Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2629

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
17/02977
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1055, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzoek verstekverlening in digitale vorderingsprocedure (KEI). Gevolgen van het niet in acht nemen van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 112
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 121
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2017/420 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
NJB 2017/2043
RvdW 2017/1143
RBP 2018/13
JBPR 2018/7 met annotatie van mr. S. Heeroma
JIN 2017/198 met annotatie van G.J. de Bock
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2017

Eerste Kamer

17/02977

TT/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1 Het geding in cassatie

1.1

Met een op 20 juni 2017 ingediende procesinleiding heeft [eiser] cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 24 mei 2016 en het eindarrest van 28 maart 2017 met zaaknummer 200.150.999/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. In de procesinleiding is 25 augustus 2017 vermeld als de datum waarop [verweerder] ten laatste in de procedure kan verschijnen (hierna: uiterste verschijndatum).

1.2

De griffier van de Hoge Raad heeft aan [eiser] een oproepingsbericht doen toekomen. Bij het oproepingsbericht is de door [eiser] ingediende procesinleiding gevoegd, voorzien van het aan de zaak toegekende zaaknummer.

1.3

[eiser] heeft het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding op 28 juli 2017 bij exploot doen betekenen met toepassing van art. 63 Rv aan het kantoor van de advocaat mr. M.A.M. van Dooren bij wie [verweerder] laatstelijk woonplaats gekozen heeft. In het exploot is de uiterste verschijndatum gewijzigd in 1 september 2017.

1.4

[verweerder] is in cassatie niet verschenen. [eiser] heeft verzocht tegen [verweerder] verstek te verlenen.

1.5

De Advocaat-Generaal L. Timmerman heeft op 29 september 2017 schriftelijk geconcludeerd tot verstekverlening tegen [verweerder].

2 Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening

2.1

Het verzoek tot verstekverlening is gedaan in een zaak waarop het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie (Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16).

2.2

Art. 139 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien het oproepingsbericht is betekend, de verweerder niet in de procedure verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen de verweerder verstek wordt verleend.

2.3

In deze zaak diende ingevolge art. 112 lid 1 Rv de betekening van het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding te geschieden binnen twee weken na 20 juni 2017, de dag van indiening van de procesinleiding bij de Hoge Raad (zie hiervoor in 1.1), in aanmerking genomen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het oproepingsbericht met de daarbij behorende procesinleiding eerst op andere wijze bij de verweerder is bezorgd.

Het oproepingsbericht met de daarbij behorende procesinleiding is echter bij exploot van 28 juli 2017 aan de verweerder betekend, en dus niet binnen die twee weken.

Voor het overige zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.

2.4.1

Beoordeeld dient te worden of de omstandigheid dat de betekening in strijd met art. 112 lid 1 Rv niet binnen twee weken na de indiening van de procesinleiding heeft plaatsgevonden, een beletsel is voor de verstekverlening. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

2.4.2

Ingevolge art. 120 lid 1 Rv moet (onder meer) hetgeen in art. 112 Rv is voorgeschreven, op straffe van nietigheid in acht worden genomen. Art. 112 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat de eiser de verweerder binnen twee weken na de indiening van de procesinleiding bij exploot moet doen oproepen indien de eiser ervoor kiest de procesinleiding niet eerst bij de verweerder te bezorgen (hierna: de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv).

2.4.3

De parlementaire geschiedenis bevat het volgende omtrent de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv:

“De twee weken voor de eiser om de procesinleiding bij de verweerder te bezorgen is gekozen om hem in de gelegenheid te stellen pas de deurwaarder in te schakelen als hij de zaak bij de rechtbank heeft ingediend. Maar niets hoeft de eiser er van te weerhouden om onmiddellijk na ontvangst van het oproepingsbericht dit bij de verweerder te bezorgen of te laten betekenen. De termijn voor de verweerder om te verschijnen is eveneens ten minste twee weken, namelijk vier weken na indiening. Dit is een redelijke termijn om te bedenken of men zich in de procedure wil mengen. (…)” (Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3, p. 89)”

Deze passage, bezien in samenhang met art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv, waarin onder meer is bepaald dat de uiterste verschijndatum ten minste vier weken na de dag van de indiening van de procesinleiding moet liggen, duidt erop dat de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv niet is bedoeld als een eis die aan het exploot wordt gesteld, maar als een (terugreken)termijn die moet waarborgen dat de verweerder gedurende ten minste twee weken gelegenheid heeft te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, voordat wordt beslist of tegen hem verstek wordt verleend.

2.4.4

De regels van art. 121 Rv, die zien op de gevolgen van het niet-verschijnen van een verweerder ingeval het exploot aan een met nietigheid bedreigd gebrek lijdt, lenen zich niet voor toepassing op een geval als het onderhavige, waarin het oproepingsbericht met de daarbij behorende procesinleiding bij exploot is betekend, maar niet binnen twee weken na indiening van de procesinleiding.
Ook overeenkomstige toepassing van deze bepaling komt niet in aanmerking. Herstel van het gebrek als bedoeld in art. 121 lid 2 Rv is immers niet meer mogelijk. In een geval als het onderhavige kan evenmin de vraag rijzen of het exploot als gevolg van het gebrek de verweerder niet heeft bereikt als bedoeld in art. 121 lid 3 Rv.

2.4.5

Uit het voorgaande volgt dat een overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv niet is aan te merken als een geval waartoe de nietigheidssanctie van art. 120 lid 1 Rv zich uitstrekt.

2.4.6

Gelet op de hiervoor in 2.4.3 vermelde ratio van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv, heeft ten aanzien van een overschrijding daarvan het volgende te gelden.

Heeft een verweerder in de periode tussen de betekening van het exploot en de uiterste verschijndatum niet gedurende ten minste twee weken gelegenheid gehad om te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, dan zal de rechter nog geen verstek kunnen verlenen, maar de eiser moeten gelasten aan de verweerder bij exploot een nieuwe uiterste verschijndatum aan te zeggen die de verweerder alsnog een termijn van twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. De kosten van dat exploot kunnen als nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening van de eiser worden gelaten (art. 237 lid 1 Rv).

Zijn echter ten minste twee weken verstreken tussen de betekening van het exploot en de in het exploot aangezegde uiterste verschijndatum, dan is overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv geen beletsel voor verstekverlening.

2.5

Uit hetgeen hiervoor in 1.3 is vermeld, blijkt dat in deze zaak meer dan twee weken zijn verstreken tussen de betekening van het exploot en de in het exploot aangezegde uiterste verschijndatum. Gelet daarop en op het voorgaande is er in deze zaak geen beletsel voor verstekverlening.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

verleent verstek tegen [verweerder];

bepaalt als datum waarop de schriftelijke toelichting kan worden gegeven: 12 januari 2018.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 13 oktober 2017.