Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:27

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
14/03373
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1315, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:6162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL0616, dat wanneer volgens de GBA - thans BRP - verdachte naar een ander land is vertrokken, eerst dan mag worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan. Dit moet - thans - aldus worden verstaan dat ingeval de ten name van verdachte gestelde Informatiestaat SKDB-persoon in de rubriek "huidig BRP-adres" een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geadministreerd in de databank Registratie Niet-Ingezetenen (= RNI). De opvatting dat deze verplichting tot het doen van navraag ook geldt indien in de Informatiestaat SKDB-persoon in een andere rubriek, te weten de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats", waarmee wordt gedoeld op het laatste bij de identiteitsvaststelling door verdachte opgegeven adres, weliswaar een buitenland is vermeld doch niet een adres, zoals in dit geval de registratie: Groot-Brittannië, is echter onjuist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/129
NJ 2017/44
NJB 2017/218
NBSTRAF 2017/35
SR-Updates.nl 2017-0069
SR-Updates.nl 2017-0052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2017

Strafkamer

nr. S 14/03373

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 mei 2014, nummer 23/001811-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

2.2.1.

In HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0616, NJ 2010/198 is beslist dat wanneer volgens opgave van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (= GBA) - thans basisregistratie personen (= BRP) - de verdachte naar een ander land is vertrokken, eerst dan mag worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan of hij bij zijn vertrek de voor de uitreiking van de gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd.

Dit moet - thans - aldus worden verstaan dat ingeval de ten name van de verdachte gestelde Informatiestaat Strafrechtsketendatabank-persoon (= Informatiestaat SKDB-persoon) in de rubriek "huidig BRP-adres" een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat de verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geadministreerd in de databank Registratie Niet-Ingezetenen (= RNI).

2.2.2.

Het middel berust op de opvatting dat bovenstaande verplichting tot het doen van navraag ook geldt indien in de Informatiestaat SKDB-persoon in een andere rubriek, te weten de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats", waarmee wordt gedoeld op het laatste bij de identiteitsvaststelling door de verdachte opgegeven adres, weliswaar een buitenland is vermeld doch niet een adres, zoals in dit geval de registratie: Groot-Brittannië. Die opvatting is echter onjuist.

2.3.

Het middel faalt.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017.