Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2904

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/05549
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1250, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:3360, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Onteigening SNS-aandeelhouders. Verzoek van Stichting Beheer SNS Reaal tot voorlopig getuigenverhoor met het oog op mogelijke schadevordering tegen SNS Reaal. Onaanvaardbare doorkruising van voor Ondernemingskamer aanhangige procedure tot waardevaststelling onteigende aandelen (art. 6:11 Wft)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0296
AR 2017/6086
RvdW 2017/1197
NJB 2017/2288
Ondernemingsrecht 2018/9 met annotatie van mr. M.W. Josephus Jitta
NJ 2018/28 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RF 2018/16
RO 2018/10
RBP 2018/12
NTHR 2018, afl. 1, p. 46
JONDR 2018/79
JOR 2018/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2017

Eerste Kamer

16/05549

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

De stichting STICHTING BEHEER SNS REAAL,
gevestigd te Utrecht,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. SRH N.V.,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

2. de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als Stichting Beheer en verweerders als SNS Reaal en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak C/13/553583/HA RK 13-357 van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2013 en 15 januari 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.168.129/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 augustus 2016.

De beschikking van het hof is aan deze de beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft Stichting Beheer beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

SNS Reaal en de Staat hebben ieder verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

De advocaat van Stichting Beheer heeft bij brief van 8 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Stichting Beheer hield tot 1 februari 2013 een aantal aandelen in SNS Reaal. SNS Reaal houdt alle aandelen in SNS Bank N.V. (hierna: SNS Bank), welke vennootschap het bankbedrijf uitoefent. SNS Bank hield tot 31 december 2013 alle aandelen in SNS Property Finance B.V.

  • -

    ii) Als gevolg van de kredietcrisis in 2008 zijn bij SNS Bank problemen ontstaan. Deze problemen hebben zich vanaf 2009 verdiept.

  • -

    iii) Bij besluit van 1 februari 2013 van de minister van Financiën (hierna: de minister) zijn de effecten in en vermogensbestanddelen van SNS Reaal en SNS Bank op de voet van hoofdstuk 6 van de Wft onteigend in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel. Tot de onteigende effecten behoren de hiervoor onder (i) vermelde aandelen die Stichting Beheer hield in SNS Reaal.

  • -

    iv) Op 4 maart 2013 heeft de minister op de voet van art. 6:10 Wft de rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen een aanbod tot schadeloosstelling gedaan, neerkomende op een bedrag van € 0,-- per effect of vermogensbestanddeel. Bij verzoekschrift van dezelfde dag heeft de minister op de voet van art. 6:10 Wft de ondernemingskamer verzocht de schadeloosstelling overeenkomstig het aanbod vast te stellen.

  • -

    v) In de daarop gevolgde schadeloosstellingsprocedure, waarin Stichting Beheer als belanghebbende is verschenen, heeft de ondernemingskamer op 11 juli 2013 een (tussen)beschikking gegeven, waarvan tussentijds cassatieberoep is opengesteld. De Hoge Raad heeft de beschikking van de ondernemingskamer vernietigd bij beschikking van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361. Vervolgens heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 26 februari 2016 een deskundigenonderzoek bevolen en drie deskundigen benoemd.

3.2

Het onderhavige geding betreft een verzoek van Stichting Beheer tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Het hof heeft in rov. 3.1 de gronden van het verzoek aldus samengevat, dat SNS Reaal jegens Stichting Beheer onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende verplichting informatie aan Stichting Beheer te onthouden, met als gevolg dat Stichting Beheer in de schadeloosstellingsprocedure bij de ondernemingskamer geen deugdelijk verweer heeft kunnen voeren.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

3.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge art. 186 Rv in verbinding met art. 166 lid 1 Rv als hoofdregel dat de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een der partijen dit verzoekt, de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en deze feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, evenwel te worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, alsmede op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar. Voorts bestaat geen aanleiding om het verzoek onttrokken te achten aan de in art. 3:303 BW neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt. Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt. (rov. 3.3)

Stichting Beheer wenst door middel van een voorlopig getuigenverhoor feiten te bewijzen die volgens haar van belang kunnen zijn voor een door haar tegen SNS Reaal aanhangig te maken civiele procedure tot vergoeding van door Stichting Beheer geleden schade. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Stichting Beheer benadrukt dat de schade waarvoor zij SNS Reaal aansprakelijk houdt, uitsluitend ziet op de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen (door de minister gewaardeerd op nihil). In dit licht bezien, is het hof van oordeel dat Stichting Beheer onvoldoende belang heeft bij het onderhavige verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. In de schadeloosstellingsprocedure op de voet van art. 6:11 Wft, die bij de ondernemingskamer aanhangig is en waarin Stichting Beheer als betrokkene is verschenen, stelt de ondernemingskamer voor betrokkene een hogere schadeloosstelling vast, voor zover zij aannemelijk acht dat het aanbod van de minister geen volledige vergoeding vormt voor de door betrokkene geleden schade. Die schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor de schade die betrokkene rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn vermogensbestanddeel, effect of vordering of vervallen recht lijdt (art. 6:8 lid 1 Wft). De ondernemingskamer heeft met het oog op de vaststelling van de schadeloosstelling in het onderhavige geval deskundige voorlichting wenselijk geacht en heeft een deskundigenonderzoek gelast naar de werkelijke waarde, in de zin van art. 6:8 lid 2 Wft, van (onder meer) de (onteigende) effecten en vermogensbestanddelen van Stichting Beheer. Bij die beschikking heeft de ondernemingskamer de deskundigen opgedragen alle omstandigheden in aanmerking te nemen die voor die waarde (van de effecten en vermogensbestanddelen) bepalend zijn. Dat betekent dat alle aspecten die volgens Stichting Beheer noodzakelijk zijn voor de waardebepaling en waarover zij in het voorlopig getuigenverhoor getuigen wil laten horen, in het kader van het deskundigenonderzoek in de schadeloosstellingsprocedure door Stichting Beheer aan de orde kunnen worden gesteld. Bij deze stand van zaken heeft Stichting Beheer niet een rechtens te respecteren belang bij het doen horen van de door haar bedoelde getuigen in een voorlopig getuigenverhoor. (rov. 3.4)

3.4

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft afgewezen.

Volgens het middel moet in cassatie veronderstellenderwijs worden aangenomen dat Stichting Beheer een lagere schadeloosstelling voor haar onteigende effecten zal (kunnen) worden toegekend dan indien SNS Reaal de verzwegen informatie wel volledig en tijdig aan Stichting Beheer zou hebben verstrekt. Aan het belang van Stichting Beheer doet niet af dat door het voorlopig getuigenverhoor informatie zal vrijkomen die nog in de schadeloosstellingsprocedure zal kunnen worden ingebracht. De suggestie dat het verloop van het deskundigenonderzoek moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen of wel sprake is van verzwegen informatie, miskent dat dan verborgen blijft welke aanvullende informatie uit het (immers dan niet gehouden) voorlopig getuigenverhoor had kunnen komen. Hoewel de door de ondernemingskamer vast te stellen schadeloosstelling tussen Stichting Beheer en de minister gezag van gewijsde zal krijgen, kan SNS Reaal, als zelf niet bij de ondernemingskamerprocedure betrokken partij, worden veroordeeld tot vergoeding van schade aan Stichting Beheer op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad. Stichting Beheer zal in de schadeloosstellingsprocedure alle naar haar inzicht relevante aspecten wel mogen aandragen, maar Stichting Beheer zal dit door het verzwijgen door SNS Reaal niet kunnen doen. Het hof heeft miskend dat de ‘geen belang, geen actie’-barrière slechts met grote terughoudendheid mag worden ingeroepen. Waar in de schadeloosstellingsprocedure (op basis van de art. 6:10 en 6:11 Wft en art. 198 Rv) de regie in handen is van de benoemde deskundigen, zou Stichting Beheer in een voorlopig getuigenverhoor tot op grote hoogte zelf de regie hebben. Het getuigenverhoor kan bovendien op relatief korte termijn worden georganiseerd, hetgeen niet geldt voor het deskundigenonderzoek. Stichting Beheer zal in het getuigenverhoor de vragen mede specifiek kunnen richten op de rechtsplicht tot het verschaffen van informatie. Die kwestie speelt in de ondernemingskamerprocedure geen relevante rol.

3.5.1

Bij de beoordeling van de klachten van het middel dient tot uitgangspunt dat – zoals het hof in rov. 3.4, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld – (i) het door Stichting Beheer verzochte voorlopig getuigenverhoor ertoe dient feiten te bewijzen die volgens haar van belang kunnen zijn voor een door haar tegen SNS Reaal aanhangig te maken civiele procedure tot vergoeding van door Stichting Beheer geleden schade, en (ii) de schade waarvoor Stichting Beheer SNS Reaal aansprakelijk houdt, uitsluitend ziet op de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen.

3.5.2

Voor de bepaling van de waarde van onteigende effecten en vermogensbestanddelen als hiervoor in 3.5.1 bedoeld, voorziet de Wft in een bijzondere regeling (art. 6:2 e.v. Wft). Deze regeling is gericht op volledige vergoeding van de schade die de rechthebbende rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn vermogensbestanddeel of effect (art. 6:8 lid 1 Wft). Vergoed wordt de werkelijke waarde van het onteigende vermogensbestanddeel of effect, uitsluitend voor degene aan wie het toekomt (art. 6:8 lid 2 Wft). Die werkelijke waarde wordt vastgesteld door de ondernemingskamer (art. 6:10 lid 1 Wft). De ondernemingskamer stelt de schadeloosstelling zelfstandig vast, en kan zich daarbij baseren op alle in de procedure gebleken feiten en omstandigheden of op een door haar zelf bevolen deskundigenbericht (zie HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, rov. 4.8.2).

De keuze van de wetgever voor de ondernemingskamer is ingegeven door de expertise die deze kamer heeft in procedures waarin waarderingsaspecten een rol spelen, terwijl zij ook beschikt over waarderingsdeskundigen onder haar raden (Kamerstukken II 2011-2012, 33 059, nr. 3, p. 76 en Kamerstukken I 2011-2012, 33 059, C, p. 3).

De ondernemingskamer behandelt het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken (art. 6:11 lid 1 Wft). Op de procedure zijn de bepalingen over bewijs (art. 150 e.v. Rv) van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 lid 1 Rv). Tot die bepalingen behoren ook de art. 163 e.v. Rv over het getuigenverhoor en de art. 186 e.v. Rv over het voorlopig getuigenverhoor. De omstandigheid dat de ondernemingskamer deskundigen heeft benoemd, verhindert niet dat die kamer (ook) zelf getuigen hoort – ambtshalve of indien daarom wordt verzocht – indien dit voor de waardebepaling van belang is.

3.5.3

Uit hetgeen hiervoor in 3.5.1 is overwogen, volgt dat het verzoek van Stichting Beheer is gericht op het verkrijgen van informatie die van belang is voor de vaststelling van de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Zoals hiervoor in 3.5.2 is overwogen, heeft de wetgever voor de vaststelling van die waarde voorzien in een bijzondere rechtsgang bij een gespecialiseerde rechter. Daarin kunnen alle bij de onteigening betrokken partijen inbreng hebben, worden de voor de schadeloosstelling relevante feiten vastgesteld, en wordt de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen op uniforme wijze vastgesteld.
Met doel en strekking van de procedure van art. 6:11 Wft is niet verenigbaar dat het feitenonderzoek wordt doorkruist of op de uitkomst van de procedure wordt vooruitgelopen door middel van een voorlopig getuigenverhoor dat in wezen eveneens betrekking heeft op de vaststelling van de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, maar dat plaatsvindt ten overstaan van een andere rechter dan de door de wet aangewezen gespecialiseerde rechter en zonder dat andere bij de onteigening betrokken partijen in de gelegenheid zijn op het verhoor invloed uit te oefenen.

3.5.4

Het bovenstaande geldt ook in het onderhavige geval, waarin het voorlopig getuigenverhoor naar de stellingen van Stichting Beheer wordt verzocht met het oog op een (mogelijke) individuele schadevordering tegen SNS Reaal, die geen partij is in de procedure voor de ondernemingskamer. De omstandigheid dat SNS Reaal in de procedure op de voet van art. 6:11 Wft geen partij is, verhindert niet dat de desbetreffende getuigen worden gehoord ten overstaan van de ondernemingskamer. De stelling van Stichting Beheer dat SNS Reaal ten onrechte informatie heeft verzwegen die relevant is voor de vaststelling van de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, is van belang voor de aan alle onteigenden toe te kennen schadeloosstelling en een onderzoek daarnaar hoort, nu de schadeloosstellingsprocedure voor de ondernemingskamer nog loopt, thuis in de daarvoor ingerichte procedure.

3.5.5

Op het vorenstaande stuiten alle klachten van het middel af.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Stichting Beheer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SNS Reaal begroot op € 853,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris en aan de zijde van de Staat begroot op € 853,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 17 november 2017.