Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2980

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
15/05787
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:4543, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; art. 201, lid 3, CDW; art. 246 UCDW; Besluit 2001/404/EG; Vo. (EG) 1291/2000; Vo. (EG) 565/2002; Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije; art. 16, lid 2, Douanewet; artikel 54 Douanebesluit; Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging bij dreigende verjaring van invordering douaneschuld; invoer van knoflook in het kader van het GATT contingent; invoer van knoflook met beroep op een tariefpreferentie die geldt voor knoflook van oorsprong uit Turkije; bewijslevering van de oorsprong van de knoflook; gevolgen vernietiging monsters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2882 met annotatie van Gooike van Slooten
V-N Vandaag 2017/2764
BNB 2018/37 met annotatie van M.J.W. van Casteren
V-N 2017/58.3 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 24-11-2017
FutD 2017-2940 met annotatie van Fiscaal up to Date
DouaneUpdate 2017-0601
DouaneUpdate 2017-0626
FED 2018/67 met annotatie van G.C.D. Grauss
mr. G. van Dam annotatie in NTFR 2017/2938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2017

nr. 15/05787

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 november 2015, nrs. 12/00273 tot en met 12/00276, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 09/6094 tot en met AWB 09/6097) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door J.M. Wolfs en C.B.C. Oostdam, beiden advocaat te Maastricht.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In de periode van 18 december 2002 tot en met 26 februari 2003 heeft zowel [DDD] B.V., op eigen naam en voor eigen rekening in opdracht van belanghebbende, als belanghebbende zelf op eigen naam en voor eigen rekening diverse aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van verse knoflookbollen. Het betrof in totaal twaalf aangiften waarin post 0703 20 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN) als toepasselijke tariefpost is vermeld en als land van oorsprong van de knoflook Rusland is opgegeven. Voor knoflook van post 0703 20 00 van de GN is volgens het douanetarief een douanerecht van 9,6 percent en een specifiek recht van € 120 per 100 kilogram verschuldigd.

2.1.2.

Bij Besluit 2001/404/EG van de Raad van 28 mei 2001, Pb L 142, is voor knoflook van post 0703 20 00 van de GN een contingent geopend dat van het specifieke recht is vrijgesteld (hierna: het GATT-contingent). Het GATT-contingent is verdeeld in 19.147 ton voor invoer van knoflook van oorsprong uit Argentinië, 13.200 ton voor invoer van knoflook van oorsprong uit China, en 6023 ton voor invoer van knoflook van oorsprong uit andere landen.

Bij de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften is telkens aanspraak gemaakt op een vrijstelling van het specifieke recht vanwege het GATT-contingent onder overlegging van een daartoe ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 565/2002 van de Commissie van 2 april 2002, Pb L 86 (hierna: Vo. (EG) nr. 565/2002), vereist invoercertificaat waarop als land van oorsprong van de knoflook Rusland is vermeld. In alle gevallen heeft de douane de knoflook voor het vrije verkeer vrijgegeven zonder heffing van het specifieke recht. Bij een aantal aangiften heeft de douane de verpakking van de goederen gecontroleerd met het oog op vaststelling van de herkomst van de knoflook. Bij een van de aangiften heeft de douane een monster genomen van de ingevoerde knoflook.

2.1.3.

In de periode 11 maart 2005 tot en met 13 april 2005 heeft [EEE] B.V. op eigen naam en voor eigen rekening in opdracht van belanghebbende vijf aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van verse knoflook. In deze aangiften is eveneens post 0703 20 00 van de GN vermeld. Als land van oorsprong van de knoflook is Turkije opgegeven. Bij deze vijf aangiften is telkens een - naar achteraf is vastgesteld - vals certificaat inzake goederenverkeer EUR-1 met nummer C01013977, afgegeven voor 200.000 kilogram knoflook, met volgblad overgelegd. Bij een van de aangiften heeft de douane een monster genomen van de ingevoerde knoflook. De douane heeft de zendingen knoflook voor het vrije verkeer vrijgegeven zonder heffing van het douanerecht van 9,6 percent en van het specifieke recht van € 120 per 100 kilogram.

2.1.4.

De FIOD-ECD heeft een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de opgegeven oorsprong van de knoflook in de hiervoor in 2.1.1 vermelde aangiften en de daarbij overgelegde invoercertificaten. Gedurende dit onderzoek heeft de FIOD-ECD tevens een onderzoek gestart naar de hiervoor in 2.1.3 vermelde aangiften, in het bijzonder naar de geldigheid van het overgelegde certificaat EUR-1 met nummer C01013977. Tijdens dit onderzoek is onder anderen verhoord [A] (hierna: [A]), die ten tijde van het doen van de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer (middellijk) enig bestuurder van belanghebbende was. Van de bevindingen van beide onderzoeken is op 22 februari 2006 een overzichtsprocesverbaal opgemaakt.

2.1.5.

De Inspecteur heeft zich op basis van het overzichtsprocesverbaal op het standpunt gesteld dat bij de hiervoor in 2.1.1 bedoelde zendingen zowel de in de invoeraangiften aangegeven oorsprong van de knoflook als de op de invoercertificaten vermelde oorsprong niet juist is geweest. Aangezien de Inspecteur op basis van de bevindingen aannemelijk heeft geacht dat deze zendingen knoflook van oorsprong uit China zijn en daarom geen gebruik had mogen worden gemaakt van het GATT‑contingent voor derde landen, was volgens hem voor deze zendingen alsnog het specifieke recht verschuldigd.

Met betrekking tot de hiervoor in 2.1.3 bedoelde invoeraangiften heeft de afdeling falsificatie van Douane Noord, kantoor Arnhem, op verzoek van de FIOD-ECD het certificaat EUR-1 met nummer C01013977 onderzocht. Daarbij is vastgesteld dat dit certificaat niet overeenstemt met het door de Unie verstrekte referentiemateriaal. Nadien is deze vaststelling door daartoe in Turkije bevoegde douaneautoriteiten bevestigd en is aan de Nederlandse autoriteiten bericht dat het desbetreffende certificaat vals is.

Voor zover de invoeraangiften op eigen naam en voor eigen rekening door [DDD] B.V. en [EEE] B.V. zijn gedaan, heeft de Inspecteur zich voorts op het standpunt gesteld dat belanghebbende op de voet van artikel 201, lid 3, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 54 van het Douanebesluit aansprakelijk is voor de ten onrechte niet van die aangevers geheven douanerechten en specifieke rechten aangezien belanghebbende hen met het oog op het doen van de invoeraangiften de daarvoor benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

2.1.6.

De Inspecteur heeft de - voor de hiervoor in 2.1.1 bedoelde invoeraangiften voor knoflook opgegeven als van oorsprong uit Rusland, met uitzondering van een aangifte van 18 december 2002 - verschuldigde specifieke rechten nageheven door uitreiking van drie aanslagbiljetten, gedateerd 16 december 2005 (aanslagbiljet 1), 1 maart 2006 (aanslagbiljet 2) en 2 maart 2006 (aanslagbiljet 3).

Ter zake van de hiervoor in 2.1.3 bedoelde invoeraangiften voor knoflook opgegeven als van oorsprong uit Turkije heeft hij de verschuldigde douanerechten en specifieke rechten nageheven door uitreiking van één aanslagbiljet (hierna: het aanslagbiljet 4).

Aanslagbiljet 2 en aanslagbiljet 4 betreffen aangiften die [DDD] B.V. onderscheidenlijk [EEE] B.V. in opdracht van belanghebbende op eigen naam en voor eigen rekening hebben gedaan.

Op elk aanslagbiljet zijn verschillende uitnodigingen tot betaling als bedoeld in artikel 7:6, lid 1, van de Algemene douanewet vermeld.

2.2.1.

Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de hiervoor in 2.1.6 vermelde uitnodigingen tot betaling het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Het Hof heeft in dit verband verworpen de stelling van de Inspecteur dat vanwege het verhoor van [A] door de FIOD-ECD dit beginsel niet is geschonden. Naar het oordeel van het Hof doet een dergelijk verhoor onvoldoende recht aan dat beginsel, reeds omdat, aldus het Hof, belanghebbende met dit verhoor niet in staat is gesteld naar behoren en daadwerkelijk haar standpunt kenbaar te maken in het kader van de administratieve procedure.

Vervolgens heeft het Hof – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231 – geoordeeld dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet is geschonden aangezien de Leidraad Invordering 1990 voor situaties als de onderwerpelijke een voldoende adequate waarborg biedt voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitnodigingen tot betaling en dat aan belanghebbende voor alle uitnodigingen tot betaling ook daadwerkelijk uitstel van betaling is verleend.

2.2.2.

Het Hof heeft voorts met betrekking tot de hiervoor in 2.1.1 vermelde invoeraangiften geoordeeld dat de Inspecteur met al hetgeen hij heeft overgelegd, aannemelijk heeft gemaakt dat de met vermelding oorsprong uit Rusland aangegeven knoflook niet van Russische oorsprong is.

2.2.3.

Wat betreft de hiervoor in 2.1.3 vermelde vijf invoeraangiften heeft het Hof geoordeeld dat bij die aangiften aanspraak is gemaakt op een preferentiële behandeling voor knoflook van oorsprong uit Turkije, onder overlegging van het certificaat EUR-1, en dat op die grond heffing van zowel het douanerecht van 9,6 percent als het specifieke recht van € 120 per 100 kilogram achterwege is gebleven. Aangezien het overgelegde certificaat EUR-1 niet geldig is, is de preferentiële oorsprong uit Turkije niet aangetoond zodat belanghebbende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op het preferentiële tarief, aldus het Hof.

2.2.4.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [A] wist dat de knoflook die op naam en voor rekening van [DDD] B.V. onderscheidenlijk [EEE] B.V. voor het vrije verkeer is aangegeven, niet van oorsprong was uit de landen vermeld in de daarop betrekking hebbende handels- en oorsprongsbescheiden en dat belanghebbende op die grond terecht op de voet van artikel 201, lid 3, CDW in samenhang gelezen met artikel 54 van het Douanebesluit als schuldenaar is aangemerkt voor de uit die invoeraangiften voortvloeiende douaneschulden.

2.3.1.

Middel I is gericht tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof het beroep op schending van de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet had mogen verwerpen op de grond dat het bezwaarschrift van belanghebbende is aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling en dat voor de uitnodigingen tot betaling daadwerkelijk uitstel van betaling is verleend.

2.3.2.

Bij de behandeling van middel I wordt het volgende vooropgesteld.

De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van Unierecht dat in het bijzonder meebrengt dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geen absolute gelding, maar kan beperkingen inhouden mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregelen worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep impliceren waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (vgl. HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, ECLI:NL:HR:2015:2161, BNB 2015/207 – hierna: het arrest BNB 2015/207 - rechtsoverweging 2.6.4 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Naar volgt uit het arrest BNB 2015/207 dient de vraag of het niet horen van een belanghebbende voorafgaand aan het uitreiken van een uitnodiging tot betaling is gerechtvaardigd, te worden beoordeeld met inachtneming van hetgeen het Hof van Justitie in dat kader aan de nationale rechter als aanwijzingen heeft meegegeven. Daartoe dient de inspecteur de omstandigheden aan te voeren die in het individuele geval rechtvaardigen waarom hij een belanghebbende niet van te voren in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over zijn voornemen tot het uitreiken van een uitnodiging tot betaling. Een zodanige rechtvaardiging kan niet zijn de omstandigheid dat uitstel van betaling zal worden verleend.

Indien het niet horen van een belanghebbende voorafgaand aan het uitreiken van een uitnodiging tot betaling is gerechtvaardigd, moet worden aangenomen dat de rechten van de verdediging niet zijn geschonden, indien tevens vaststaat dat voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit.

2.3.3.

Het Hof heeft geen omstandigheden vastgesteld die rechtvaardigen dat de Inspecteur belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Middel I slaagt derhalve.

2.4.

Aangezien thans niet ervan kan worden uitgegaan dat alle uitnodigingen tot betaling vanwege schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging moeten worden vernietigd, zal de Hoge Raad tevens de overige middelen van het onderhavige cassatieberoep behandelen.

2.5.1.

Middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel voert in de eerste plaats aan dat belanghebbende niet in de gelegenheid is geweest om de door de douane ten tijde van de verificatie van de hiervoor in 2.1.1 en 2.1.3 vermelde invoeraangiften genomen monsters zelf te laten onderzoeken op de oorsprong Rusland onderscheidenlijk Turkije en dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op het door belanghebbende in hoger beroep gedane verzoek tot afgifte van die monsters. Hierdoor is belanghebbende, aldus het middel, in haar verdedigingsrechten geschaad. Middel II betoogt voorts dat het oordeel van het Hof dat de Inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan, onvoldoende is gemotiveerd aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat China het land van oorsprong is. Voorts betoogt het middel dat het Hof heeft miskend dat per partij knoflook moet worden vastgesteld dat de oorsprong onjuist is en dat extrapolatie niet mag plaatsvinden.

2.5.2.

Bij de behandeling van middel II wordt het volgende vooropgesteld.

De wijze van beheer van het GATT-contingent is vastgesteld bij Vo. (EG) nr. 565/2002. Ingevolge artikel 3, lid 1, van Vo. (EG) nr. 565/2002 moet voor elke invoer in het kader van het GATT-contingent een invoercertificaat worden overgelegd dat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000, Pb L 152, houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: Vo. (EG) nr. 1291/2000), is afgegeven. Op grond van artikel 8, lid 1, van Vo. (EG) nr. 1291/2000 heeft de houder van een invoercertificaat het recht en de verplichting de op dat certificaat vermelde hoeveelheid producten in te voeren binnen de geldigheidsduur van het certificaat. Het invoercertificaat verplicht, zo bepaalt artikel 8, lid 3, van Vo. (EG) nr. 1291/2000 en voor zover hier van belang, tot invoer uit het land of de groep landen vermeld in het invoercertificaat wanneer dat volgens de specifieke regeling wordt vereist.

Ingevolge artikel 4, lid 1, van Vo. (EG) nr. 565/2002 dient op de certificaataanvraag en op het certificaat zelf in vak 8 het land van oorsprong te worden vermeld en is het certificaat slechts geldig voor producten van oorsprong uit het in vak 8 vermelde land. Niet is vereist, zo moet worden afgeleid uit artikel 9 van Vo. (EG) nr. 565/2002, dat de aangever bij de invoer uit eigen beweging bewijs over moet leggen van de oorsprong, behoudens voor een aantal aangewezen landen. Voorts geldt ingevolge artikel 4, lid 2, van Vo. (EG) nr. 565/2002 dat het certificaat slechts geldig is voor het kwartaal waarvoor het is afgegeven.

Vermeldingen op de certificaten mogen na afgifte daarvan volgens artikel 26, lid 1, van Vo. (EG) nr. 1291/2000 niet worden gewijzigd.

2.5.3.

Voor zover middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof met betrekking tot de knoflook, opgegeven als van oorsprong uit Rusland, wordt het volgende overwogen.

2.5.3.1. Naar volgt uit hetgeen hiervoor in 2.5.2 is overwogen hoeft een aangever voor het maken van aanspraak op het GATT-contingent voor knoflook van oorsprong uit derde landen niet bij de aangifte voor het vrije verkeer uit eigen beweging een bewijsmiddel over te leggen van het land van oorsprong wanneer dat land Rusland is. Indien echter op basis van door de douaneautoriteiten aangevoerde feiten en omstandigheden het vermoeden is gerechtvaardigd dat de desbetreffende knoflook niet uit het opgegeven derde land afkomstig is maar uit China, ligt het op de weg van de aangever of de douaneschuldenaar dat vermoeden van oorsprong uit China te ontzenuwen aangezien voor China een exclusief deel van het GATT-contingent is gereserveerd waarop niet achteraf aanspraak kan worden gemaakt.

Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat in de onderhavige gevallen de Inspecteur voldoende aanwijzingen had dat de knoflook niet uit Rusland maar uit China afkomstig was, en op belanghebbende derhalve de last rust dit vermoeden te ontzenuwen, wordt in dit verband van belang hetgeen middel II aanvoert.

2.5.3.2. Voor zover middel II in dit kader betoogt dat de inspecteur bij toepassing van het GATT-contingent bij elke invoeraangifte is gehouden een monster te nemen, te analyseren en/of te bewaren om (achteraf) uit te sluiten of te kunnen uitsluiten dat de ingevoerde partij van oorsprong is uit het in de bijbehorende invoeraangifte en invoercertificaat opgegeven land, of voor het geval de aangever zelf dit monster ooit nodig mocht hebben voor het vergaren van bewijs omtrent de oorsprong van de knoflook, vindt dat betoog geen steun in het recht. Dit wordt niet anders ingeval – zoals het middel in de onderhavige zaak betoogt – de douaneautoriteiten ten tijde van het doen van de invoeraangiften signalen hebben bereikt dat knoflook van oorsprong uit China via andere landen naar de Unie wordt geleid. Middel II faalt in zoverre.

2.5.3.3. Voor zover middel II heeft aangevoerd dat het Hof heeft nagelaten bij zijn beoordeling omtrent de bewijslevering van de oorsprong van de knoflook te betrekken het door belanghebbende in hoger beroep, bij conclusie van repliek van 14 juni 2013, gedane beroep op haar belang bij teruggave van het bij verificatie van de douaneaangiften genomen monster en haar in de gelegenheid te stellen een zogenoemd metaalsporenonderzoek te doen verrichten met het oog op het bepalen van de oorsprong van de knoflook, heeft het volgende te gelden.

In het hier aan de orde zijnde geval waarin een monster is genomen, staat in cassatie – onbestreden - vast dat de Inspecteur dat monster niet heeft gebruikt voor een analyse of grondig onderzoek ervan als bedoeld in artikel 244 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de UCDW) om de oorsprong ervan vast te (doen) stellen.

Ingevolge artikel 246 van de UCDW moeten monsters, behoudens wanneer zij door de analyse of het grondige onderzoek zijn vernietigd, aan de aangever op diens verzoek en op diens kosten worden teruggegeven wanneer het geen zin meer heeft dat de douaneautoriteiten deze monsters nog langer bewaren, met name wanneer de aangever alle mogelijkheden van beroep tegen de beschikking van de douaneautoriteiten op grond van deze analyse of dit grondig onderzoek heeft uitgeput. De douaneautoriteiten kunnen de monsters die door de aangever niet zijn teruggevraagd, ofwel vernietigen ofwel bewaren. In artikel 16, lid 2, van de Douanewet is bepaald dat het monster of hetgeen daarvan is overgebleven, zodra het kan worden gemist, desverlangd aan de belanghebbende wordt teruggegeven.

In cassatie heeft de Staatssecretaris opgeworpen dat het onderhavige monster door de douaneautoriteiten is vernietigd.

Uit de uitspraak van het Hof noch uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat de douaneautoriteiten de aangever ervan in kennis hebben gesteld dat zij het niet nodig vonden het bij diens aangiften genomen monster te bewaren of dat zij de aangever de gelegenheid hebben geboden het monster terug te vragen alvorens tot vernietiging van het monster over te gaan, dan wel dat een zodanige kennisgeving achterwege mocht blijven. Voorts blijkt niet of de desbetreffende aangever, indien een dergelijke kennisgeving wel is gedaan, naar aanleiding van die kennisgeving heeft verzocht om teruggave van het monster. Gezien het voorgaande had het Hof bij zijn beoordeling omtrent de bewijslevering van de oorsprong van de knoflook niet in het midden mogen laten het belang dat belanghebbende (mogelijk) heeft bij teruggave van het monster. In zoverre slaagt middel II.

2.5.4.

Voor zover middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof met betrekking tot de ingevoerde knoflook, opgegeven als van oorsprong uit Turkije, wordt het volgende overwogen.

2.5.4.1. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.1.3 vermelde invoeraangiften de invoer van knoflook betroffen waarbij in de aangiften telkens aanspraak is gemaakt op de preferentiële regeling bedoeld in artikel 2 van het Besluit nr. 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije van 25 februari 1998, Pb L 86, betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten voor de invoer van landbouwproducten van oorsprong uit Turkije (hierna: het Besluit nr. 1/98), en dat bij die aangiften ten bewijze van de preferentiële oorsprong uit Turkije het certificaat EUR-1 met nummer C01013977 is overgelegd. Anders dan middel II aanvoert geldt de in artikel 3, lid 1, van Vo. (EG) nr. 565/2002 tot overlegging van een invoercertificaat neergelegde verplichting blijkens overweging 3 van de considerans alsmede artikel 13 van Vo. (EG) nr. 565/2002 niet voor hoeveelheden knoflook die vanaf 1 juni 2002 buiten het GATT-contingent om in het vrije verkeer worden gebracht. Anders dan middel II vooropgesteld heeft, betrof het dus niet een invoer waarbij aanspraak is gemaakt op een vrijstelling uit hoofde van het GATT-contingent en mist het middel, voor zover het stelt dat sprake was van overlegging van een invoercertificaat als bedoeld in artikel 3 van Vo. (EG) nr. 565/2002, feitelijke grondslag.

2.5.4.2. Middel II voor het overige kan niet tot cassatie leiden reeds omdat het miskent dat toepassing van het hiervoor bedoelde preferentiële tarief volgens Protocol 1 in samenhang gelezen met Protocol 3 bij Besluit nr. 1/98 alleen mogelijk is bij overlegging van een geldig certificaat EUR-1, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten in Turkije. Een eventueel onderzoek door belanghebbende van een door de douane bij een van de invoeraangiften genomen monster, met als doel aan de hand daarvan het land van oorsprong van de knoflook te doen vaststellen, kan niet bewerkstelligen dat toepassing van de preferentiële regeling bedoeld in artikel 2 van het Besluit nr. 1/98 mogelijk wordt (vgl. HvJ 6 februari 2014, Helm Düngemittel GmbH, C-613/12, ECLI:EU:C:2014:52, punt 33, HvJ 15 december 2011, Afasia Knits Deutschland GmbH, C-409/10, ECLI:EU:C:2011:843, punt 55, HvJ 17 juli 1997, Pascoal & Filhos, C 97/95, ECLI:EU:C:1997:370, punt 33). Gelet op de omstandigheden van dit geval en de daartoe gestelde voorwaarden in artikel 16 van Protocol 3 bij Besluit nr. 1/98 wordt een dergelijk certificaat ook niet alsnog door de Turkse autoriteiten verstrekt. Middel II voor het overige faalt derhalve.

2.6.

Middel III kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.7.

Voor zover middel IV is gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende douaneschuldenaar is voor de douaneschuld die voortvloeit uit de aangiften die [DDD] B.V. in opdracht van belanghebbende heeft gedaan, behoeft dat middel, gelet op hetgeen hiervoor in 2.5.3.3 is overwogen, thans geen behandeling.

Middel IV is voor het overige gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende douaneschuldenaar is voor de douaneschuld die voortvloeit uit de aangiften die [EEE] B.V. in opdracht van belanghebbende heeft gedaan. In zoverre kan dit middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.8.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2, 2.3.3 en 2.5.3.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

2.8.1.

Het verwijzingshof moet in de eerste plaats onderzoeken of omstandigheden aanwezig zijn geweest die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Een omstandigheid kan zijn dat vanwege een niet aan de inspecteur toe te rekenen tijdsverloop de in artikel 221, leden 3 en 4, van het CDW genoemde (verjarings)termijnen in het gedrang komen (vgl. HR 13 november 2015, nr. 14/05685, ECLI:NL:HR:2015:3295, BNB 2016/43, rechtsoverweging 2.2.2). Wat betreft het schatten van de duur van de termijn die nodig is voor een belanghebbende om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken, wordt verwezen naar de aanwijzingen die het Hof van Justitie daarover heeft gegeven in zijn arrest van 18 december 2008, Sopropé – Organizações de Calçado Lda, C‑349/07, ECLI:EU:C:2008:746.

Voor het geval na verwijzing wordt vastgesteld dat de Inspecteur geen voldoende rechtvaardiging had om belanghebbende niet te horen voorafgaand aan de uitreiking van de uitnodigingen tot betaling, moet het verwijzingshof beoordelen of het besluitvormingsproces van de Inspecteur met betrekking tot het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling een andere afloop had kunnen hebben (vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 13/01275, ECLI:NL:HR:2015:2989, BNB 2015/227, HR 16 september 2016, nr. 15/01894, ECLI:NL:HR:2016:2077, BNB 2016/208, en HR 2 juni 2017, nr. 16/03921, ECLI:NL:HR:2017:959, BNB 2017/159).

2.8.2.

Indien het verwijzingshof op grond van de hiervoor in 2.8.1 bedoelde beoordeling tot de slotsom komt dat een of meer uitnodigingen tot betaling met betrekking tot de knoflook die met de oorsprong uit Rusland is aangegeven, in stand moeten blijven, dient het verwijzingshof bij de verdere behandeling het hierna volgende in aanmerking te nemen.

Indien de douaneautoriteiten een aangever tijdig in kennis ervan hebben gesteld dat zij het niet nodig vinden het genomen monster nog langer te bewaren en die aangever naar aanleiding van die kennisgeving niet heeft verzocht om teruggave van het monster, is de omstandigheid dat een monster in een gerechtelijke procedure niet meer ter beschikking staat van de inspecteur die aangever aan te rekenen, en draagt hij het daardoor ontstane bewijsrisico. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat de onderhavige knoflook van oorsprong uit China is.

Indien de douaneautoriteiten hebben nagelaten de aangever de hiervoor bedoelde kennisgeving te doen en deze ook niet achterwege mocht blijven, valt dat de Inspecteur aan te rekenen. In dat geval dient het verwijzingshof, uitgaande van de hiervoor in 2.5.3.3 omschreven bewijspositie van belanghebbende, aan de hand van de daartoe door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden te beoordelen of en zo ja welke gevolgen dit verzuim moet hebben.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2017.