Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:3

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/03314
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1031, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder klager. 1. Strafvorderlijk belang niet meer aanwezig, teruggave auto aan beslagene dan wel andere rechthebbende. 2. Verbeterde lezing overzichtsbeschikking ECLI:NL:HR:2010:BL2823 door HR.

Ad 1. Zowel klager als B stellen eigenaar te zijn van auto. OvJ stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van auto. Rb verklaart klaagschrift van B ongegrond, nu B niet met stukken heeft kunnen onderbouwen dat zij de rechtmatige eigenaar van auto is. Rb verklaart klaagschrift van klager ongegrond, omdat zij niet kan beoordelen of klager een geldige aanspraak op auto heeft. HR herhaalt relevante overwegingen uit overzichtsbeschikking ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf en verplichting rechter te beslissen indien OM te kennen geeft dat belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Gelet hierop had Rb beklag van klager gegrond moeten verklaren en ex art. 552a.7 Sv de daarmee overeenkomende last behoren te geven.

Ad 2. HR tekent aan dat rov. 2.11 van voormelde overzichtsbeschikking moet worden gelezen zonder de tussen gedachtestrepen gezette zinsnede m.b.t. de situatie waarin degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht het voor beslag vatbare voorwerp in de feitelijke macht van een ander heeft gebracht. Bij nader inzien is er geen reden die ander, onder wie ex art. 94 Sv beslag is gelegd, als “derde” en niet als beslagene aan te merken. Indien het belang van strafvordering niet (meer) aanwezig is, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan deze, als beslagene, te worden teruggegeven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 94
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0061
NJB 2017/167
RvdW 2017/120
NJ 2017/93 met annotatie van P. Mevis
JOW 2017/12
NBSTRAF 2017/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 januari 2017

Strafkamer

nr. S 15/03314 B

ABO/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 9 juni 2015, nummer RK 15/1301, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de ongegrondverklaring van het beklag getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.

2.2.

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen personenauto ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

" [klager] heeft aangevoerd dat de auto onder hem in beslag is genomen ter zake verdenking van een strafbaar feit. Klager stelt eigenaar te zijn van die auto. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet tegen teruggave van de auto. Door het voortduren van de inbeslagneming wordt niet alleen klager benadeeld, maar tevens zijn familiekring. Mede krachtens het beginsel van onschuldpresumptie wenst klager teruggave van voornoemde auto.

[betrokkene 1] heeft aangevoerd dat haar ex-partner de autopapieren uit haar auto heeft gestolen en de auto heeft overgeschreven op naam van zijn vriend [klager] . Klaagster heeft hiervan aangifte gedaan. Klaagster heeft rekeningafschriften en een kentekenbewijs overgelegd om aan te tonen dat zij de rechtmatige eigenaar van de auto is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de in beslag genomen auto. Nu het in het midden blijft aan wie de auto toebehoort, is het uitgangspunt dat het beslag teruggegeven dient te worden aan degene onder wie het in beslag is genomen. In dit geval is dat [klager] .

De rechtbank oordeelt als volgt. [betrokkene 1] heeft haar standpunt dat zij de rechtmatige eigenaar van de auto is, niet kunnen onderbouwen met stukken. Dat het zo gegaan is als zij heeft verklaard, kan de rechtbank op basis van de thans voorliggende stukken niet vaststellen. Het klaagschrift van [betrokkene 1] zal daarom ongegrond worden verklaard.

Dat [klager] civielrechtelijk een sterker recht op de auto heeft, kan de rechtbank eveneens niet vaststellen, omdat niet vastgesteld kan worden dat [klager] een koper te goeder trouw is geweest (artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank kan daarom niet beoordelen of [klager] een geldige aanspraak heeft op het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp en verklaart het klaagschrift van [klager] om die reden ongegrond.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de ex-partner van [betrokkene 1] als verdachte is aangemerkt in de onderliggende strafzaak. Mocht deze verdachte nog worden gedagvaard, dan zal de zittingsrechter een beslissing moeten nemen over het beslag. Indien dagvaarding achterwege blijft, zal de officier van justitie een beslissing over het beslag dienen te nemen."

2.3.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8.)

2.4.

Ingevolge art. 116, eerste lid, Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.10.)

2.5.

Uit de hiervoor in 2.2 weergegeven overwegingen van de Rechtbank blijkt dat de Officier van Justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de in beslag genomen auto. Tevens blijkt uit deze overwegingen dat de Rechtbank het klaagschrift van [betrokkene 1] ongegrond heeft verklaard, nu zij haar standpunt dat zij de rechtmatige eigenaar van de auto is, niet heeft kunnen onderbouwen met stukken. Gelet op het in 2.3 en 2.4 overwogene had de Rechtbank het beklag derhalve gegrond moeten verklaren en op de voet van art. 552a, zevende lid, Sv de daarmee overeenkomende last behoren te geven.

2.6.

Het middel is gegrond.

2.7.

Aantekening verdient het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn (overzichts)beschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 met betrekking tot de toetsingsmaatstaf voor de beoordeling van de handhaving van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag het volgende overwogen:

"2.11. In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt."

De tussen gedachtestrepen gezette zinsnede had het oog op de situatie dat degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht het voor beslag vatbare voorwerp in de feitelijke macht heeft gebracht van een ander. Bij nader inzien moet worden geoordeeld dat er geen reden is die ander, onder wie op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd, als 'derde' en niet als beslagene aan te merken. Indien het belang van strafvordering niet (meer) aanwezig is, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan deze, als beslagene, te worden teruggegeven. Rechtsoverweging 2.11 van de (overzichts)beschikking van 28 september 2010 dient derhalve te worden gelezen zonder deze zinsnede.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2017.