Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:291

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
16/02257
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1222
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1221, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:2522, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 14, lid 2, Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970. Begrip ‘woning’ in verband met verlaagd tarief; een voor het opnemen van terminaal zieken ontworpen en ingericht pand is geen woning in de zin van deze bepaling. De objectieve kenmerken van het gebouwde zijn bepalend, en niet de contractuele relatie met de verhuurder van de woonunits of met degenen die de woonunits huren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0480 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2017/0494 met annotatie van Remco van der Zwan
V-N Vandaag 2017/419
V-N 2017/13.21.2
FED 2017/72 met annotatie van prof. dr. J.W. Zwemmer
BNB 2017/98 met annotatie van J.C. van Straaten
drs. W. Brink annotatie in NTFR 2017/542
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 februari 2017

nr. 16/02257

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2016, nr. 15/00729, op het hoger beroep van de Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/4260) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 23 november 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2016:1221 en ECLI:NL:PHR:2016:1222).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Bij akte van 14 juni 2013 heeft belanghebbende de eigendom verkregen van “het gebouw met bestemming woonhuis, waarin een hospice is gevestigd met ondergrond, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te (…) [Q] (…)” (hierna: het pand).

2.1.2.

De vergunning voor de bouw van het pand is in 2006 verleend en vermeldt als bestemming “hospice (thuis voor mensen in hun laatste levensfase)”. In de bouwvergunning is vermeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, waarbij het terrein is bestemd voor “woningen (W10)”.

2.1.3.

Het pand bestaat uit vier bouwlagen. In de kelder bevinden zich verkeersruimten (trappenhuis, lift en hal), twee logeerkamers met elk een doucheruimte, de pompput, de wasruimte, de badkamer voor mindervaliden en technische ruimten. Op de begane grond zijn verkeersruimten gelegen (de entree, de hal, het trappenhuis, de lift en de garderobe), alsmede de gemeenschappelijke woonkamer met serre, twee toiletten, de bibliotheek en de koosjere keuken (bestaande uit een aparte zuivelkeuken en een aparte vleeskeuken). Hier zijn tevens werkruimten gelegen, zoals het kantoor van de leiding, de berging, de werkkast en de voorraadkamer. Op de eerste en de tweede verdieping van het gebouw zijn, naast de verkeersruimten, in totaal zes woonunits gelegen, elk met een keuken/pantry, een bed en kastruimte. Op de eerste verdieping zijn twee doucheruimten gelegen en op de tweede verdieping is één doucheruimte gelegen.

2.1.4.

Belanghebbende verhuurt het pand aan de stichting [A] (hierna: [A]). [A] verhuurt de woonunits aan terminaal zieke personen voor een periode van drie maanden met mogelijkheid van verlenging. In de huurprijs is onder meer begrepen de ‘zorg en aandacht van het hospiceteam geheel bestaande uit vrijwilligers. Professionele (thuis- en medische) zorg wordt niet geboden of verzorgd door of via [[A]].’ Wel kan [A] desgevraagd en namens een bewoner contact opnemen met zorgverleners. Er is een huisarts verbonden aan het hospice, gespecialiseerd op het gebied van palliatieve zorg, maar bewoners kunnen ook hun eigen huisarts behouden. Voorts is in de huurprijs desgewenst de verzorging van eten en drinken begrepen. Belanghebbende en [A] vormen geen toegelaten verpleeginrichting.

2.2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van het pand op aangifte € 93.000 aan overdrachtsbelasting voldaan, zijnde zes percent van de koopsom. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende verzocht om het tarief van twee percent voor de verkrijging van een woning toe te passen. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.2.

Bij de Rechtbank en het Hof was in geschil of het pand voor de heffing van overdrachtsbelasting kan worden aangemerkt als een woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wbr).

2.2.3.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het, anders dan de Rechtbank had gedaan, voor de uitleg van het begrip ‘woning’ in artikel 14, lid 2, Wbr geen betekenis toekent aan de voor de heffing van onroerendezaakbelasting gewezen jurisprudentie over het woningkarakter van een hospice. Het pand is volgens het Hof naar zijn aard bestemd voor bewoning als bedoeld in artikel 14, lid 2, Wbr.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake is van een verzorgingsinstelling die volgens de wetsgeschiedenis niet als woning is aan te merken. Daartoe heeft het Hof mede gelet op de doelstellingen van belanghebbende en van [A], alsmede hun (contractuele) relatie met de bewoners.

Tegen deze oordelen keert zich het middel met rechts- en motiveringsklachten.

2.3.1.

Het middel slaagt voor zover het opkomt tegen ’s Hofs oordeel dat het pand niet kan worden aangemerkt als een verzorgingsinstelling.

De hiervoor in 2.1.3 weergegeven kenmerken van het pand laten geen andere slotsom toe dan dat het naar zijn aard is bestemd om dienst te doen als een verzorgingsinstelling en dus niet als woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wbr kan worden aangemerkt.

Daaraan doet niet af dat de benodigde zorg niet is begrepen in de huurprijs die aan de bewoners in rekening wordt gebracht en dat er geen artsen, verpleegkundigen, schoonmakers en ander gekwalificeerd personeel in dienst van belanghebbende en [A] zijn, en evenmin dat het hospice geen ‘verpleeginrichting’ is. Beslissend is de aard van het pand, gemeten naar zijn objectieve kenmerken. De contractuele relatie van de bewoners met de exploitant van het pand is daarvoor, anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen, niet bepalend.

2.3.2.

Aangezien het pand gelet op het hiervoor overwogene moet worden aangemerkt als een – voor de toepassing van artikel 14, lid 2, Wbr niet als woning aan te merken - verzorgingsinstelling, kunnen de overige in het middel vervatte klachten buiten behandeling blijven.

2.3.3.

Het onder 2.3.1 overwogene brengt mee dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Omdat het pand geen woning is in de zin van artikel 14, lid 2, Wbr is terecht zes percent overdrachtsbelasting op aangifte voldaan en heeft de Rechtbank het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep terecht ongegrond verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.