Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2872

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
17/01928
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:1075, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 14a, lid 1, Wet BPM; beëindiging van de registratie in het Nederlands kentekenregister van een personenauto vanwege overbrenging naar een andere lidstaat; geen recht op betaling van een bedrag aan BPM indien voor de auto niet eerder BPM ter zake van de registratie van die auto in het Nederlands kentekenregister is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2877 met annotatie van Heleen Elbert
V-N Vandaag 2017/2692
BNB 2018/35 met annotatie van B.A. van Brummelen
V-N 2017/58.17 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 17-11-2017
FutD 2017-2879
DouaneUpdate 2017-0610
Rolleman annotatie in NTFR 2017/2868
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2017

nr. 17/01928

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2017, nr. 15/01037, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/5393) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende handelt in (gebruikte) personenauto’s. Op 25 maart 2014 heeft zij voor een personenauto (hierna: de auto) de tenaamstelling in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens doen beëindigen in verband met de overbrenging van de auto naar Duitsland en de registratie in het kentekenregister van dat land.

2.1.2.

De auto is op 14 maart 2008 in het Verenigd Koninkrijk voor het eerst toegelaten tot de openbare weg en is in verband daarmee in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd in het aldaar aangehouden kentekenregister. De auto is op 16 maart 2009 door de toenmalige eigenaar (hierna: de eigenaar) overgebracht van het Verenigd Koninkrijk naar Nederland in verband met zijn verhuizing naar Nederland.

2.1.3.

In verband met de hiervoor in 2.1.2 bedoelde overbrenging van de auto naar Nederland heeft de eigenaar verzocht om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op de voet van artikel 14, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met artikel 4, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Deze vrijstelling (een zogenoemde verhuisboedelvrijstelling) is bij beschikking van 31 maart 2009 verleend (hierna: de vrijstellingsbeschikking).

2.1.4.

Na de overbrenging naar Nederland is de auto op naam van de eigenaar geregistreerd in het hier te lande aangehouden kentekenregister. Ter zake van de registratie is aan de eigenaar - die daartoe de vrijstellingsbeschikking heeft overgelegd - op de voet van artikel 14 van de Wet vrijstelling van bpm verleend.

De RDW heeft voor de auto een kentekenbewijs afgegeven met als datum van eerste toelating 20 april 2009. Op het kentekenbewijs heeft de RDW een bedrag van € 54.720 als bruto bpm vermeld. Tijdens de keuring ten behoeve van de registratie in Nederland heeft de RDW een kilometerstand van de auto van 354 opgenomen.

2.1.5.

De eigenaar heeft de auto bij belanghebbende ingeruild bij de aankoop van een andere personenauto. Het kenteken van de auto is vervolgens op naam van belanghebbende gesteld. Nadat belanghebbende de tenaamstelling van het kenteken van de auto heeft doen beëindigen, heeft zij op 25 maart 2014 de Inspecteur verzocht haar op de voet van artikel 14a, lid 1, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit een bedrag van € 14.506 aan bpm terug te geven (hierna: het teruggaafverzoek).

2.1.6.

Bij beschikking van 26 mei 2014 heeft de Inspecteur het teruggaafverzoek afgewezen op de grond dat ter zake van de registratie van de auto in Nederland geen bpm is betaald. Belanghebbende neemt het standpunt in dat zij niettemin recht op teruggaaf van bpm heeft, omdat volgens haar destijds de verhuisboedelvrijstelling ten onrechte aan de eigenaar is verleend. Gelet op de kilometerstand van de auto ten tijde van de registratie in Nederland moest, aldus belanghebbende, de auto naar nationale wet- en regelgeving als nieuw en ongebruikt worden aangemerkt zodat niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verhuisboedelvrijstelling kan zijn voldaan.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht op teruggaaf van bpm heeft aangezien niet vaststaat dat de Inspecteur bij de registratie van de auto in Nederland de verhuisboedelvrijstelling ten onrechte heeft verleend.

2.3.

De middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.

2.4.

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. In het onderhavige geval staat vast dat vanwege een vrijstellingsbeschikking ter zake van de registratie van de auto in Nederland in 2009 geen bpm is voldaan. Artikel 14a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 voorziet bij beëindiging van de tenaamstelling van een personenauto niet in (een aanspraak op) betaling van een bedrag aan bpm dat niet eerder als verschuldigde belasting aan de belastingdienst behoefde te worden voldaan. De Inspecteur heeft reeds daarom terecht afwijzend op het teruggaafverzoek beslist. ’s Hofs oordeel is derhalve juist, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.