Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2632

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
16/02835
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1059, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 181 WVW 1994. De vrijspraak van het Hof o.g.v. de omstandigheid dat t.t.z. in h.b. een getuige heeft verklaard bestuurder te zijn geweest en niet verdachte is onbegrijpelijk, nu dit immers niet maakt dat verdachte t.t.v. de overtreding geen eigenaar of houder was van deze auto en evenmin dat geen sprake meer is van een bij ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/1165
NBSTRAF 2018/8
JWR 2017/71
SR-Updates.nl 2017-0428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/02835

EC/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 november 2015, nummer 20/001413-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering van de gegeven vrijspraak van het primair tenlastegelegde.

2.2.1.

Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:

"een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op of omstreeks 4 mei 2013 te Lottum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, buiten de bebouwde kom, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Horsterdijk, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 165 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was."

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Nu de getuige [getuige] ter terechtzitting van vandaag heeft verklaard dat hij degene was die op 4 mei 2013 te Lottum te hard heeft gereden, van welke getuige de verdediging de gegevens al bij brief van 22 september jongstleden had doorgegeven, dient verdachte naar het oordeel van het hof van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken."

2.3.

Blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte, op grond van de omstandigheid dat niet de verdachte maar de getuige [getuige] de personenauto heeft bestuurd, dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Dat oordeel is onbegrijpelijk. Immers, de omstandigheid dat de getuige [getuige] eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard de personenauto te hebben bestuurd, maakt niet dat de verdachte ten tijde van de overtreding geen eigenaar of houder van deze personenauto was en evenmin dat geen sprake meer is van een bij de ontdekking van het strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder.

2.4.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2017.