Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2822

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
16/05289
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10 Wet BPM (tekst 2013); art. 8 Uitvoeringsregeling BPM (tekst 2013); art. 110 VWEU; registratie van een uit het buitenland afkomstige gebruikte schadeauto; bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde bpm voor een schadeauto kan het daarvoor benodigde afschrijvingspercentage worden berekend door de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare, in het binnenland geregistreerde auto te verminderen met de aan de schade toe te rekenen waardevermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2730 met annotatie van Sacha Bothof
V-N 2017/55.17 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/2644
BNB 2018/45 met annotatie van MR. A.J.H. VAN SUILEN
Viditax (FutD), 10-11-2017
FutD 2017-2807 met annotatie van Fiscaal up to Date
DouaneUpdate 2017-0582
DouaneUpdate 2017-0609
NTFR 2017/2867 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2017

nr. 16/05289

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2016, nr. 14/00903, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/1269) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in 2013 op aangifte een bedrag van € 688 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan voor een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto (hierna: de auto); dit met het oog op het doen registreren van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

2.1.2.

De auto is op 20 januari 2011 in Duitsland voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. De auto vertoonde ten tijde van de voldoening op aangifte van vorenvermeld bedrag aan de voorzijde ernstige schade.

2.1.3.

Blijkens een aan hem uitgereikte factuur van 19 januari 2013 heeft belanghebbende de auto aangekocht voor € 18.755 (inclusief Nederlandse omzetbelasting).

2.1.4.

Belanghebbende heeft het voor de auto verschuldigde bedrag aan bpm berekend met inachtneming van een vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de Wet). Voor het bepalen van de hoogte van de afschrijving van de auto heeft hij tegenover de som van de netto-catalogusprijs van de auto en de bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen, gezet de inkoopwaarde van een gebruikte, even oude personenauto van hetzelfde merk en type en vergelijkbare uitvoering die was vermeld in de koerslijst X‑RAY (hierna: de koerslijst), een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Vorenbedoelde handelsinkoopwaarde (volgens de koerslijst € 38.300) heeft belanghebbende vanwege de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto verminderd met een door hem begroot schadebedrag van € 35.217. Uitkomend op een bedrag van € 3083 als inkoopwaarde, heeft hij het bij de auto behorende bedrag aan bpm, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet, volgens het aldus verkregen afschrijvingspercentage verminderd.

2.1.5.

De Inspecteur heeft de auto laten taxeren. Aan de hand van deze taxatie, gebaseerd op gecorrigeerde vraagprijzen van drie gebruikte vergelijkbare personenauto’s, heeft hij de inkoopwaarde van de auto – rekening houdend met een waardevermindering van € 32.500 als gevolg van de schade – gesteld op € 20.000. Met inachtneming van de aldus bepaalde afschrijving heeft de Inspecteur van belanghebbende een bedrag van € 3849 aan bpm nageheven.

2.2.1.

Het Hof heeft - in navolging van de Rechtbank - geoordeeld dat noch de door belanghebbende verdedigde noch de door de Inspecteur verdedigde inkoopwaarde van de auto bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving van de auto. De Rechtbank heeft daarom terecht, aldus het Hof, de inkoopwaarde van de auto in goede justitie vastgesteld op € 18.000.

2.2.2.

Bij de motivering van zijn hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen heeft het Hof vooropgesteld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de waardevermindering als gevolg van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde schade aan de auto € 32.500 bedraagt.

Het Hof heeft met betrekking tot de door belanghebbende verdedigde inkoopwaarde overwogen dat zonder aftrek van het schadebedrag van de volgens de koerslijst vastgestelde handelsinkoopwaarde van de auto van € 38.300, de afschrijving van de auto neerkomt op een afschrijvingspercentage van ruim 56 in twee jaar, terwijl toepassing van de in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de Uitvoeringsregeling) opgenomen tabel (hierna ook: de tabel) voor een personenauto van twee jaar oud zou leiden tot een afschrijving van ten hoogste 47 percent. Aannemende dat laatstgenoemd percentage een betrouwbare weergave vormt van de gemiddelde afschrijving op een personenauto, heeft het Hof in het verschil tussen de mate van afschrijving op grond van de tabel en de door belanghebbende voorgestane afschrijving - die volgens het Hof zowel absoluut als relatief aanzienlijk is, ook in vergelijking met de door belanghebbende betaalde prijs - aanleiding gezien de door belanghebbende gehanteerde inkoopwaarde vóór aftrek van het schadebedrag niet te volgen.

Het Hof heeft vervolgens het door de Inspecteur overgelegde taxatierapport terzijde gesteld omdat de taxatie enkel is gebaseerd op vraagprijzen in plaats van gerealiseerde verkoopprijzen en omdat zonder aftrek van het schadebedrag het door de Inspecteur bepleite afschrijvingspercentage van 34 eveneens aanzienlijk afwijkt van het percentage van 47 dat uit de tabel volgt.

2.2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een inkoopwaarde van € 18.000 hem aannemelijk voorkomt, en heeft de uitspraak van de Rechtbank waarbij de naheffingsaanslag is verminderd met inachtneming van een inkoopwaarde van € 18.000, bevestigd.

2.3.

Het middel betoogt dat het Hof de door belanghebbende verdedigde handelsinkoopwaarde van de auto niet mocht verwerpen.

2.4.1.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, BNB 2017/148, is het vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerd gebruikt motorvoertuig in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt motorvoertuig (hierna: referentievoertuig). Producten als auto’s zijn gelijksoortig in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Om te voorkomen dat een heffing discriminerend is, moet een reële waardedaling van het tweedehands motorvoertuig in aanmerking worden genomen, dan wel een waardeschatting van dat motorvoertuig die in het algemeen de werkelijke waarde zeer sterk benadert.

2.4.2.

Het voorgaande geldt onverminderd bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte schadeauto. Een dergelijke auto moet worden vergeleken met een vergelijkbare schadeauto die door een handelaar op de Nederlandse markt wordt ingekocht. Wanneer de handelaar een dergelijke inkoop doet, zal de nog op de desbetreffende schadeauto rustende bpm gelijk zijn aan een gedeelte van de oorspronkelijke bpm dat evenredig is aan de door de handelaar betaalde inkoopsom. Deze op die schadeauto rustende bpm is niet hoger door het eventuele herstel van de schade of de eventuele marge die de handelaar bij de verkoop ervan realiseert.

2.4.3.

Wanneer er niet of nauwelijks gegevens zijn over inkoopprijzen van geregistreerde gebruikte personenauto’s met schade die niet kan worden beschouwd als schade die bij normaal gebruik ontstaat, moet een waardeschatting worden gehanteerd die de werkelijke waarde van dergelijke personenauto’s zo goed mogelijk benadert. Die waardeschatting kan plaatsvinden door op de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig zonder schade in mindering te brengen de geraamde waardevermindering die redelijkerwijs aan de schade is toe te rekenen.

Daarbij heeft te gelden dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig kan worden gekozen voor het laagste restbedrag aan registratiebelasting dat bij een redelijke benadering van de werkelijke waarde geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van een referentievoertuig (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, BNB 2017/67, rechtsoverweging 2.4.1).

Voorts heeft te gelden dat voor de heffing van bpm een raming van herstelkosten niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade hoeft weer te geven, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan (onder)delen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik – die reeds in de volgens de koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd – verdwijnen.

2.5.

Naar volgt uit hetgeen hiervoor in 2.4.1 tot en met 2.4.3 is overwogen, heeft belanghebbende – anders dan het Hof heeft beslist - met het oog op het bepalen van de afschrijving van een auto die ernstig is beschadigd, de inkoopwaarde daarvan mogen vaststellen door op de uit de koerslijst blijkende handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig zonder schade de – tussen partijen niet in geschil zijnde – geraamde waardevermindering als gevolg van de schade van de auto in mindering te brengen. De omstandigheid dat dit een en ander leidt tot een hoger afschrijvingspercentage dan het afschrijvingspercentage dat voortvloeit uit toepassing van de in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling opgenomen tabel of uit de prijs waarvoor het motorvoertuig is aangekocht, doet daaraan niet af. De oordelen van het Hof geven in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve.

2.6.

Gelet op het hiervoor in 2.4 en 2.5 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 640.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten, en de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van € 640,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 246,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.