Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2850

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
16/02607
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:662, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid notaris. Art. 21 Wet notarisambt. Medewerking notaris aan akte waarin vader recht van hypotheek vestigt tot zekerheid voor nakoming van geldleenovereenkomsten met twee van zijn kinderen, maar ook tot verhaal van vorderingen uit ouderlijke boedelverdeling van vooroverleden moeder en schenkingen op papier die aan alle kinderen hebben plaatsgevonden. Advies tot onterving. Reikwijdte maatstaf HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 (Novitaris); motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0237

Uitspraak

10 november 2017

Eerste Kamer

16/02607

LZ/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de notaris] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , Frankrijk,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M. Littooij.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Notaris en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/05/253826/HA ZA 13-750 van de rechtbank Gelderland van 5 februari 2014 en 14 mei 2014;

b. de arresten in de zaak 200.155.185 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2015 en 9 februari 2016 (verbeterd bij arrest van 1 maart 2016).

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 14 juli 2015 en9 februari 2016 heeft de Notaris beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping in het principaal cassatieberoep en tot vernietiging en verwijzing in het incidenteel cassatieberoep.

De advocaat van de Notaris heeft bij brief van4 augustus 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De op 1 augustus 1994 overleden moeder van [verweerder] (hierna: de moeder) had in haar testament een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 (oud) BW) gemaakt tussen haar echtgenoot (hierna: de vader) en haar kinderen. Daarbij zijn alle goederen van haar nalatenschap toegedeeld aan de vader onder de verplichting alle schulden over te nemen en om aan ieder van haar kinderen ( [verweerder] en zijn zusters [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) een bedrag ter grootte van hun erfdeel uit te keren. Bij het vaststellen van dit erfdeel is geen rekening gehouden met vermogen in Zwitserland dat de vader en moeder niet hadden betrokken in hun belastingaangiften in Nederland.

(ii) In 2006 is het aandeel van de moeder in het Zwitserse vermogen verdeeld onder de kinderen; zij ontvingen uit hoofde daarvan ieder € 225.000,--. In 2008 is het aandeel van de vader in dat vermogen verdeeld, op grond waarvan ieder van de kinderen een bedrag van € 183.000,-- heeft ontvangen.

(iii) Bij notariële akte van 18 februari 2008 heeft de vader aan elk van zijn kinderen uit vrijgevigheid een bedrag van € 49.237,-- schuldig erkend. In de jaren daarvoor waren ook aan alle vier kinderen schenkingen op papier gedaan. Deze schenkingen zijn door de vader tijdens zijn leven niet uitgevoerd.

(iv) In 2010 heeft de vader naar aanleiding van een onderzoek van de belastingdienst, in het kader van de zogenoemde ‘inkeerregeling’ afspraken met de inspecteur gemaakt. Daarbij is aan de vader in verband met het vermogen in Zwitserland één navorderingsaanslag van € 448.062,-- opgelegd. Ook [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verweerder] hebben gebruik gemaakt van de inkeerregeling.

(v) Om aan zijn belastingverplichtingen te kunnen voldoen, heeft de vader € 175.000,-- geleend van [betrokkene 2] en € 175.000,-- van [betrokkene 3] en haar echtgenoot. Deze geldleningen zijn vastgelegd bij akten die op 6 januari 2010 ten overstaan van de Notaris zijn verleden. Op diezelfde datum heeft de vader bij een akte verleden ten overstaan van de Notaris een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en haar echtgenoot tot een bedrag van € 750.000,-- (te vermeerderen met rente en kosten begroot op € 300.000,--) op de twee destijds aan hem toebehorende onroerende zaken. Dit recht van hypotheek strekte tot zekerheid voor de betaling van al wat hij als schuldenaar aan ieder van hen verschuldigd was of zou worden, in elk geval voor wat hij ieder van hen verschuldigd was uit hoofde van:

(a) de twee hiervoor vermelde geldleningen ter grootte van € 175.000,--;

(b) de hiervoor onder (iii) vermelde akte van schuldigerkenning ter grootte van € 49.237,-- in hoofdsom;

(c) een akte houdende vaststelling waarde erfdelen per persoon groot € 23.642,30 die op 8 oktober 1996 voor de Notaris is verleden.

(vi) Bij brief van 11 december 2009 heeft de Notaris aan de vader, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en haar echtgenoot het volgende geschreven:

“(…) Naar aanleiding van de besprekingen die ik met u heb gevoerd zend ik hierbij het ontwerp van de akte waarin vader zekerheid geeft voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de in de akte genoemde personen. Deze zekerheidstelling betreft niet alleen de schuldverhouding die zal ontstaan ten gevolge van binnenkort door de desbetreffende (schoon)kinderen aan vader te lenen gelden, maar ook de schuldverhoudingen die vanuit het verleden bestaan (schenkingen op papier en erfdelen moeder). Nogmaals wil ik in overweging geven om de zekerheidstelling te beperken tot de schulden die ontstaan vanwege de binnenkort te sluiten geldleningsovereenkomsten en niet voor die uit het verleden te laten plaatsvinden. (…)

Ik verzoek u de akte door te nemen en mij te laten weten of u met de inhoud akkoord kunt gaan. (…)”

(vii) In een brief van de Notaris aan de vader van 5 januari 2010 staat onder meer het volgende:

“Zoals aan u bekend zal ik op 6 januari 2010 bij u aan huis verschijnen om onder meer de akte te ondertekenen waarin door u zekerheid zal worden gegeven voor de nakoming van uw verplichtingen aan twee (…) van uw vier kinderen.

Nogmaals wijs ik u uitdrukkelijk op het feit dat u de zekerheid voor alle schulden aan uw twee dochters (…) geeft. U geeft dus niet alleen voor de schuld uit de thans te sluiten geldleningsovereenkomst zekerheid, maar ook voor andere schulden, waaronder uitdrukkelijk begrepen die aan uw genoemde dochters terzake van de schenkingen op papier uit 2008 en van de erfdelen uit de nalatenschap van uw echtgenote. Daarmee geeft u hen ook terzake van deze schulden een bevoorrechte positie ten opzichte van uw andere kinderen. Dit zal vooral aan de orde zijn als mocht blijken dat bij uw overlijden de baten van uw nalatenschap minder waard zijn dan alle schulden (…). Daardoor worden niet alleen de schulden aan hen uit de nu te tekenen geldleningsovereenkomst voldaan maar waarschijnlijk ook (een deel van) die aan uw genoemde dochters terzake van de schenking op papier en het erfdeel uit de nalatenschap van uw echtgenote. Uw andere kinderen zullen bij een te lage waarde van de baten minder of mogelijk zelfs niets ontvangen. In het gesprek dat ik hierover eerder met u had heeft u aangegeven dat u zich dit realiseert, maar dat u de bevoorrechte positie van de schenkingen op papier en de erfdelen wenst te realiseren. Desalniettemin acht ik het juist u hier nogmaals op te wijzen en ik zal in ons gesprek op 6 januari een en ander nogmaals met u bespreken.”

(viii) Op 27 januari 2010 heeft de vader bij akte, verleden ten overstaan van de Notaris, alle eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en [betrokkene 3] en [betrokkene 2] benoemd tot zijn enige erfgenamen en tot executeurs. [verweerder] en [betrokkene 1] zijn onterfd.

(ix) De vader is op 6 juli 2011 overleden. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben zijn nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij hebben als vereffenaars bij notariële akte een boedelbeschrijving doen opmaken.

(x) De bezittingen van de erflater bedroegen in totaal € 507.645,--, waarvan het grootste deel werd gevormd door de onroerende zaken waarop het hiervoor onder (v) vermelde recht van hypotheek was gevestigd. De schulden bedroegen in totaal € 791.751,50. Zij bestonden vrijwel geheel uit schulden aan de vier kinderen.

(xi) Na voldoening van de hypotheekhouders konden de vorderingen van [betrokkene 1] en [verweerder] op de nalatenschap ten bedrage van € 114.303,-- respectievelijk € 111.576,-- niet meer uit de nalatenschap worden voldaan.

(xii) Op klachten van [verweerder] en [betrokkene 1] over het handelen van de Notaris heeft de Notaris- en gerechtsdeurwaarderkamer van het gerechtshof Amsterdam bij beslissing van 25 juni 2013 geoordeeld dat de Notaris onzorgvuldig heeft gehandeld door de vader onder de gegeven omstandigheden te adviseren over zijn testament in aanwezigheid van erfgenamen die voordeel hebben bij het aan de vader gegeven advies. De klachten zijn in zoverre gegrond verklaard. Aan de Notaris is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

3.2

[verweerder] en [betrokkene 1] hebben voor de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat de Notaris jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld alsmede veroordeling van de Notaris tot schadevergoeding met enkele nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.3

In het (alleen) door [verweerder] ingestelde hoger beroep heeft het hof het (eind)vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover gewezen tussen [verweerder] en de Notaris en voor recht verklaard dat de Notaris onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] door op 6 januari 2010 mee te werken aan het verlijden van de hypotheekakte tussen de vader en [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , voor zover daarbij zekerheid is verleend voor de andere vorderingen dan die uit geldlening en die ter zake van voorgeschoten kosten van levensonderhoud. Het hof heeft de Notaris veroordeeld om een bedrag van € 34.979,76 in hoofdsom aan [verweerder] te betalen.

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Samengevat en voor zover voor het principale beroep van belang, heeft het hof in zijn tussenarrest van 14 juli 2015 als volgt geoordeeld. Na in rov. 4.19 de maatstaven van HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479 (Novitaris) te hebben vooropgesteld, heeft het hof in rov. 4.24 geoordeeld dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geen rechtmatig belang hadden bij het verlangen van recht van hypotheek voor de vorderingen op de vader, behoudens de beide geldleningen van € 175.000,-- (zie hiervoor in 3.1 onder (v)). Dusdoende hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 2] de gelijke mogelijkheden doorkruist die de vier kinderen hadden tot verhaal van hun vorderingen uit de ouderlijke boedelverdeling en uit de schenkingen op papier. Er bestond een concreet gevaar dat [verweerder] en [betrokkene 1] hun vorderingen niet op de nalatenschap zouden kunnen verhalen en dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. De Notaris wist van dit gevaar. Onder deze omstandigheden had hij moeten weigeren mee te werken aan het verlijden van de hypotheekakte voor zover daarbij zekerheid werd verleend voor de andere vorderingen dan die uit de beide geldleningen, aldus het hof.

4.2.1

Onderdeel 2 van het middel betoogt onder meer dat het hof ten onrechte de maatstaven van het Novitaris-arrest heeft toegepast, nu sprake is van een andere situatie dan de situatie die in dat arrest aan de orde was (het bestaan van botsende rechten ter zake van het goed waarvan de levering is verlangd of waarop vestiging van een beperkt recht is verzocht). De klacht luidt dat het hof ten onrechte niet de toetsingsmaatstaven uit art. 21 lid 2 Wna heeft aangelegd.

4.2.2

Deze rechtsklacht faalt. In het hiervoor in 4.1 vermelde Novitaris-arrest is onder 3.4.2 en 3.4.3 overwogen:

“3.4.2 Art. 21 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Hij dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 lid 2 Wna). Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan (Kamerstukken II 2009/10, 32 250, nr. 3, p. 20).

3.4.3

De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen (HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2277, NJ 1996/627; HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1590, NJ 1996/628; HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1801, NJ 1996/629 (Curatoren THB)). Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen.”

In deze overwegingen is een algemene norm weergegeven ter zake van de medewerking van een notaris aan handelingen van zijn cliënten die de belangen van derden schaden. Die norm is een uitwerking van art. 21 lid 2 Wna en bouwt voort op eerdere rechtspraak. Het hof heeft dus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het Novitaris-arrest geformuleerde maatstaven tot richtsnoer te nemen
bij de beoordeling of de Notaris onrechtmatig heeft gehandeld door zijn medewerking te verlenen aan het vestigen van een recht van hypotheek dat de verhaalsmogelijkheden van [verweerder] doorkruiste. Evenmin heeft het de toetsingsmaatstaven van art. 21 Wna miskend.

4.3

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 4.17 van het tussenarrest. Het hof heeft hierin onder meer overwogen:

“4.17 Met grief 3 en 4 voert [verweerder] aan dat vader de transacties niet wilde en dat hij daarover niet goed werd geïnformeerd. Deze grieven falen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank op dat punt op de door de rechtbank gebezigde gronden (rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 van het bestreden vonnis). Het hof verwijst uitdrukkelijk naar de brieven die in 4.6 zijn vermeld [HR: zie hiervoor in 3.1 onder (vi) en (vii)] en overweegt dat tegenover de betwisting door de notaris niet is komen vast te staan dat deze brieven niet aan vader zijn verzonden. [verweerder] stelt geen feiten of omstandigheden, die, indien bewezen, kunnen leiden tot het oordeel dat vader niet meer in staat was zijn wil te bepalen. Dat hij volgens [verweerder] geen belang had bij deze constructie en ook geen reden had [verweerder] en [betrokkene 1] te benadelen, omdat hij zijn hele leven lang belasting heeft ontdoken, geen enkel risico liep vanwege zijn zeer hoge leeftijd en het niet meer voor handen zijn van buitenlands vermogen en altijd alles eerlijk verdeelde tussen zijn kinderen, is, wat daarvan verder ook zij, ook in samenhang met hetgeen [verweerder] overigens aanvoert, onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij dat dan ook niet wilde of zijn wil dienaangaande niet kon bepalen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de notaris gesprekken met vader voerde in het bijzijn van [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en hun echtgenoten. Dit moge tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, maar is onvoldoende voor het oordeel dat vader de transacties niet wilde of zijn wil niet kon bepalen. Het hof verwijst voor de feitelijke wilsbekwaamheid van vader uitdrukkelijk naar het verslag dat de notaris heeft gemaakt ten aanzien van het passeren van het testament (productie 11 bij conclusie van antwoord). (…).”

5.1.2

Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de volgende stellingen van [verweerder] :

(a) de vader was vrijwel blind en las geen post; zijn post en administratie werden geregeld door de echtgenoot van [betrokkene 3] ;

(b) [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en haar echtgenoot hebben de constructie geïnitieerd en aan de Notaris opdracht en alle instructies gegeven; van enig initiatief van de vader is niet gebleken;

(c) [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en haar echtgenoot waren belanghebbende bij de constructie, waren bij alle gesprekken aanwezig en waren derhalve in staat om de vader te sturen;

(d) de vader heeft bij alle eerdere schenkingen tot in 2008 al zijn kinderen gelijk behandeld.

5.1.3

Het onderdeel mist feitelijke grondslag waar het stelt dat het hof stelling (d) niet in de beoordeling heeft betrokken. Het hof heeft immers meegewogen dat de vader “altijd alles eerlijk verdeelde tussen zijn kinderen”. Uit rov. 4.17 blijkt voorts dat het hof rekening heeft gehouden met de (mogelijke) omstandigheid dat de vader geen belang had bij de constructie en met de omstandigheid dat gesprekken van de vader met de Notaris werden gevoerd in aanwezigheid van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De klacht dat het hof geen rekening heeft gehouden met omstandigheid (c) mist hierdoor eveneens voor een deel feitelijke grondslag.

5.1.4

Voor het overige faalt het onderdeel. Het hof heeft in rov. 4.17 vooropgesteld dat het zich ter zake van het geschilpunt waarop het onderdeel ziet, verenigt met de oordelen en de daarvoor gegeven motivering in de rov. 4.4 en 4.5 van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft in rov. 4.4 onder meer geoordeeld dat de benadeling van [verweerder] en [betrokkene 1] als gevolg van de hypothecaire geldlening meer dan eens met de vader is besproken en dat [verweerder] en [betrokkene 1] niet hebben bestreden dat de Notaris hierover (ook) “indringend en onder vier ogen met vader heeft gesproken”. Dit door het hof overgenomen oordeel wordt door het onderdeel niet (met de vereiste precisie) bestreden. Hieruit volgt dat in deze procedure vaststaat dat de vader, ook buiten aanwezigheid van derden, door de Notaris over de transactie is voorgelicht en op de gevolgen is gewezen. De hiervoor in 5.1.2 vermelde stellingen zijn in dit verband niet van zodanig gewicht dat het hof deze expliciet(er) in zijn oordeel had moeten betrekken. Door middel van stelling (a) wordt immers niet (duidelijk) betoogd dat de vader niet op de hoogte is gesteld van de inhoud van de hiervoor in 3.1 onder (vi) en (vii) vermelde brieven van de Notaris; bovendien bevatten die brieven hoofdzakelijk een schriftelijke herhaling van ook mondeling gegeven informatie en adviezen. Voorts vloeit uit de in de stellingen (b) en (c) vermelde vergaande bemoeienis van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met de constructie en hun aanwezigheid bij vrijwel alle gesprekken nog niet voort dat de vader onvoldoende is voorgelicht of niet in staat is geweest in vrijheid zijn wil te bepalen.

Bij haar – door het hof overgenomen – oordeel in rov. 4.5 dat onvoldoende is gebleken dat de vader niet in staat was zijn wil te bepalen, heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de Notaris heeft verklaard aan de hand van het daartoe bestemde ‘Stappenplan’ te hebben geverifieerd dat de vader in staat was zijn wil te bepalen en dat de Notaris ervan overtuigd was dat de vader daartoe in staat was. De rechtbank en het hof zijn klaarblijkelijk uitgegaan van de juistheid van die verklaring. Het onderdeel klaagt hierover niet. Hieruit volgt dat de Notaris zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat de vader niet in staat was om zijn wil te bepalen en ter zake onderzoek heeft verricht teneinde voldoende zekerheid te verkrijgen dat de vader in staat was zijn wil te bepalen. Het hof heeft in dit verband tevens gewezen op het verslag dat de Notaris van zijn handelwijze heeft gemaakt (productie 11 bij conclusie van antwoord). Ook op dit punt was het hof niet gehouden zijn in rov. 4.17 gegeven oordeel verdergaand te motiveren dan het heeft gedaan.

5.2.1

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof de individuele onderdelen van de constructie op onrechtmatigheid heeft getoetst, maar ten onrechte heeft nagelaten om de constructie als geheel op onrechtmatigheid te toetsen. In het verlengde daarvan klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat geen sprake is van een gewone, op zichzelf staande onterving, maar van een onterving die door de Notaris is geadviseerd en onderdeel was van een constructie die slechts tot doel had [verweerder] informatie als erfgenaam te onthouden en daardoor te beletten dat bij de verdeling conflicten zouden ontstaan. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, zijn diens beslissingen volgens het onderdeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu niet kenbaar is dat, in hoeverre en op welke wijze het hof (de onrechtmatigheid van de medewerking aan) de onterving heeft gewogen in het raamwerk van de gehele constructie van het plan.

Onderdeel 2.4 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.25 dat ook zonder de onterving de schade zou zijn geleden en niet valt in te zien in hoeverre de nalatenschap gebaat zou kunnen zijn door vernietiging van de geldlening en de hypotheekverlening. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verweerder] dat hij door de onterving een buitenstaander bleef bij de afwikkeling van de nalatenschap en aan hem informatie werd onthouden en hij ook niet als erfgenaam onder algemene titel de geldlening en de hypotheekverstrekking kon aantasten.

5.2.2

Voor zover onderdeel 2 erover klaagt dat het hof heeft nagelaten om de constructie als geheel op onrechtmatigheid te toetsen, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in zijn overwegingen niet alleen de individuele onderdelen van de constructie op onrechtmatigheid beoordeeld, maar ook de constructie als geheel. In rov. 4.26 heeft het hof “op grond van al het vorenstaande” geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Notaris onrechtmatig heeft gehandeld, behoudens wat betreft de medewerking aan het verlijden van de hypotheekakte voor zover daarbij zekerheid is verleend voor de andere vorderingen dan die uit geldlening. Het hof voegt daaraan toe dat in het bijzonder niet is komen vast te staan dat de Notaris door het meewerken aan “de constructie van het plan” welbewust de benadeling en onterving van [verweerder] heeft gepland. Hieruit volgt genoegzaam, mede in verband met rov. 4.16, dat het hof ook de constructie als geheel op onrechtmatigheid heeft beoordeeld en dat het oog heeft gehad voor de omstandigheden waaronder de onterving heeft plaatsgevonden. De hierop gerichte klachten van onderdeel 2 kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

5.2.3

Hetgeen zojuist is overwogen ziet tevens op de omstandigheid dat de onterving heeft plaatsgevonden op advies van de Notaris. Het hof heeft de vraag naar de onrechtmatigheid van dit advies beantwoord in het licht van de omstandigheden van dit geval en in samenhang met zijn oordeel dat niet is komen vast te staan dat de onterving deel uitmaakte van een plan gericht op benadeling van [verweerder] en [betrokkene 1] . In de rov. 4.21-4.26 ligt het oordeel besloten dat de onterving zozeer in het verlengde lag van de wens van de vader tot het aangaan van geldleningen tegen hypothecaire zekerheid voor [betrokkene 3] , haar echtgenoot en [betrokkene 2] , dat het adviseren tot die onterving op zichzelf niet kan worden aangemerkt als onrechtmatig. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hierbij verdient opmerking dat het Nederlandse recht onterving toelaat, en dat dit in beginsel niet anders is als die onterving (mede) tot doel heeft de (onterfde) erfgenaam informatie te onthouden en bevoegdheden in het kader van de nalatenschap te ontzeggen.

In dit verband verdient voorts opmerking dat ook de beslissing van de Notaris- en gerechtsdeurwaarderkamer van 25 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1860, waarin het handelen van de Notaris in deze erfkwestie ter toets voorlag, niet inhoudt dat het advies tot onterving op zichzelf onzorgvuldig was jegens [verweerder] en [betrokkene 1] . Het verwijt dat de Notaris- en gerechtsdeurwaarderkamer de notaris maakte, is dat hij de vader dit advies heeft gegeven in aanwezigheid van de erfgenamen die daarbij voordeel hadden.

5.2.4

In rov. 4.25 heeft het hof geoordeeld (in navolging van de rechtbank) dat geen condicio sine qua non-verband bestaat tussen de schade van [verweerder] en de onterving. Uit hetgeen hiervoor in 5.2.3 is overwogen volgt reeds dat de tegen dit oordeel gerichte klachten van onderdeel 2.4 niet tot cassatie kunnen leiden.

5.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

in het principale beroep voorts:

veroordeelt de Notaris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep voorts:

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Notaris begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-presidentC.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 10 november 2017.