Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:280

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-02-2017
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/00134
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1168, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 270 Rv Sint Maarten. Naheffing griffierecht te laat betaald; wettelijke grondslag voor naheffing en voor vervallenverklaring hoger beroep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2017/70
RvdW 2017/257
NJB 2017/483
NJ 2017/102
RBP 2017/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 februari 2017

Eerste Kamer

16/00134

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De rechtspersoon naar vreemd recht NIKITA LIMITED,
gevestigd in Anguilla,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

t e g e n

[verweerster],
wonende in [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Nikita en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak AR 2013/14 van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 25 februari 2014;

b. de vonnissen in de zaak AR 14/2013 - ghis 72290 - H 73/2015 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 5 juni 2015 en 9 oktober 2015.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van het hof heeft Nikita beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Nikita in onderdeel 4 van haar cassatieberoep, en tot vernietiging van de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 5 juni 2015 en 9 oktober 2015 en tot terugwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Nikita is in hoger beroep gegaan van een tussen partijen gewezen vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. Nikita heeft tijdig het door de griffier geheven vastrecht (hierna: griffierecht) van NAf 900,-- betaald. Vervolgens heeft Nikita een memorie van grieven ingediend, en [verweerster] een memorie van antwoord; tevens hebben partijen pleitnotities ingediend.

Het hof heeft bij tussenvonnis bepaald dat aan Nikita een termijn van zes weken (tot 17 juli 2015) wordt gegund om een naheffing griffierecht van NAf 4.440,-- te betalen en de zaak naar de rol van 28 augustus 2015 in Sint Maarten verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Nikita. Nikita heeft op 27 juli 2015 het nageheven bedrag betaald en vervolgens een akte uitlating griffierecht genomen.

3.2

Bij eindvonnis heeft het hof het hoger beroep vervallen verklaard wegens niet-tijdige betaling van het nageheven griffierecht en Nikita veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3.3.1

Onderdeel 4 klaagt dat het hof heeft miskend dat de mogelijkheid om griffierecht na te heffen, geen grondslag heeft in het recht.

3.3.2

Het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Ltbz) regelt de heffing van griffierecht voor Sint Maarten. Daarin is niet voorzien in een regeling voor het naheffen van griffierecht als de griffier aanvankelijk een te laag bedrag heeft geheven. Ook in andere Sint Maartense regelgeving is hierin niet voorzien. Nu de verschuldigdheid van het griffierecht rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in art. 20 Ltbz en in het Ltbz niet is bepaald dat het griffierecht slechts ineens tot het volle bedrag kan worden geheven, moet worden aangenomen dat de griffier in beginsel bevoegd is tot het naheffen van griffierecht indien hij of het hof tot de slotsom komt dat aanvankelijk te weinig griffierecht is geheven (vgl. HR 26 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0892, NJ 1994/346). Art. 270 lid 5 Rv Sint Maarten (hierna: RvSM) spreekt in dit verband van het door de griffier ‘getaxeerde’ bedrag. Naheffing van griffierecht is ook mogelijk als het te laag geheven griffierecht het gevolg is van een vergissing bij de vaststelling daarvan. Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 4 tevergeefs is voorgesteld.

3.4.1

Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat voor het vervallen of vervallen verklaren van het hoger beroep als sanctie op het niet tijdig betalen van nageheven griffierecht, een (voldoende) wettelijke grondslag moet bestaan, althans dat die (voldoende) wettelijke grondslag in het onderhavige geval ontbreekt.

3.4.2

Art. 270 lid 5 RvSM bepaalt dat het hoger beroep (onder meer) vervalt als binnen de voor indiening van de memorie gestelde termijn, geen vooruitbetaling plaatsvindt van het door de griffier getaxeerde bedrag van het verschuldigde griffierecht. Volgens de tekst van deze bepaling is deze beperkt tot de situatie van niet-tijdige betaling van griffierecht aan het begin van de procedure in hoger beroep. De bepaling ziet niet op de situatie van niet-tijdige betaling van nageheven griffierecht. Uit de toelichting op art. 270 lid 5 RvSM, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.29, kan niet worden afgeleid dat de wetgever overeenkomstige toepassing van dit voorschrift op laatstgenoemde situatie voor ogen heeft gestaan.

Verval van hoger beroep is een ingrijpende sanctie, waarvoor een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist. In het licht van het voorgaande kan art. 270 lid 5 RvSM niet worden aangemerkt als een wettelijke grondslag die op voldoende voorzienbare wijze de sanctie van verval van het hoger beroep verbindt aan niet-tijdige betaling van nageheven griffierecht. In zoverre slaagt onderdeel 1.

3.5

Gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat het hof het hoger beroep van Nikita ten onrechte vervallen heeft verklaard. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.6

Nu [verweerster] de bestreden beslissing niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 5 juni 2015 en 9 oktober 2015;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van Nikita op € 843,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerster] op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 17 februari 2017.