Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:30

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
16/02114
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1318, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:139. Falende klachten over: onjuiste maatstaftoepassing door de Rb, onbegrijpelijke vaststelling door de Rb van het gevorderde ontnemingsbedrag en onbegrijpelijk oordeel van de Rb over de proportionaliteit van de beslagen in het licht van het gevorderde ontnemingsbedrag. Cag: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/134
NBSTRAF 2017/30
SR-Updates.nl 2017-0067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02114 B

AKA/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 28 januari 2016, nummer RK 14/446, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, [klaagster 2], gevestigd te [vestigingsplaats] en [klaagster 3], gevestigd te [vestigingsplaats] .

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt met motiveringsklachten op tegen de beslissing van de Rechtbank op het namens de klagers ingediende klaagschrift.

2.2.1.

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van de ten laste van de klagers gelegde conservatoire beslagen voor zover deze als geheel het bedrag van € 602.225,27 te boven gaan, gegrond verklaard voor zover de beslagen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter te onderzoeken:

a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 27 februari 2015 klager sub 1 uitsluitend heeft veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 3 primair, project [A] ) en hem van de overige ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank stelt verder vast dat door het Openbaar Ministerie geen cassatieberoep is ingesteld tegen dit arrest en het cassatieberoep van klager sub 1 zich beperkt tot de veroordeling ter zake van feit 3 primair, zodat de strafzaak tegen klager sub 1, voor zover betrekking hebbend op de overige feiten, onherroepelijk tot een einde is gekomen. De vrijspraak van het gedeelte van de tenlastelegging voor zover dat ziet op de criminele organisatie [B] / [C] , waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde deelbedrag van € 1.600.000, is daarmee definitief. Derhalve doet zich thans het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, betrokkene een verplichting tot betaling ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, waarbij evengenoemd bedrag nog een rol speelt.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beloopt thans, na tussenbeslissing van de rechtbank van 29 november 2013 en de aankondiging verhoging van de ontnemingsvordering door de officier van justitie, in totaal € 829.115,27.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen zij daaromtrent in haar beschikking van 25 maart 2014 reeds heeft overwogen, het laten voortduren van de ten laste van klager sub 1 gelegde beslagen, voor zover deze het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan, bovenmatig en disproportioneel.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard voor zover dit de gestelde bovenmatigheid van de gelegde beslagen betreft en het verzoek van klagers tot beperking van de gelegde beslagen moet worden toegewezen in zoverre dat de rechtbank zal gelasten dat de gelegde beslagen zullen worden opgeheven voor zover zij het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan. Hieraan kan niet afdoen het standpunt van de officier van justitie dat thans geen sprake meer is van "overbeslag" aangezien de waarde van de conservatoire beslagen door haar wordt geschat op een bedrag van € 666.724,04 (naast een bedrag van € 133.832,34 aan gestorte zekerheden waartegen geen beklag ex artikel 552a Sv mogelijk is), welk bedrag niet uitkomt boven het bedrag dat in het kader van de ontnemingsprocedure van klager sub 1 wordt gevorderd. Immers, bij gelegenheid van de zitting van 14 januari 2016 hebben klagers de (totale) waarde van de gelegde conservatoire beslagen zoals die volgt uit het door de officier van justitie overgelegde overzicht uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden en het zou het bestek van de onderhavige procedure te buiten gaan als de rechtbank zou willen komen tot vaststelling van de waarde van de gelegde conservatoire beslagen."

2.2.2.

De beschikking van 25 maart 2014 waarnaar de Rechtbank in de thans bestreden beschikking heeft verwezen, houdt het volgende in:

"Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:

Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ( [B] / [C] ). De door de rechtbank gebezigde overwegingen hebben in overwegende mate betrekking op betalingen die betrokkene heeft ontvangen via zijn bedrijf [klaagster 2] , betalingen die thans grondslag vormen voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betekenis van het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer, dat de rechter zich na een gegeven uitspraak niet meer mag uitlaten over mogelijke schuld van betrokkene, ook niet in het kader van een ontnemingsmaatregel, ook al valt deze sanctionering op zichzelf niet onder de beschermende werking van artikel 6 lid 2 EVRM. De vrijspraak in de hoofdzaak 'bindt' de rechter als hij moet oordelen in de ontnemingszaak die in verband staat met de hoofdzaak.

Deze uit het Geeringsarrest getrokken conclusie ziet op de situatie waarin een directe relatie bestaat tussen het feit waarvan werd vrijgesproken en de grondslag van de ontnemingsvordering.

In aanmerking nemend het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak tegen klager sub 1, waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [B] / [C] , waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, is de rechtbank van oordeel dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

In het licht van het hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het laten voortduren van het ten laste van klager gelegde beslag, voor zover dit het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat bovenmatig en disproportioneel. De omstandigheid dat aan beslagen als de onderhavige inherent is dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad, betekent niet dat geen belangenafweging behoeft plaats te vinden: met een beslaglegging tot voormeld bedrag wordt in voldoende mate rekening gehouden met het strafvorderlijk belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend, namelijk het voorkomen dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. In deze afweging kent de rechtbank bovendien enige betekenis toe aan de omstandigheid dat de gelegde beslagen, althans het overgrote gedeelte daarvan, reeds in 2008 zijn gelegd en tot op heden voortduren. Bij de bepaling van de hoogte van voormeld bedrag heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de officier van justitie bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer een verhoging van de ontnemingsvordering heeft aangekondigd ten bedrage van € 226.890, betrekking hebbend op voordeel dat binnen [D] BV zou zijn genoten."

2.3.1.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de Officier van Justitie aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van zijn, aan het proces-verbaal gehechte notitie. Die notitie houdt het volgende in:

"Ontnemingsvordering

De ontnemingsvordering was gebaseerd op voordeel dat wederrechtelijk is verkregen binnen [D] BV ter hoogte van € 829.115,27 (het oorspronkelijke bedrag van € 602.225,27 vermeerderd met een bedrag van € 226.890,00). Daarnaast bestond de vordering uit voordeel dat was verkregen binnen [klaagster 2] ter hoogte van € 1.600.000, welk voordeel werd toegerekend aan [klager 1] .

Uw rechtbank heeft op 29 november 2013 een tussenbeslissing in de ontnemingszaak genomen, inhoudende dat gelet op de vrijspraak in de strafzaak met betrekking tot de criminele organisatie [klaagster 2] , het Geeringsarrest van toepassing is voor zover de vordering gebaseerd is op het voordeel verkregen binnen [klaagster 2] .

Uitgaande van deze tussenbeslissing betreft de ontnemingsvordering op dit moment derhalve het bedrag van € 829.115,27.

Stand van zaken ontnemingszaak

De ontnemingszaak is nog steeds lopende. Bij de hiervoor genoemde tussenbeslissing van uw rechtbank van 29 november 2013 heeft uw rechtbank de behandeling aangehouden voor overleg tussen het OM en [klager 1] .

Inmiddels hebben onderhandelingen tussen klagers en de benadeelde partijen geleid tot een concept-vaststellingsovereenkomst. Het Openbaar Ministerie heeft zich onder voorwaarden hiermee akkoord verklaard.

Pas nadat de vaststellingsovereenkomst met de benadeelde partijen geheel is nagekomen en voldaan is aan de voorwaarden met het OM, zal er een streep gezet kunnen worden door de ontnemingszaak en zolang dat niet het geval is, zijn de conservatoire beslagen zeker nog steeds van belang, mede om te bevorderen dat ook aan alle voorwaarden die het OM heeft gesteld wordt voldaan.

'Overbeslag'?

Het Openbaar Ministerie voegt bij deze reactie een overzicht van de conservatoire beslagen die op dit moment nog liggen ten laste van [klager 1] : volgens dit overzicht moet de waarde van de conservatoire beslagen geschat worden op een bedrag van € 666.724,04.

Daarnaast is in totaal ter zekerheid gestort het bedrag van € 133.832,34. Tegen deze zekerheidsstellingen kan in het kader van artikel 552a Sv overigens niet geklaagd worden.

De conclusie is derhalve dat de totale waarde van de conservatoir in beslaggenomen voorwerpen tezamen met de gestorte zekerheid (€ 800.556,38) inmiddels al niet meer uitkomt boven het bedrag dat hiervoor als ontnemingsvordering wordt genoemd.

Sinds de beschikking van uw rechtbank van 25 maart 2014 heeft het OM op het verzoek van de verdediging namelijk het conservatoire beslag op onroerend goed én bankrekeningen in Frankrijk opgeheven. Daarnaast is met betrekking tot de onder [klaagster 3] gelegde vierdenbeslagen civiele procedure niet voortgezet, zodat deze beslagen na 24 september 2014 als opgeheven konden worden beschouwd.

Op 12 januari 2016 heeft het OM aan de raadsman van klagers laten weten ook het derdenbeslag op de vordering op [klaagster 3] te zullen opheffen en heeft hiertoe opdracht gegeven.

Voor zover uitgegaan zou moeten worden van een hogere waardering van het conservatoire beslag, is het volgens vast jurisprudentie niet zo dat het bedrag van de machtiging of vordering ook het maximum voor de hoogte van het conservatoire beslag inhoudt. Het OM verwijst hierbij naar gedeelte over het Cumberbatch-arrest van de HR, zoals ook aangehaald in de reactie bij de eerdere behandeling van het klaagschrift.

Omdat [klager 1] meerdere schuldeisers heeft - naast benadeelde partijen uit de Klimop-zaak en de fiscus is er volgens zijn eigen opgave zo'n 7 ton schuld aan andere schuldeisers - is dit punt zeker niet onbelangrijk. Immers ook deze kunnen beslag leggen en dan moet worden gedeeld.

Op grond van het Cumberbatch-arrest is een eventueel "overbeslag" in deze zaak volgens het OM dan ook niet van belang.

Proportioneel

Volgens de HR kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat uw rechtbank op grond van hetgeen door klagers is aangevoerd onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit. In deze zaak spitst dit zich toe op de vraag of de hoogte van het conservatoire beslag nog proportioneel is ten opzichte van de hoogte van de ontnemingsvordering.

Allereerst: conservatoir beslag dient ter zekerheid van de betaling van een op te leggen ontnemingsmaatregel. Het OM meent dat deze zekerheid nog steeds nodig is, nu een schikking met de benadeelden nog niet is afgerond en nog niet voldaan is aan de door het OM gestelde voorwaarden.

Het OM merkt op dat de schatting van de waarde van het beslag uiteraard slechts een schatting is - voor het beslag op geld/bankrekeningen is het wel bekend, maar voor een aantal beslagobjecten is het de vraag of het geschatte bedrag ook bij executie wordt gehaald, nog afgezien van hetgeen hiervoor is opgemerkt over het delen met andere beslagleggers.

Een geringe "overwaarde" van het beslag zou dan ook naar de mening van het Openbaar Ministerie niet tot disproportionaliteit leiden."

2.3.2.

Het hiervoor genoemde proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De officier van justitie voert verder als volgt het woord.

U, voorzitter, vraagt mij of ik mededelingen kan doen omtrent de stand van zaken met betrekking tot de schikkingsonderhandelingen. Het ligt denk ik meer aan de zijde van klager om hierover uitspraken te doen. Het is lastig. Het Openbaar Ministerie heeft gezegd zich te kunnen vinden in de overeenkomst die is opgesteld met de benadeelden, maar stelt zich op het standpunt dat er geen nadelige gevolgen mogen optreden voor de Belastingdienst. Er is discussie over die voorwaarde. Er is contact geweest met de Belastingdienst, maar we komen er nog niet uit. Ik heb tegen de raadsman gezegd dat ik hem aanraad met de Belastingdienst het een en ander te regelen. Voorts is er het probleem van het gecontroleerd opheffen van de beslagen. Eerst moet het geld naar de benadeelden, dan kan het beslag worden opgeheven. Die voorwaarde wordt ook door het Openbaar Ministerie gesteld.

De raadsman van klager voert als volgt het woord.

De schikking met de benadeelden is zwaar bevochten. Van beide kanten is aan alles gedacht. Nu worden er nieuwe voorwaarden gesteld door het Openbaar Ministerie. Dat zorgt voor nieuwe problemen. Ik heb daarom geen idee hoe lang het nog gaat duren. Het is jammer dat er niet een akkoord van de zijde van het Openbaar Ministerie wordt gegeven. De benadeelde partijen zijn helemaal tevreden.

(...)

De officier van justitie reageert als volgt.

Het is niet zo dat het Openbaar Ministerie bij een akkoord tussen partijen juichend akkoord geeft. Wij willen niet alles tegenhouden, maar ik verwijs klager naar de Belastingdienst. Het Openbaar Ministerie kan niet tot in detail de fiscale consequenties van de conceptovereenkomst zien.

U, voorzitter, vraagt mij of het niet zo is dat de Belastingdienst zelf er op zal toezien dat zij er financieel niet op achteruit gaan, en dat het Openbaar Ministerie bij een akkoord van de Belastingdienst ook zelf akkoord kan gaan. De overheid moet als één geheel optreden.

U, oudste rechter, vraagt mij of het Openbaar Ministerie de conceptovereenkomst gaat tegenhouden als de Belastingdienst akkoord is gegaan. Ik denk dat de Belastingdienst eerst moet aangeven welke de consequenties van die overeenkomst precies zijn. Een akkoord van het Openbaar Ministerie moet in verhouding zijn met de ontnemingsvordering. Het bedrag dat wordt betaald moet overeenstemmen. Als er nadien minder belasting moet worden betaald dan is dat ook een Voordeel en dat moet ook worden ontnomen. Verder weet iedereen dat in dit soort zaken niet een officier van justitie persoonlijk akkoord kan geven, maar dat dit via de leiding gaat. Ik kan hier vandaag dan ook niet ja of nee zeggen.

(...)

De voorzitter onderbreekt op verzoek van de officier van justitie de zitting voor enige ogenblikken teneinde haar in de gelegenheid te stellen een reactie op de verzoeken voor te bereiden.

Na hervatting voert de officier van justitie als volgt het woord.

Ik heb even nagedacht omdat ik niet wil dat er een beeld ontstaat dat het Openbaar Ministerie niets wil. Maar het is zo, als zekerheidsstelling wordt in sommige gevallen een hypotheekrecht geaccepteerd. Dat gebeurt in zeer uitzonderlijke gevallen. Er zijn namelijk risico's, zoals fluctuatie van de marktwaarde van de woning en ook onvoorziene kosten als asbestsanering bij de verkoop van de woning. Alles afwegende ben ik toch van mening dat zo'n zeer uitzonderlijke omstandigheid zich hier niet voordoet en dat klager zekerheid moet stellen in de vorm van een bankgarantie en niet in de vorm van een hypotheek. Ik heb daarbij ook rekening gehouden met de hier ter zitting geclaimde overwaarde van een miljoen, terwijl tegenover benadeelde partijen is gemeld dat het twee ton is.

Klager voert als volgt het woord.

Met een bankgarantie kan ik niet uit de voeten. Ik wil mijn leven op orde krijgen en als ondernemer over mijn geld beschikken. Ik wil niet als een student bij mijn vader mijn hand moeten ophouden. Volgens mij heb ik u een fantastische zekerheid aangeboden, namelijk hypotheekrecht op een woning met eigen grond in de Concertgebouwbuurt in Amsterdam. Ik herken mij verder niet in de getallen die de officier van justitie heeft genoemd. Ik heb steeds antwoord gegeven op vragen wat de waarde precies was. Het voorstel dat mr. Jonkers heeft gedaan is op korte termijn zorgen voor taxatie van de woning; dat kan ik garanderen. Ook dat mijn echtgenote haar handtekening er onder zet. U, voorzitter, vraagt mij op welke termijn ik dit zou kunnen verzorgen. Dat kan binnen twee weken. Met een bankgarantie zit ik nog steeds klem. Er verandert niets, ik ben voor zeven van de acht feiten onherroepelijk vrijgesproken en wil mijn leven kunnen oppakken. Ik kom met een fair voorstel om dit af te wikkelen.

De officier van justitie reageert als volgt.

Als er een taxatie wordt overgelegd, dan wil ik daar wel naar kijken. Het ligt er ook aan hoe de overeenkomst met de benadeelde partijen vormgegeven kan worden. Ik wil niet zeggen dat ik er absoluut niet iets mee kan doen. Het is wat dat betreft handiger om de zitting aan te houden. Het kost tijd om er met civilisten naar te kijken.

De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad in raadkamer.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat er thans geen aanleiding tot aanhouding van behandeling van de zaak bestaat (...)"

2.4.

Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift niet de juiste maatstaf heeft toegepast, immers ten onrechte niet heeft beoordeeld of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de betrokkene een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de overwegingen van de Rechtbank ligt de toepassing van die maatstaf besloten.

2.5.

Het middel klaagt voorts over de vaststelling door de Rechtbank dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel thans in totaal € 829.115,27 bedraagt. In aanmerking genomen het verhandelde in raadkamer, is het oordeel van de Rechtbank dat van dit bedrag moet worden uitgegaan, niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

2.6.

Het middel klaagt ten slotte over het oordeel van de Rechtbank dat handhaving van de ten laste van de klagers gelegde beslagen in de gegeven omstandigheden disproportioneel is voor zover deze beslagen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan. Gelet op de door de Rechtbank aan de hand van de door haar daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden gemaakte afweging van enerzijds het belang van strafvordering en anderzijds de belangen van de klagers, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.