Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3033

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
17/01020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 2.17 Wet IB 2001. Het Hof heeft miskend dat gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag bij helfte worden toegerekend aan een belastingplichtige en diens partner tenzij zij gezamenlijk daarvoor een andere onderlinge verhouding hebben gekozen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2960 met annotatie van Corné Brouwers
V-N 2017/60.10 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/2827
FED 2018/40 met annotatie van J.H.M. ARTS
BNB 2018/48
Viditax (FutD), 01-12-2017
FutD 2017-3013
NTFR 2017/2995 met annotatie van MR. E. ALINK
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 december 2017

nr. 17/01020

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X-Y] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2017, nrs. 15/00344 tot en met 15/00346, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 12/6441, 12/6443 en 12/6444) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001, 2003 en 2007 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was gehuwd met [X] (hierna: de ex-echtgenoot). Het huwelijk van belanghebbende en de ex-echtgenoot is op 25 april 2005 door echtscheiding ontbonden.

2.1.2.

Naar aanleiding van een microfiche afkomstig van de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) zijn belanghebbende en de ex-echtgenoot als gezamenlijke rekeninghouders van een rekening bij die bank geïdentificeerd. Volgens het microfiche bedroeg het saldo van deze rekening op 31 januari 1994 fl. 133.861, ofwel € 60.743. Belanghebbende noch de ex-echtgenoot heeft in de aangiften voor de onderhavige jaren inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij KB‑Lux.

2.1.3.

Het Hof heeft in onderdeel 4.2.9 van zijn uitspraak onder meer overwogen:

“Omdat tussen belanghebbende en haar ex-echtgenoot de onderlinge verhouding van hun gerechtigdheid tot de tegoeden op de KBL-rekening niet is komen vast te staan is het Hof van oordeel dat aan belanghebbende 100% van de correctie kan worden toegerekend om te vermijden dat de (inkomsten uit) banksaldi buiten de heffing zouden blijven. Dit geldt zowel ten aanzien van de jaren 2001 en 2003 waarin belanghebbende nog gehuwd was als ten aanzien van het jaar 2007, na de echtscheiding.”

2.1.4.

Ter zake van het saldo op de bij KB‑Lux aangehouden bankrekening is bij zowel belanghebbende als de ex-echtgenoot door het Hof een correctie op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen van jaarlijks vier percent van het volledige bedrag van € 60.743, dat is € 2430.

2.2.

Het derde middel, dat is gericht tegen het in 2.1.3 weergegeven oordeel, slaagt voor zover het de jaren 2001 en 2003 betreft. Op grond van artikel 2.17, leden 3 en 4, Wet IB 2001 worden gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag bij helfte toegerekend aan een belastingplichtige en diens partner tenzij zij gezamenlijk daarvoor een andere onderlinge verhouding hebben gekozen. Het Hof heeft dit met het hiervoor bedoelde oordeel miskend.

2.3.

De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.4. ’

s Hofs uitspraak kan, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen om te onderzoeken of door belanghebbende en de ex-echtgenoot gezamenlijk voor een andere toerekening is gekozen. Opmerking verdient dat op grond van artikel XXVII van de Wet van 3 juli 2008, Stb. 2008, 262 de onderlinge toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag door belanghebbende en de ex‑echtgenoot gezamenlijk kan worden gewijzigd, ook nadat dit arrest is uitgesproken.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 17/01021 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze betreft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 en 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 990, derhalve € 495, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017.