Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2601

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
17/00226
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 16, lid 4, AWR. Project Bank zonder naam. Verlengde navorderingstermijn. Voortvarendheid. Volgtijdelijk opgelegde navorderingsaanslagen. Tussen het motiveren van de bezwaarschriften tegen de eerste serie navorderingsaanslagen en de werkzaamheden voor het opleggen van de tweede serie aanslagen is meer dan 6 maanden verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2017/226 met annotatie van F.J.P.M. Haas
V-N Vandaag 2017/2340
V-N 2017/50.4 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 13-10-2017
FutD 2017-2532
NTFR 2017/2620 met annotatie van mr. J. Kastelein
FED 2018/149 met annotatie van A.C. Breuer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2017

nr. 17/00226

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 november 2016, nrs. BK-15/00737 tot en met BK-15/00746, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 en 1997 tot en met 2001 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en over de jaren 1996 en 1998 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het eerste geding in cassatie

Bij arresten van de Hoge Raad van 12 juni 2015, nrs. 14/04065, ECLI:NL:HR:2015:1564, en 14/04066, ECLI:NL:HR:2015:1565, zijn vernietigd de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam (nrs. 12/00935 en 12/01083 alsmede 12/00799 tot en met 12/00804, 12/00809 en 12/00810), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2 Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Belanghebbendes echtgenote (hierna: de echtgenote) is geïdentificeerd als houdster van bankrekeningen bij Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA. De inkomsten uit en de saldi van die rekeningen hebben belanghebbende en de echtgenote niet vermeld in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB).

3.1.2.

De Inspecteur heeft de echtgenote bij brief van 7 maart 2007 gevraagd om informatie over de banktegoeden en op 22 mei 2007 een herinnering gestuurd. De echtgenote heeft bij brief van 29 mei 2007 verklaard dat zij en belanghebbende niets weten omtrent buitenlandse banktegoeden.

3.1.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 december 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om aan hem navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen over het jaar 1995 en VB over het jaar 1996 met verhogingen (hierna: de eerste serie navorderingsaanslagen). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2007.

3.1.4.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 3.1.3 vermelde navorderingsaanslagen. Hij heeft het bezwaar bij brief van 17 april 2008 gemotiveerd. De Inspecteur heeft op 8 december 2008 uitspraken op bezwaar gedaan.

3.1.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 januari 2009 op de hoogte gesteld van het voornemen om aan hem navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen over de jaren 1997 tot en met 2001 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1998 tot en met 2000 met verhogingen dan wel boeten (hierna: de tweede serie navorderingsaanslagen). De navorderingsaanslagen en boeten zijn opgelegd met dagtekening 28 en 31 juli 2009, met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR.

3.2.1.

Bij het Hof was onder meer in geschil of de tweede serie navorderingsaanslagen voldoende voortvarend is opgelegd.

3.2.2.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft de keuze om niet alle navorderingsaanslagen in één keer op te leggen, aanvaardbaar geacht in het kader van het bieden van een ruime mogelijkheid aan belanghebbende om openheid van zaken te geven teneinde te komen tot een materieel juiste belastingheffing en in het kader van het in acht nemen van de vereiste zorgvuldigheid met name met betrekking tot de hoogte van de aan te brengen correcties ten behoeve van die juiste heffing. De omstandigheid dat dit meebrengt dat eerst de uitkomst van de bezwaarfase van de eerste serie navorderingsaanslagen is afgewacht alvorens de tweede serie navorderingsaanslagen op te leggen, heeft het Hof niet tot een ander oordeel gebracht. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoering van de werkzaamheden niet is onderbroken door een periode van stilzitten van zes maanden als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234, en 22 november 2013, nr. 12/03376, ECLI:NL:HR:2013:1215, BNB 2014/3.

3.3.1.

Het eerste middel richt zich tegen het in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat geen sprake is geweest van stilzitten van meer dan zes maanden. Zelfs indien het oordeel van het Hof juist zou zijn dat de Inspecteur de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de eerste serie navorderingsaanslagen zou mogen afwachten, dan nog diende het Hof te motiveren waarom de tussen de uitspraken op bezwaar tegen die navorderingsaanslagen en de dagtekening van de later opgelegde navorderingsaanslagen verlopen termijn van meer dan zes maanden gerechtvaardigd was. Ook tussen de aankondiging van de tweede serie navorderingsaanslagen en de dagtekening van die aanslagen is meer dan zes maanden verstreken, aldus het middel.

3.3.2.

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Bij de vraag of bij het opleggen van met de verlengde termijn van artikel 16, lid 4, AWR opgelegde navorderingsaanslagen voortvarend is gehandeld, gaat het om het tijdsverloop nadat de belastingautoriteiten de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen met betrekking tot in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen (vgl. HvJ 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222). De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is. De vereiste voortvarendheid is in ieder geval niet betracht indien bij deze werkzaamheden een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, BNB 2015/155).

3.3.3.

Indien de inspecteur met betrekking tot buitenlandse banktegoeden navorderingsaanslagen oplegt over meerdere jaren met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, is het in beginsel niet in strijd met de eis van voortvarende behandeling indien hij daarbij voorrang geeft aan het opleggen van aanslagen waarvoor de navorderingstermijn dreigt te verlopen, mits hij vervolgens met de vereiste voortvarendheid handelt bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over andere jaren.

3.3.4.

Anders dan het Hof heeft overwogen, kan de omstandigheid dat de inspecteur nog moet beslissen op een bezwaar tegen een eerder opgelegde navorderingsaanslag betreffende dezelfde bron van inkomen, doch een ander belastingjaar, niet zonder meer rechtvaardigen dat hij bij het vaststellen van de nog op te leggen navorderingsaanslag(en) wacht tot zijn beslissing op het bezwaar en daarmee een periode van meer dan zes maanden laat verstrijken. Na het moment waarop de inspecteur bekend is geworden met de gronden van het bezwaar tegen de eerder opgelegde aanslag valt de behandeling daarvan immers niet zonder meer aan te merken als voorbereiding van de nog op te leggen navorderingsaanslag(en).

3.3.5.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Voor het overige behoeven de middelen geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.

3.3.6.

De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Voor de Rechtbank noch voor het Hof is gesteld dat de Inspecteur na de ontvangst van de gronden van het bezwaar tegen de eerste serie navorderingsaanslagen in april 2008 redelijkerwijs kon verwachten dat belanghebbende hem alsnog gegevens zou verstrekken die voor het vaststellen van de tweede serie navorderingsaanslagen van belang zouden kunnen zijn. Daarom moet het ervoor gehouden worden dat de met dagtekening 28 en 31 juli 2009 opgelegde navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd. Zij kunnen derhalve niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor de daarmee samenhangende beschikkingen omtrent een verhoging, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 17/00228 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1995 en de navorderingsaanslag VB over het jaar 1996 en de daarbij behorende beschikkingen inzake een verhoging en beschikkingen betreffende heffingsrente, het griffierecht, de proceskosten en de schadevergoeding,

vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2001 en VB over de jaren 1998 tot en met 2000, de daarbij behorende beschikkingen inzake een verhoging en boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente en vernietigt die navorderingsaanslagen en beschikkingen,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1980, derhalve € 990, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.