Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2861

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
14-11-2017
Zaaknummer
16/03326
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1239, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedragen onder klager i.h.k.v. strafzaak tegen klager en zijn broers. 1. Termijn voor hernieuwd beklag, art. 552a.3 en 552a.4 Sv. 2. Ontvankelijkheid cassatieberoep na last tot teruggave, art. 134.1 en 116.1 Sv.

Ad 1. N.a.v. de in de CAG opgeworpen vraag of de termijnen van art. 552a.3 Sv en art. 552a.4 Sv ook van toepassing zijn in het geval van een hernieuwd beklag na inbeslagneming van de voorwerpen merkt de HR op dat mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 552a.3 tweede volzin Sv moet worden aangenomen dat de in art. 552a.3 Sv genoemde termijn ook van toepassing is in het geval van een hernieuwd beklag. Datzelfde geldt in voorkomende gevallen voor het bepaalde in art. 552a.4 Sv.

Ad 2. Op de gronden zoals weergegeven in de CAG kan klager niet worden ontvangen in het cassatieberoep, nu de OvJ een last tot teruggave aan klager van de inbeslaggenomen geldbedragen heeft gegeven. CAG: klager heeft geen afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat ze hem toebehoren. Met de door de OvJ gegeven last tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen geldbedragen is ex art. 134 Sv aan dat beslag een einde gekomen, ongeacht of dat voorwerp feitelijk is teruggeven. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0459
RvdW 2017/1219
NJB 2017/2236
JOW 2017/42
NJ 2018/229 met annotatie van Redactie, F. Vellinga-Schootstra
NBSTRAF 2018/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 november 2017

Strafkamer

nr. S 16/03326 B

CB/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 14 juni 2016, nummer RK 16/620, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Op de gronden zoals weergegeven in de conclusie onder 3.6, 3.12 en 3.13 kan de klager niet worden ontvangen in het cassatieberoep nu de Officier van Justitie een last tot teruggave aan de klager van de inbeslaggenomen geldbedragen heeft gegeven.

2.2.

Naar aanleiding van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.17 opgeworpen vraag of de termijnen van het derde en het vierde lid van art. 552a Sv ook van toepassing zijn in het geval van een hernieuwd beklag na inbeslagneming van de voorwerpen merkt de Hoge Raad het volgende op.

2.3.1.

Art. 552a, derde en vierde lid, Sv luidt:

"3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid."

2.3.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11, houdt onder meer in:

"De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van artikel 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming der voorwerpen moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat waanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechterlijk en het civielrechterlijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van art. 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede is begrepen een s.f.o. en de ontnemingsprocedure, nog loopt. De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag «zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming» moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten.

Wordt geen vervolging ingesteld, dan blijft de bestaande termijn (...) gelden (...)"

(Kamerstukken II 1989/1990, 21 504, nr 3, p. 44-45)

2.4.

Mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 552a, derde lid tweede volzin, Sv, moet worden aangenomen dat de in art. 552a, derde lid, Sv genoemde termijn ook van toepassing is in het geval van een hernieuwd beklag. Datzelfde geldt in voorkomende gevallen voor het bepaalde in het vierde lid van art. 552a Sv.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2017.