Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2635

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/00251
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1062, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Niet gemachtigde raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van aanhoudingsverzoek aangevoerd dat verdachte in Suriname verblijft. Hof heeft bij afwijzing van verzoek belangenafweging gemaakt. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 m.b.t. te maken belangenafweging bij beslissing op aanhoudingsverzoek. Gelet op deze vooropstelling en hetgeen aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden, waaronder begrepen de vaststelling dat niet duidelijk is of en wanneer verdachte zal terugkeren naar Nederland, de afwijzing van het verzoek dragen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2018/12
RvdW 2017/1147
NBSTRAF 2018/3
SR-Updates.nl 2017-0433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/00251

LBS/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2015, nummer 21/008377-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2015 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Het houdt voorts het volgende in:

"De raadsvrouw van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven -:

Ik ben niet gemachtigd door mijn cliënt om de verdediging te voeren. Mijn cliënt zit momenteel in Suriname. Voorafgaand aan deze zitting heb ik geen contact gehad met mijn cliënt. Ondanks het feit dat ik niet gevolmachtigd ben, verzoek ik in het kader van het aanwezigheidsrecht toch om aanhouding van de zaak. Ik weet dat mijn cliënt terug zal komen uit Suriname, maar ik weet niet wanneer omdat mijn cliënt een open ticket heeft geboekt. Ik vind het relevant dat mijn cliënt aanwezig is bij de behandeling van zijn strafzaak, met name gelet op de jurisprudentie in het kader van het aanwezigheidsrecht. Voor een eerdere zitting, die gepland stond op 22 mei 2015, heb ik contact gehad met mijn cliënt. Hij gaf toen aan dat hij aanwezig wilde zijn bij zijn rechtszaak. Deze zitting is toen echter ingetrokken.

De advocaat-generaal voert aan - zakelijk weergegeven -:

Indien de zaak alleen op zitting zou staan, zou ik mij op het standpunt stellen om deze vandaag af te doen. Verdachte heeft niets van zich laten horen en heeft niet gezegd waar hij zich op dat moment bevindt. Echter, indien de zaak van medeverdachte [medeverdachte] wordt aangehouden, zal ik me niet tegen aanhouding van onderhavige zaak verzetten vanwege proceseconomische redenen. Het is van belang dat verdachte aanwezig is bij zijn eigen strafzaak. Ik ben namelijk van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. De termijnoverschrijding die door aanhouding zou ontstaan, is in dat geval voor rekening van verdachte.

De raadsvrouw van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven -:

Ik stel het op prijs dat de advocaat-generaal zich niet tegen aanhouding verzet vanwege proceseconomische redenen. Ik kan me voorstellen dat het redelijk is dat indien de zaak van medeverdachte [medeverdachte] wordt aangehouden, de zaak van mijn cliënt daar op meelift.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek en deelt mede, dat het hof zich zal terugtrekken in raadkamer teneinde te braadslagen.

De voorzitter hervat het onderzoek.

Na beraad deelt de voorzitter mede - zakelijk weergegeven -:

Het hof is tot het oordeel gekomen dat het verzoek om aanhouding dient te worden afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. De verdachte heeft geen contact gezocht met zijn raadsvrouw na de ingetrokken zittingsdatum van 22 mei 2015. Nu er geen contact is geweest, is het volstrekt onduidelijk of verdachte nog steeds gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Immers, verdachte zit momenteel in Suriname en het is niet duidelijk of en wanneer hij terug zal komen naar Nederland. Het is de raadsvrouw op geen enkele manier, met alle mogelijke moderne communicatiemiddelen van nu, zoals Facebook en WhatsApp, gelukt om in contact te komen met verdachte, terwijl verwacht kan worden dat verdachte bereikbaarheidsgegevens aan zijn raadsvrouw doorgeeft indien hij zijn aanwezigheidsrecht bij deze lopende strafzaak wil uitoefenen. Bovendien wist verdachte dat de behandeling van zijn zaak op termijn zou plaatsvinden, gezien het contact over de eerdere zittingsdatum, te weten 22 mei 2015. Het hof komt derhalve na een afweging van de betrokken belangen tot de conclusie dat er onvoldoende redenen zijn om de zaak aan te houden. In de afweging tussen het belang van het aanwezigheidsrecht van verdachte en het belang van een voortvarende behandeling van de strafzaak, mede gelet op de belangen van de slachtoffers in deze zaak en de agenda van het hof, dienen derhalve de laatstgenoemde belangen te prevaleren. Tot slot is het niet van belang dat de zaak tegelijkertijd wordt afgedaan met die van medeverdachte [medeverdachte]. In eerste aanleg zijn de zaken tevens afzonderlijk behandeld en ook in hoger beroep levert het geen enkel probleem op om de zaken apart te behandelen."

2.2.2.

Blijkens dat proces-verbaal is vervolgens verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten.

2.3.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD1314, NJ 1999/294).

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsvrouwe aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag is gelegd, kunnen de door het Hof genoemde gronden, waaronder begrepen de vaststelling dat niet duidelijk is of en wanneer de verdachte zal terugkeren naar Nederland, de afwijzing van het verzoek dragen.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2017.