Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:285

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
15/02760
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:335, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:3262, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 17a en art. 17e Wet OB; besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2006, nr. CPP2005/3096M; art. 140 BTW-richtlijn 2006; veehandelregeling; toepassing van de veehandelregeling houdt voor de heffing van omzetbelasting niet in het toepassen van een vrijstelling; uit HvJ 26 februari 2015, VDP Dental Laboratory e.a., gevoegde zaken C 144/13, C 154/13 en C 160/13, volgt niet dat een intracommunautaire verwerving in afwijking van BTW-richtlijn 2006 moet worden behandeld als een binnenlandse levering ter zake waarvan in strijd met BTW-richtlijn 2006 geen omzetbelasting wordt geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0482 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2017/0489 met annotatie van Micha Soltysik
V-N Vandaag 2017/422
V-N 2017/13.16
BNB 2017/103
prof.dr. R.A. Wolf annotatie in NTFR 2017/546

Uitspraak

24 februari 2017

nr. 15/02760

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van fiscale eenheid [X1] B.V. en [X2] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2015, nr. 12/00313, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden (nr. AWB 11/336) betreffende de door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de periode 1 december 2009 tot en met 31 januari 2010. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 29 april 2016 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep (ECLI:NL:PHR:2016:335).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende, een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), wordt gevormd door de vennootschappen [X1] B.V. (hierna: [X1]) en [X2] B.V. (hierna: [X2]). Beide vennootschappen drijven een veehandelsonderneming, [X1] in Nederland en [X2] in Duitsland.

2.1.2.

In de periode 1 december 2009 tot en met 31 januari 2010 heeft [X2] vee geleverd aan [X1] waarbij vee vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht.

2.1.3.

Gedurende de hiervoor in 2.1.2 vermelde periode maakte belanghebbende ter zake van in Nederland door [X1] aan derden of door derden aan [X1] verrichte leveringen van vee gebruik van de goedkeuring, bedoeld in onderdeel 6.1 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2006, nr. CPP2005/3096M, Stcrt. 2006, 120 (hierna: het Besluit). Deze goedkeuring (hierna: de veehandelregeling) houdt in dat handelaren die hun bedrijf ervan maken vee te kopen en te verkopen een bijzondere regeling mogen toepassen op grond waarvan zij – kort gezegd – geen omzetbelasting hoeven te voldoen wegens door hen verrichte leveringen van vee, doch evenmin aanspraak kunnen maken op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de Wet. In punt 6.1.7 van het Besluit is bepaald dat een veehandelaar die gebruik maakt van de veehandelregeling zich wat betreft de intracommunautaire transacties volledig moet gedragen als ware hij een landbouwer die gebruik maakt van de in artikel 27 van de Wet neergelegde landbouwregeling. Op grond van artikel 1a, lid 2, letter a, van de Wet zijn de intracommunautaire verwervingen van een dergelijke landbouwer alleen dan niet onderworpen aan heffing van omzetbelasting, indien gedurende het vorige kalenderjaar en het lopende kalenderjaar het totaal van de vergoedingen ter zake van dergelijke verwervingen de drempel van € 10.000 niet overschrijdt.

2.1.4.

Met betrekking tot de hiervoor in 2.1.2 bedoelde overbrengingen van vee heeft belanghebbende in haar aangiften voor de omzetbelasting bedragen van € 562.074 (voor het tijdvak december 2009) onderscheidenlijk € 447.811 (voor het tijdvak januari 2010) opgenomen als vergoeding ter zake van intracommunautaire verwervingen van vee. Bij de berekening van de verschuldigde omzetbelasting ter zake van die intracommunautaire verwervingen heeft zij met inachtneming van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.4, letter a, van de bij de Wet behorende tabel I een tarief van 6 percent toegepast. De aldus berekende bedragen (€ 33.724 onderscheidenlijk € 26.868) heeft belanghebbende bij haar aangiften niet in aftrek gebracht.

2.1.5.

Belanghebbende heeft zich nadien op het standpunt gesteld dat de hiervoor in 2.1.4 bedoelde intracommunautaire verwervingen op grond van artikel 17e van de Wet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, aangezien op grond van de veehandelregeling de binnenlandse leveringen van vee zijn vrijgesteld van omzetbelasting en datzelfde regime moet gelden voor intracommunautaire verwervingen van vee. Op die grond heeft zij bezwaar gemaakt tegen de door haar op vorenvermelde aangiften voldane bedragen aan omzetbelasting.

De Inspecteur heeft dit bezwaar verworpen omdat naar zijn mening artikel 17e van de Wet niet van toepassing is, ook niet in samenhang gelezen met artikel 140 van BTW-richtlijn 2006.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht op vrijstelling van omzetbelasting toekomt ter zake van de intracommunautaire verwervingen van vee. Het Hof heeft daartoe in aanmerking genomen dat toepassing van de veehandelregeling niet betekent dat sprake is van toepassing van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17e van de Wet en artikel 140 van BTW‑richtlijn 2006. De veehandelregeling is, aldus het Hof, een forfaitaire goedkeuringsregeling die voor de omzetbelasting - anders dan belanghebbende betoogt – niet kan worden beschouwd als een regeling met een vergelijkbare werking als een vrijstelling. Belanghebbende verricht naar het oordeel van het Hof daarom niet “in elk geval vrijgestelde” leveringen als bedoeld in artikel 17e van de Wet en voldoet daarmee niet aan de voorwaarden als voorgeschreven in dat artikel.

Aan dit een en ander doet naar het oordeel van het Hof niet af hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld in het door belanghebbende aangevoerde arrest van 26 februari 2015, VDP Dental Laboratory e.a., gevoegde zaken C‑144/13, C‑154/13 en C‑160/13, ECLI:EU:C:2015:116, BNB 2015/104 (hierna: het arrest VDP). Naar het oordeel van het Hof brengt het arrest VDP niet met zich dat het in Nederland toegepaste regime bepalend is in die zin dat de in Nederland toegepaste veehandelregeling in de plaats treedt van de regels die normaliter gelden voor een intracommunautaire verwerving.

2.3.

. De middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof en herhalen daartoe de in hoger beroep aangevoerde gronden.

2.4.

Op grond van artikel 17e, aanhef en letter a, van de Wet wordt bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting verleend voor de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor de levering in Nederland in elk geval is vrijgesteld. Deze bepaling strekt ertoe uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 140, aanhef en letter a, van BTW-richtlijn 2006.

Voor zover de middelen betogen dat in Nederland verrichte leveringen van vee met toepassing van de veehandelregeling als vrijgestelde leveringen in de zin van artikel 17e van de Wet moeten worden beschouwd, falen zij op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 7.5 tot en met 7.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Voor zover de middelen betogen dat in het arrest VDP is beslist dat bij een intracommunautaire levering de heffing in het land van aankomst altijd moet geschieden naar het aldaar geldende belastingregime alsof deze in het binnenland zou hebben plaatsgevonden, zodat de hiervoor in 2.1.4 bedoelde intracommunautaire verwervingen van vee buiten de heffing van omzetbelasting blijven, falen zij ook. De betekenis van het arrest VDP strekt voor intracommunautaire verwervingen niet verder dan de toepassing van artikel 140 van BTW‑richtlijn 2006. Die bepaling ziet uitsluitend op vrijstellingen die een lidstaat in overeenstemming met BTW-richtlijn 2006 ter zake van binnenlandse leveringen in haar nationale wetgeving heeft opgenomen. Het is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat BTW‑richtlijn 2006 een lidstaat niet ertoe verplicht om een intracommunautaire verwerving in strijd met BTW‑richtlijn 2006 buiten de heffing van omzetbelasting te laten wanneer die lidstaat bij wijze van buitenwettelijke goedkeuring de binnenlandse levering van hetzelfde goed - in afwijking van BTW‑richtlijn 2006 - buiten de heffing van omzetbelasting laat.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.