ex-echtgenote, en waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen om te onderzoeken of voor de jaren 2001 en 2003 door belanghebbende en de ex‑echtgenote gezamenlijk is gekozen voor een andere toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag dan de in artikel 2.17 Wet IB 2001 voorziene verdeling bij helfte.

5 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 17/01020 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze betreft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 en 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 990, derhalve € 495, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.