Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2638

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/01560
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1065, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering van tas met inhoud, art. 321 Sr. Falende klacht over zich wederrechtelijk toe-eigenen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256 m.b.t. het als heer en meester beschikken over een goed. Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte heeft gedreigd de spullen van de eigenaresse in de door hem gevonden tas in het water te gooien en het vindersloon heeft verhoogd en dat verdachte op het moment van de overdracht van de tas aan de eigenaresse pasjes afkomstig uit de portemonnee in de tas in zijn jaszak had zitten en deze enkel tegen betaling wilde teruggeven. Mede gelet hierop getuigt ‘s Hofs oordeel dat verdachte als heer en meester over de tas heeft beschikt en hij deze zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0431
NJ 2017/415
RvdW 2017/1152
TPWS 2018/13
NBSTRAF 2018/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/01560

CB/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2016, nummer 23/000142-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk op gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, in het bijzonder de wederrechtelijke toe-eigening, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 17 maart 2014 tot en met 18 maart 2014 te Amsterdam opzettelijk een tas toebehorende aan [betrokkene 1] , zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, die hij als vinder onder zich had."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een fotokopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1305-2014067094-1 van 17 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina's 01-02.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 maart 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op maandag 17 maart 2014 bevond ik mij in Fitness centrum Fit For Free te Amsterdam. Toen ik klaar was met trainen zag ik dat mijn tas in zijn geheel weggenomen was. In mijn tas zaten - onder andere - de volgende goederen:

- damesportemonnee

- rijbewijs

- ABN AMRO pas

- zorgpas

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een fotokopie van een aanvullend proces-verbaal van aangifte met nummer 2014067094-7 van 18 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina's 04-05.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 maart 2014 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Gister is mijn tas gestolen. Hiervan heb ik reeds aangifte gedaan. Op 18 maart 2014 werd mijn man gebeld door een onbekende man welke aangaf dat hij mijn tas zou hebben. Hij heeft mijn telefoonnummer gevraagd. Deze heeft mijn man gegeven. Kort hierop kreeg ik berichten via de WhatsApp van deze man. Ik heb deze berichten uitgeprint. Ik sta ze af zodat deze bij het proces-verbaal gevoegd kunnen worden. Ik sprak met de man af op het museumplein. Ik ben vervolgens met een aantal agenten in burgerkleding naar het museumplein gegaan in Amsterdam en heb hier gewacht tot de man contact met mij opnam. Ik zag dat er een man uitstapte en hoorde hem vragen in het Engels: "are you the girl". Ik zei dat ik de vrouw was die hij zocht. Ik heb hem gevraagd of ik mijn tas mocht zien en of ik mocht kijken of alles erin zat. Ik zag dat hij mijn tas uit een plastic tas haalde en hem aan mij liet zien. Ik herkende de tas als zijnde mijn tas welke gister gestolen was. Ik keek in de tas en zag dat hier mijn portemonnee in zat. Ik zag dat hier een aantal passen uit miste. Ik zei tegen hem dat niet alles erin zat. Ik hoorde hem nogmaals zeggen dat hij het geld wilde hebben. Ik heb tegen hem gezegd dat mijn passen er niet in zaten. Hierop zag ik dat hij een stapel pasjes uit zijn rechterjaszak pakte. Ik zag dat hij meerdere pasjes vast had waar ook mijn vreemdelingenkaart en de pasjes van mijn dochter en mijn zoon tussen zaten. Ik hoorde hem nogmaals zeggen in het Engels: "give me the money". De passen welke de man in zijn broekzak had zitten zaten eerst in mijn portemonnee.

3. De bijlage bij de fotokopie van een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014067094-7 van 18 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina's 6-14.

Deze bijlage houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de WhatsApp gesprekken tussen aangeefster en telefoonnummer + [06-001] :

Haayy

I found your wallet.

We meat at the museumplein about 7 a clock

Ok

I want a founding reward

Ok

What do u want

Do you have the whole bag or just the wallet?

Ita a. bag

With a wallet

All i want is my documents

Driving linces

Id

Yes

Ehmm from your kids

Yes

Hiwmutch.you fonna givr.me

€20?

50

All i want is mij things back... So ok.

Your men is calling to my work

If he callss 1more time

I gonna traw you stuff in the watdr

No.. Wait!.. I told you to meet. I really need mij documents.

Now it is 70 euro

You givr.me 70 euro

I give ou the bag

4. Een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1303-2014067094-11 van 18 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina's 15-16.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op dinsdag 18 maart 2014 verklaarde [betrokkene 1] mij, [verbalisant 3] , het volgende:

Gister is mijn tas gestolen op de sportschool. Vandaag heeft er iemand telefonisch via de WhatsApp contact opgenomen die aangaf dat hij mijn tas had. Het nummer waar mee ik geappt word is: [06-001] .

Hierna zijn wij en [betrokkene 1] naar de afgesproken locatie op het Museumplein gegaan. Ik zag dat een man, die later [verdachte] bleek te zijn, [betrokkene 1] aansprak. Ik zag dat [verdachte] een plastic tas bij zich had. Ik zag dat hij de inhoud van de plastic tas liet zien aan [betrokkene 1] .

5. Een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1302-2014067094-12 van 18 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina's 31-32.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 maart 2014 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ):

Ik loop in het Vondelpark. Ik zie daar een tas liggen. Ik heb die tas gepakt en ik zag dat er een ID-kaart in zat. Ik heb de tas meegenomen en ik zag in de portemonnee een visitekaartje. Het telefoonnummer op het kaartje heb ik toen gebeld. Ik kreeg een man aan de telefoon en ik vroeg de man of hij de vrouw kent die op de ID-kaart staat. De man vertelde dat dat zijn vrouw is. Ik heb toen een 06 nummer gekregen. Ik heb via WhatsApp een berichtje gestuurd. Ik vertelde dat ik haar tas had gevonden. We hadden vandaag op het Museumplein afgesproken. Het nummer [06-001] is mijn 06-nummer.

6. Een fotokopie van een proces-verbaal met nummer PL1302-2014067094-19 van 20 maart 2014, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina 34.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 19 maart 2014 heb ik een dagvaarding uitgereikt aan de verdachte die opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] .

Ik had eerder een politiefoto gezien van de verdachte. Ik zag dat de verdachte niet overeen kwam met de eerder getoonde politiefoto. Ik herkende de verdachte als:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .

Ik herkende [verdachte] van een zaak uit 2013 waarin hij was aangehouden als verdachte."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is ten aanzien van het wederrechtelijk toe-eigenen van de tas met inhoud waardoor de verdachte vrijgesproken zou moeten worden van het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte van meet af aan voornemens was de tas terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. De verdachte heeft weliswaar om een vindersloon gevraagd, maar hij had de tas ook teruggegeven indien de aangeefster niet bereid was geweest vindersloon aan de verdachte te geven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte (tevens) wordt vrijgesproken van verduistering, nu er onvoldoende bewijs voorhanden is dat de verdachte niet voornemens was de tas en de pasjes terug te geven. Het enkele feit dat de verdachte een vergoeding eist is volgens de advocaat-generaal onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de verdachte de tas wederrechtelijk heeft toegeëigend, nu de verdachte als vinder op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een redelijke beloning.

Beoordeling hof

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van wederrechtelijke toe-eigening indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof gaat voor wat betreft het aantreffen en vervolgens meenemen van de tas uit van de verklaring van de verdachte zoals hij heeft afgelegd bij de politie. Het hof overweegt dat de verdachte nadat hij de tas had gevonden volgens het BW verplicht was tot afgifte hiervan aan de politie dan wel de eigenaar. De verdachte heeft als vinder recht op een redelijke beloning. Het hof is dan ook met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat het vragen om een vindersloon niet betekent dat de tas wederrechtelijk wordt toegeëigend. Het hof overweegt evenwel dat de verdachte, nadat hij met de eigenaresse van de tas een vindersloon van € 50,- had afgesproken, haar via WhatsApp heeft bericht dat hij werd gebeld door haar man en dat als haar man nog één keer zou bellen, verdachte haar spullen in het water zou gooien waarbij hij aangaf dat de vinders"prijs" werd verhoogd naar € 70,-. Het hof is van oordeel dat op het moment dat de verdachte dreigde de tas in het water te gooien, de verdachte als heer en meester heeft beschikt over de tas die aan de eigenaresse toebehoort. Daarnaast neemt het hof nog in aanmerking dat de verdachte op het moment van de overdracht de pasjes die in de portemonnee van aangeefster zaten, waaronder de vreemdelingenkaart van de kinderen van aangeefster, in zijn jaszak had zitten. Op het moment dat aangeefster merkte dat de pasjes ontbraken en dit tegen de verdachte zei, gaf de verdachte de pasjes niet direct terug maar zei dat hij eerst het geld wilde hebben. Pas nadat aangeefster nogmaals aangaf dat haar passen niet in haar portemonnee zaten, haalde de verdachte de pasjes tevoorschijn. Ook dit duidt er naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op dat de verdachte als heer en meester over de pasjes heeft beschikt. Een en ander klemt temeer nu aan een vinder volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen retentierecht toekomt ter zaken van het vindersloon, HR 25 oktober 1996, VR 1997, 84.

Al het voorgaande in samenhang bezien brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich de tas met de inhoud, waaronder voornoemde pasjes, wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor wat betreft het betoog van de raadsvrouw dat de verdachte de tas ook aan aangeefster had teruggegeven als zij geen vergoeding aan hem had betaald, merkt het hof op dat verdachte zelf dit niet heeft verklaard, maar is overigens van oordeel dat dit aan het voorgaande niet afdoet."

2.3.

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Volgens vaste rechtspraak is van zodanig toe-eigenen sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vlg. onder meer HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256).

2.4.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat

- de verdachte, nadat hij met de eigenaresse van de door hem gevonden tas een vindersloon van € 50,- had afgesproken, heeft gedreigd haar spullen in het water te gooien en het vindersloon heeft verhoogd naar € 70,- en

- de verdachte op het moment van de overdracht van de tas aan de eigenaresse, pasjes die ten tijde van de diefstal van de tas in de daarin aanwezige portemonnee zaten, in zijn jaszak had zitten en deze enkel tegen betaling wilde teruggeven.

Mede gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte als heer en meester over de tas heeft beschikt en hij deze zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2017.