Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2805

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
16/04590
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1195, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft via WhatsApp schadelijke afbeelding verzonden naar 13-jarig meisje, art. 240a Sr. Valt virtueel chatcontact onder het bereik van art. 240a Sr? Oordeel Hof dat “gelet op het daadwerkelijke contact tussen de verzender en ontvanger op programma’s zoals Whatsapp” sprake is van “vertonen” in de zin van art. 240a Sr is juist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 240a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0448
JIN 2017/202 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers

Uitspraak

31 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/04590

SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 5 september 2016, nummer 21/002708-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Wezepoel, advocaat te Nootdorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof het bewezenverklaarde onder 3 ten onrechte heeft gekwalificeerd als - kort gezegd - het "vertonen" van een afbeelding als bedoeld in art. 240a Sr. Het voert daartoe aan dat een virtueel chatcontact niet onder het bereik van art. 240a Sr valt.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 november 2015, te Heerenveen en/of te Leeuwarden een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, zijnde een foto van zijn ontblote stijve penis, heeft vertoond aan een minderjarige, te weten, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2001), van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"A. Een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 26 april 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Als verklaring van verdachte:

Ik heb vanuit mijn woning in Heerenveen naar [slachtoffer 1] een afbeelding met daarop mijn ontblote stijve penis gestuurd.

B. Een proces-verbaal van aangifte, op ambtseed opgemaakt op 14 mei 2015 door [verbalisant 1] , brigadier (bevoegd zedenrechercheur), en [verbalisant 2] , brigadier (bevoegd zedenrechercheur), van politie-eenheid Noord-Nederland, opgenomen op pagina's 117 t/m 120 van het onder 2 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Als verklaring van [betrokkene 1] :

V= vraag verbalisant

A= antwoord aangever

V: U blijft bij uw besluit om aangifte te doen voor uw minderjarige dochter [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2001?

A: Ik blijf absoluut bij het plan om aangifte te doen. [slachtoffer 1] is 13 jaar.

V: Kunt u vertellen wat er is gebeurd in uw woorden?

A: Mijn zoon was er achter gekomen, hij pakte haar telefoon terwijl [slachtoffer 1] in bad zat. [betrokkene 2] is 18 jaar. Hij keek in haar Whatsapp gesprekken, hij kwam dat nummer tegen, klikte daarop en liet mij dit zien. Hij zei: "Pap, dit is niet best, kijk eens".

V: En wat zag je?

A: Dat hele Whatsapp gesprek inclusief foto's, dat heb ik hier bij de politie achtergelaten. We hebben screens gemaakt en bewaard.

V: Hier staat verder geen datum, heb jij wel een datum gezien?

A: Het is zondagavond 10 mei (het hof begrijpt: 2015) begonnen, en dat andere is afgelopen maandag 11 mei verder gegaan. En op 11 mei heeft [slachtoffer 1] wat teruggestuurd.

C. Een proces-verbaal van verhoor getuige, op ambtseed opgemaakt op 14 mei 2015 door [verbalisant 1] , brigadier (bevoegd zedenrechercheur), en [verbalisant 2] , brigadier (bevoegd zedenrechercheur), van politie-eenheid Noord-Nederland, opgenomen op pagina's 121 t/m 125 van het onder 2 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: Jij hebt contact gehad met een meneer, je pa heeft ons dit aangeleverd, hij heeft die van jullie computer gehaald. Wat kun je ons hierover vertellen.

A: Ik ken hem niet echt, maar hij ging tegen mij praten op Facebook.

A: Hij vroeg mij als vriend en ik drukte op accepteren.

V: Hoe lang is dat geleden dat hij voor het eerst contact zocht?

A: Eergisteravond, toen begon hij te praten.

V: We zijn vandaag donderdag...

A: Volgens mij was het zondag.

V: Dat was op zondag 10 mei.

A: Ja, in de avond toen ik op bed lag.

V: Waar ging het gesprek over?

A: Hij vroeg waar ik woonde en hoe oud ik was.

V: Heb je gezegd hoe oud je was?

A: Ja, ik zei dat ik 13 was.

V: Waar ging het gesprek meer over?

A: Hij wilde met me afspreken. Hij vroeg me om mijn nummer, die wilde ik hem niet geven. Hij stuurde me zijn mobiele telefoonnummer. Deze heb ik in mijn telefoon gezet.

V: Maar hij had jouw nummer toch niet?

A: Nee, oh ik begon te whatsappen en toen zei hij: He ben jij het.

V: Dan krijg jij deze foto. Een foto van een blote piemel.

A: Ja."

2.2.3.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde, onder aanhaling van art. 240a Sr, gekwalificeerd als "een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, vertonen aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar".

Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"Voorts is aangevoerd dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu het virtuele chatcontact zoals hier het geval was niet onder het bereik van artikel 140a van het Wetboek van Strafvordering (de Hoge Raad begrijpt: artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht) valt.

(...)

Voorts overweegt het hof dat dit artikel in het leven is geroepen met als doel personen beneden de leeftijd van 16 jaar te beschermen tegen ongewenste beïnvloeding die het gevolg kan zijn van de confrontatie met dergelijke beelden. De wil van de betrokken jeugdige is daarbij niet van belang. Gelet op het daadwerkelijke contact tussen de verzender en de ontvanger op programma's zoals Whatsapp, is naar het oordeel van het hof geen reden om aan te nemen dat deze gedraging niet onder de reikwijdte van voornoemd artikel valt.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen."

2.3.1.

Art. 240a Sr luidt:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekt, aanbiedt of vertoont aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar."

2.3.2.

De geschiedenis van de totstandkoming van art. 240a Sr houdt onder meer het volgende in:

- de memorie van toelichting:

"De strekking van artikel 240a is het voorkomen dat jeugdigen kennisnemen van voor hen schadelijke beelden. Dit is aldus uitgewerkt dat er een verbod in is neergelegd op het verstrekken etc. aan een jongere onder de zestien van een afbeelding of voorwerp waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor deze leeftijdsgroep.

(...)

De bepaling veronderstelt - anders dan artikel 240b - een onmiddellijke confrontatie van een geïndividualiseerde jeugdige met het beeldmateriaal. De afbeelding of het voorwerp moet op dat moment zichtbaar zijn."

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 841, nr. 3, p. 10)

- de nota naar aanleiding van het verslag:

"De leden van de VVD-fractie stellen een tweetal vragen over de effectiviteit van artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht in relatie tot aanbieders van Internet- en televisiediensten.

De vraagstellers snijden het belangrijke onderwerp aan van de regelgeving en handhaving in een virtuele wereld zonder nationale grenzen. De Minister van Justitie heeft in april 1999 in het overleg over de nota Wetgeving voor de elektronische snelweg aan de Tweede Kamer een afzonderlijke notitie over de thematiek van internationalisering en rechtsmacht toegezegd. Deze notitie zal nog dit voorjaar uitgebracht worden en in algemene zin de bedoelde problemen behandelen. Op dit punt is overigens artikel 240a van het Wetboek van Strafrecht niet aan de orde, omdat de delictsomschrijving daarin uitgaat van een aanbieder en jeugdige ontvanger die in de reële wereld met elkaar contact hebben. Internet en televisie vallen daar derhalve niet onder.

Uitgangspunt bij artikel 240a is het verstrekken, aanbieden of vertonen aan een minderjarige van wie de aanbieder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze jonger is dan zestien jaar, van beeldmateriaal dat schadelijk is te achten voor personen van die leeftijdscategorie. De bepaling vereist contact tussen aanbieder en minderjarige. Programmering met voor minderjarigen schadelijk beeldmateriaal via Internet of televisie is niet of niet specifiek gericht op minderjarigen. Dat betekent dat het opzetten van een Internetsite of het verzenden van een televisieprogramma en het faciliteren van de verspreiding van een website of een programma buiten het bereik van deze bepaling vallen."

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 841, nr. 5, p. 27)

2.4.

Het oordeel van het Hof dat "gelet op het daadwerkelijke contact tussen de verzender en ontvanger op programma's zoals Whatsapp" sprake is van "vertonen" in de zin van art. 240a Sr, is derhalve juist.

2.5.

De klacht faalt.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2017.