Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17/02490
Formele relaties
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2018:1600
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 3:3 en 3:4 BW, koel- en rijpingscellen en stellages in bedrijfsgebouw onroerend?, motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2869 met annotatie van Yves Gassler
V-N Vandaag 2017/2696
V-N 2017/57.11.1
BNB 2018/29
Viditax (FutD), 17-11-2017
FutD 2017-2878
R. van Haperen annotatie in NTFR 2017/2930
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2017

nr. 17/02490

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 april 2017, nr. BK-16/00507, op het hoger beroep van [X] Holding B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/3183) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft de eigendom verworven van een bedrijfsgebouw dat is ingericht voor geconditioneerde opslag en rijping van fruit. In het bedrijfsgebouw bevinden zich door de vorige eigenaar aangebrachte koel- en rijpingscellen en stellages.

2.1.2.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan, gelijk aan zes percent van € 10.135.900, zijnde het ter zake van de verwerving van het bedrijfspand betaalde bedrag. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.

2.2.

In (hoger) beroep was in geschil of de koel- en rijpingscellen en de stellages onroerend zijn in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en om die reden behoren tot de grondslag voor de heffing van de overdrachtsbelasting.

2.3.

Het Hof heeft, anders dan de Rechtbank, geoordeeld dat de koel- en rijpingscellen en de stellages niet zijn aan te merken als bestanddelen van het bedrijfsgebouw in de zin van artikel 3:4 BW.

Het Hof heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat vermindering van het ter verwerving van het bedrijfsgebouw betaalde bedrag met de waarde van die koel- en rijpingscellen en stellages ertoe leidt dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over € 8.000.000, en heeft met vernietiging van de uitspraak op bezwaar een daarmee overeenstemmende teruggaaf verleend.

2.4.1.

Het eerste middel klaagt erover dat het Hof weliswaar een oordeel heeft gegeven over de toepassing van artikel 3:4 BW, maar heeft verzuimd te beoordelen of de koel- en rijpingscellen en de stellages naar de maatstaf van artikel 3:3 BW als onroerend moeten worden beschouwd.

2.4.2.

Het middel slaagt. Blijkens diens in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat uit de artikelen 3:3 en 3:4 BW en de op deze wettelijke bepalingen betrekking hebbende rechtspraak volgt dat de koel- en rijpingscellen en de stellages onroerend zijn. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de Inspecteur dit standpunt ondubbelzinnig heeft prijsgegeven voor zover het gaat om de toepassing van artikel 3:3 BW. Daarom had het Hof ook een gemotiveerd oordeel moeten geven over dit standpunt van de Inspecteur. Dat heeft het Hof verzuimd, zodat zijn uitspraak onvoldoende is gemotiveerd.

2.5.1.

Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof op onjuiste of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de koel- en rijpingscellen en de stellages niet zijn aan te merken als bestanddelen van het bedrijfsgebouw.

2.5.2.

Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van de bij toepassing van artikel 3:4 BW aan te leggen maatstaf en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt.

2.6.

Uit hetgeen hiervoor in 2.4.2 is overwogen, volgt dat ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.