Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2955

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
15/02972
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1225, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oplichting m.b.t. verkoop van elektronica en overnachten in hotel. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. vereiste dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot een van de in art. 326 Sr bedoelde handelingen. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte – door kort gezegd het gebruik van een valse naam en het bij de aangevers doen voorkomen dat hij goedkoop elektronische producten uit Andorra kon leveren – de aangevers heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag. Gelet op de door het Hof vastgestelde f&o en mede in aanmerking genomen dat het Hof de bewezenverklaring heeft doen steunen op de omstandigheid dat "verdachte binnen een korte periode telkens op soortgelijke wijze te werk is gegaan, in het bijzonder [door] telkens het gebruik van de valse naam ‘X’ en telkens het bij de aangevers doen voorkomen dat hij goedkoop elektronica […] kon leveren", is het oordeel van het hof dat de aangevers telkens door verdachtes handelen zijn bewogen tot de afgifte van een geldbedrag onjuist noch onbegrijpelijk. De enkele door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat nader onderzoek ertoe had kunnen leiden dat een onjuiste voorstelling van zaken zou worden doorzien, brengt niet mee dat een beoogd slachtoffer die onjuiste voorstelling van zaken ook zonder nader onderzoek had moeten doorzien. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0466
RvdW 2017/1260
NJB 2017/2299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 november 2017

Strafkamer

nr. S 15/02972

DAZ/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 juni 2015, nummer 20/002218-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de feiten 7, 8 en 9 alsmede wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van de onder 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde feiten voor zover het Hof telkens heeft bewezenverklaard dat de verdachte de in die tenlastelegging genoemde aangevers "heeft bewogen" tot de afgifte van de in die tenlastelegging genoemde bedragen en consumpties, dan wel tot het ter beschikking stellen van een hotelkamer.

3.2.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

5. hij in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 26 november 2012 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (een bedrag van 550 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide verkoper van twee iPads en een iPhone en voornoemde [betrokkene 1] voorgehouden dat hij, verdachte, iPhones en iPads kon leveren uit Andorra en zich als [verdachte] voorgesteld en zich voorgedaan als vertegenwoordiger van het bedrijf [A] en zich voorgedaan als een bonafide zakelijke relatie van de werkgever van voornoemde [betrokkene 1] , waardoor voornoemde [betrokkene 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

7. hij in de periode van 14 september 2012 tot en met 14 november 2012 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van 229 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide verkoper van iPhones en voomoemde [betrokkene 2] voorgehouden dat hij, verdachte, iPhones kon leveren uit Andorra en zich als [verdachte] voorgesteld en aan voornoemde [betrokkene 2] een business card overhandigd met de naam [verdachte] , waardoor voornoemde [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

8. hij in de periode van 3 december 2012 tot en met 11 december 2012 te Urmond, gemeente Stein, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 3] heeft bewogen tot de afgifte van 500 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide verkoper van televisies en tablets en voornoemde [betrokkene 2] voorgehouden dat hij, verdachte, iPhones en televisies kon leveren uit Andorra en zich als [verdachte] voorgesteld, waardoor [betrokkene 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

9. hij in de periode van 26 november 2012 tot en met 9 december 2012 te Urmond, gemeente Stein, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 4] heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van een hotelkamer voor meerdere nachten en de afgifte van drankjes en een bedrag van 430 euro, in elk geval enig goed en/of dienst, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als betalende hotelgast en als bonafide verkoper van Tv's en tablets en steunen voor televisies en voornoemde [betrokkene 4] voorgehouden dat hij, verdachte, televisies en tablets en steunen voor televisies kon leveren uit Andorra en zich als [verdachte] voorgesteld en [adres] in Spanje opgegeven als zijn, verdachtes, adres, waardoor [betrokkene 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

3.3.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 29 november 2012, dossierpagina's 107 en 108, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van oplichting tegen [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] , zich noemende [verdachte] ], Het feit werd gepleegd tussen 15 oktober 2012 en 26 november 2012 te Geleen binnen de gemeente Sittard-Geleen. Ik ben tot gisteren werkzaam geweest bij [B] . Ik ben daar op 1 augustus begonnen. Vanaf het begin zag ik daar [verdachte] iedere dag rondlopen. Ik begreep dat hij de tussenpersoon was tussen [B] en de Spaanse afnemer [A] . Hij was de neef van een van de eigenaren van deze winkelketen, zo vertelde hij. Op een gegeven moment raakte ik met hem in gesprek en kwamen wij over iPhones aan de praat. Hij vertelde mij dat hij via zijn oom [betrokkene 5] , via [A] , ook elektronica kon verkopen. Voor vrienden mocht hij die verkopen tegen inkoopsprijs. Verder vertelde hij mij dat die producten uit een fabriek in Andorra kwamen en dat daar geen belasting over deze producten betaald hoefde te worden. Mijn vrouw en ik besloten twee iPads en een iPhone bij [verdachte] te bestellen. Ik heb [verdachte] een totaalbedrag van 550 euro gegeven. Ik moest hem dit betalen en de producten zouden dan opgestuurd worden. De producten zouden van Andorra naar Spanje verscheept worden en als oom [betrokkene 5] zou komen om de contracten te tekenen, zou ik mijn spullen krijgen. Op 26 november 2012 bleek dat alles een grote leugen was en dat [verdachte] een oplichter was. Ik ben mijn geld kwijt door deze man.

2. Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 24 december 2012, dossierpagina's 79 tot en met 82, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 2] :

Ik doe aangifte van oplichting. Ik ben bewogen tot afgifte van 229 euro. Op 14 september 2012 kwam ik aan in het Bed & Breakfast van [betrokkene 6] gevestigd in de [a-straat 1] te Sittard. Ik raakte aan de praat met [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] , zich noemende [verdachte] ]. [verdachte] is de man van [betrokkene 6] [het hof begrijpt: de partner van de hiervoor bij de bewijsmiddelen van de feiten 1 en 2 genoemde [betrokkene 6] ]. [verdachte] zei mij dat hij vaak in Andorra kwam. [verdachte] zei mij dat hij via Andorra goedkoop aan iPhones kon komen. [verdachte] zei mij dat hij iPhones leverde voor ongeveer 100 euro per stuk. Ik had hier wel interesse in. Op 15 september 2012 gaf [verdachte] me zijn business card om eventueel contact op te nemen. Thuis aangekomen belde ik met [verdachte] en bestelde twee iPhones. Bij elkaar zouden de kosten ongeveer 200 euro zijn. [verdachte] zei mij dat ik de iPhones kon verzekeren voor verzending en dat zou ongeveer 29 euro kosten. De totale kosten waren 229 euro. Ik maakte op 1 oktober 2012 229 euro over naar [C] BV. De levering zou ongeveer een week duren. Op 14 oktober 2012 mailde ik met [verdachte] om door te geven dat de iPhones nog steeds niet binnen waren. Op 15 oktober 2012 belde ik met [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat er iets niet goed was gegaan met het versturen van het pakket met de iPhones. [verdachte] zei mij dat hij zou mailen wanneer hij in persoon de iPhones zou komen brengen. Op 22 oktober 2012 mailde [verdachte] mij weer dat hij in Nederland was. Hij zei in zijn mail dat hij woensdag langs zou komen. Ik ging er vanuit dat [verdachte] de iPhones zou komen brengen. Op woensdag 31 oktober 2012 kreeg ik een mail van [verdachte] waarin stond dat het fout was gegaan met zijn vrouw. [verdachte] beloofde mij dat hij achter de iPhones aan zou gaan. Ik kreeg toen argwaan. Ik geloofde [verdachte] niet meer. Ik vroeg in mijn mail mijn geld terug. Ik heb tot nu toe mijn geld nog niet teruggekregen. Ongeveer een maand later, ik schat ongeveer eind november 2012, kreeg ik een telefoontje van [betrokkene 6] . Ik hoorde dat [betrokkene 6] tegen mij zei dat haar huwelijk met [verdachte] over was. Ik hoorde ook dat [betrokkene 6] zei dat er veel meer gedupeerden zijn die door [verdachte] opgelicht zijn. Bij deze aangifte voeg ik de business card van [verdachte] en het overschrijvingsbewijs.

3. Kopie van een business card, dossierpagina 89, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

[verdachte]

[a-straat 1]

sittard

4. Kopie van een transactieoverzicht van de bankrekening van [betrokkene 2] , dossierpagina 88, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

01-10-2012 af € 77,00 ten gunste van [C] BV

01-10-2012 af € 152,00 ten gunste van [C] BV

5. Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 11 december 2012, dossierpagina's 140 en 141, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 3] en de opmerking van de verbalisant [verbalisant] :

Ik doe aangifte van oplichting. Ik verblijf momenteel in café/hotel [D] binnen de gemeente Stein. Op 3 december 2012 kwam ik aan de bar van het hotel aan de praat met een persoon. Deze persoon noemde zich [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] , zich noemende [verdachte] ], Op een gegeven moment raakten wij aan de praat over tablets. [verdachte] had zelf een tablet bij zich van het merk Samsung. [verdachte] kwam op een gegeven moment met het verhaal dat hij tablets en led tv's van het merk Samsung kon leveren voor een scherpe prijs. Ik hoorde van [verdachte] dat hij deze goederen voor inkoopprijs kon krijgen. Ik hoorde van hem dat hij voor de tablets per stuk 27,50 euro moest hebben en voor de tv's 400 euro per stuk. [verdachte] vertelde dat hij deze tablets via een kennis van hem in Andorra in Spanje kon bestellen. Ik heb toen tegen hem gezegd dat ik wel twee tv's en acht tablets van hem wilde kopen. Ik heb toen 500 euro bij [verdachte] aanbetaald. [verdachte] heeft mij toen op mijn verzoek een handgeschreven briefje gegeven waarop staat dat ik aan hem 500 euro heb betaald. Dit briefje werd door hem ondertekend.

[betrokkene 4] heeft toen acht tv's en vijf tablets bij [verdachte] besteld. [verdachte] had op zijn hotelkamer een eigen Samsung televisie. De televisies die wij van hem geleverd zouden krijgen zouden van eenzelfde merk en type zijn. De tablets zouden dezelfde zijn als de tablet die hij zelf bij zich had.

Nadat ik bij hem de betreffende goederen had aanbetaald, zijn we tot de overeenkomst gekomen dat ik ze op vrijdag 7 december 2012 van hem zou krijgen. Op vrijdag zei [verdachte] toen dat hij de betreffende goederen niet door de douane kreeg. [verdachte] zei tegen mij dat hij maandag de goederen zou gaan halen en dat ik ze daarna zou krijgen. Toen ik vervolgens op maandagavond in het hotel terugkwam, hoorde ik van [betrokkene 7] dat [verdachte] met de noorderzon vetrokken was. Ik heb hierna nog diverse malen getracht om [verdachte] te bellen. Op de achterzijde van het handgeschreven briefje heeft hij namelijk zijn gegevens gezet. Als ik de betreffende nummers bel, dan krijg ik telkens de voicemail.

Opmerking verbalisant: Ik toon aan de aangever enkele foto's die ik van [betrokkene 11] heb ontvangen [het hof begrijpt: de hiervoor bij feit 3 in bewijsmiddel 3 genoemde foto's van de verdachte].

Ja, dat is hem.

6. Kopie van een handgeschreven notitie, dossierpagina's 164 en 165, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

(voorzijde)

8x Tablet 27,50

2x Samsung TV led 55"

Aanbetaald 500 €

[handtekening]

(achterzijde)

[emailadres] hotmail.com

[06-001]

06- [002]

7. Ambtsedig proces-verbaal van aangifte van 12 december 2012, dossierpagina's 171 tot en met 173, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 4] :

Ik doe aangifte van oplichting. Ik ben eigenaar van café/restaurant/hotel [D] binnen de gemeente Stein. Op 26 november 2012 kwam een persoon in mijn hotel die voornemens was om te overnachten voor 19 dagen. De persoon heette [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] , zich noemende [verdachte] ]. De persoon heeft een formulier ingevuld. De klanten moeten altijd betalen nadat ze het hotel verlaten. [verdachte] gaf op als geboortedatum [geboortedatum] 1970, als beroep zelfstandige en als adres [adres] in Spanje. [verdachte] heeft een prijs met mij afgesproken voor de 19 dagen die hij zou blijven. De prijs was 50 euro per dag zonder ontbijt. [verdachte] heeft tot en met afgelopen 9 december 2012 in mijn hotel geslapen. Na 9 december 2012 heb ik [verdachte] niet meer gezien. [verdachte] heeft niets betaald en is met 'de noorderzon' vertrokken. Ik ben benadeeld door [verdachte] voor een bedrag van circa 950 euro berekend aan de hand van de afgesproken prijs. Tevens zou [verdachte] mij vijf tablets leveren en steunen voor een televisie voor in mijn hotel. Ik heb [verdachte] een voorschot van 430 euro gegeven. Ook heeft [verdachte] in mijn café/restaurant voor 65 euro drank genuttigd. Deze rekening is ook niet betaald door [verdachte] .

8. Proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 april 2014 bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, los gevoegd in het dossier, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 4] :

[verdachte] zou nieuwe tv's aan mij leveren. Hij zei dat die uit Andorra kwamen. Ik heb daarvoor € 430,- aanbetaald. [verdachte] kon die tv's voor een goede prijs leveren."

3.3.2.

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangevers [betrokkene 1] (feit 5), [betrokkene 2] (feit 7), [betrokkene 3] (feit 8) en [betrokkene 4] (feit 9) heeft opgelicht.

Anders dan door de verdediging is betoogd is het hof van oordeel dat voor wat betreft de feiten 5, 8 en 9 sprake is van voldoende steunbewijs als bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daarbij heeft het hof betrokken dat voor wat betreft de onder 5, 7, 8 en 9 ten laste gelegde oplichtingen telkens sprake is van soortgelijke feiten waarbij de verdachte binnen een korte periode telkens op soortgelijke wijze te werk is gegaan, in het bijzonder telkens het gebruik van de valse naam ' [verdachte] ' en telkens het bij de aangevers doen voorkomen dat hij goedkoop elektronica zoals iPhones, iPads, tablets en televisies uit Andorra kon leveren. In zoverre maakt het hof bij de feiten 5, 8 en 9 dan ook gebruik van zogenaamd schakelbewijs. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Het verweer van de verdediging dat voor wat betreft de feiten 5, 7, 8 en 9 niet kan worden bewezen dat de aangevers zijn bewogen tot de afgifte van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, diensten en goederen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen."

3.4.

Voor bewezenverklaring van oplichting is blijkens art. 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot een van de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, rov. 2.4.)

3.5.

Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte - door kort gezegd het gebruik van de valse naam ' [verdachte] ' en het bij de aangevers doen voorkomen dat hij goedkoop elektronische producten uit Andorra kon leveren - de aangevers heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde heeft het Hof bovendien vastgesteld dat de verdachte en de aangever werkzaam waren bij hetzelfde bedrijf, dat de verdachte de aangever heeft doen geloven dat de verdachte een neef was van een van de eigenaren van het Spaanse warenhuis [A] en dat hij als tussenpersoon werkzaam was tussen dat warenhuis en het bedrijf waar de aangever werkte. Voorts heeft het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring onder 7 vastgesteld dat de verdachte de aangever een business card heeft overhandigd met daarop zijn (valse) naam. Daarnaast heeft het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring onder 8 vastgesteld dat de verdachte de aangever in ruil voor diens aanbetaling een handgeschreven briefje heeft gegeven met daarop zijn contactgegevens, zijn (valse) naam en zijn handtekening. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het aan de verdachte onder 9 tenlastegelegde feit heeft het Hof ten slotte vastgesteld dat de verdachte zich tevens heeft voorgedaan als een bonafide klant die voornemens was te overnachten in het hotel van de aangever. In dat verband heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte valse persoonsgegevens heeft opgegeven en het voornemen heeft uitgesproken gedurende 19 dagen in het hotel te verblijven.

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het Hof de bewezenverklaring heeft doen steunen op de omstandigheid dat "de verdachte binnen een korte periode telkens op soortgelijke wijze te werk is gegaan, in het bijzonder [door] telkens het gebruik van de valse naam ' [verdachte] ' en telkens het bij de aangevers doen voorkomen dat hij goedkoop elektronica zoals iPhones, iPads, tablets en televisies uit Andorra kon leveren", geeft 's Hofs oordeel, inhoudende dat de aangevers van de onder 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde feiten telkens door verdachtes handelen zijn bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. De enkele door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat nader onderzoek ertoe had kunnen leiden dat een onjuiste voorstelling van zaken zou worden doorzien, brengt niet mee dat een beoogd slachtoffer die onjuiste voorstelling van zaken ook zonder nader onderzoek had moeten doorzien.

3.6.

Het middel faalt in zoverre.

3.7.

Ook voor het overige faalt het middel. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden.

5 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017.