Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2595

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
16/05162
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1047, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer en onttrekkingsvereiste, art. 41.1 Sr. Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, art. 300/304 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het beroep op noodweer reeds faalt omdat verdachte op elk moment tijdens de ruzie weg had kunnen gaan en de deur van de keuken achter zich dicht had kunnen doen en aldus voor hem geen noodzaak tot verdediging bestond. Het Hof diende bij de beoordeling van de vraag of de bewezenverklaarde gedraging geboden was door de noodzakelijke verdediging tevens te betrekken of van verdachte kon worden gevergd dat hij zich aan de gestelde aanranding onttrok. Nu het Hof dit niet – kenbaar – heeft gedaan, is zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2018/18
RvdW 2017/1139
NJB 2017/2045
NBSTRAF 2017/380
SR-Updates.nl 2017-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/05162

SSA/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 oktober 2016, nummer 22/005485-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 25 april 2015 te 's-Gravenhage zijn echtgenoot, [betrokkene 1] , heeft mishandeld door [betrokkene 1] met kracht bij de keel te pakken en tegen de grond te drukken."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2016 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Mijn vrouw [betrokkene 1] en ik zijn al 21 jaar samen waarvan 10 jaar getrouwd. Op 25 april 2015 kwam ik terug van het doen van boodschappen. [betrokkene 1] gedroeg zich opstandig. Ik heb haar toen op de grond gelegd om haar rustig te krijgen. Ik heb haar bij de hals gepakt.

2. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te Den Haag van 19 mei 2016. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 19 mei 2016 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Vorig jaar april was hij boodschappen doen. Toen hij terugkwam had hij wat gehoord over een Messenger Kik. Dat vond hij niet zo leuk. Toen heb ik gezegd dat ik geen verantwoording aan hem moest afleggen en toen draaide hij door. Toen heeft hij mij beetgepakt, mij getackeld en toen kwam ik op de grond terecht. Hij heeft mij vastgepakt bij mijn keel.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015125015-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 25 april 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van mishandeling. [verdachte] is mijn man, maar wij liggen in scheiding. Op 16 juni 2006 zijn wij getrouwd. [verdachte] woont op de [a-straat] in Den Haag. De afgelopen dagen verbleef ik in het huis van [verdachte] . Op 25 april 2015 heeft [verdachte] mij mishandeld. Dit gebeurde in de keuken. [verdachte] kwam thuis van het boodschappen doen. [verdachte] begon over mijn account op KIK. Ik zei tegen hem dat ik hem geen verantwoording schuldig ben. Op dat moment draaide [verdachte] door. Hij gooide mij met kracht van de kruk af waar ik op zat. Ik viel toen op de grond op mijn rug. [verdachte] ging op mij zitten op een manier dat ik geen kant op kon. Ik zag en voelde dat hij zijn beide handen om mijn nek klemde. Ik voelde dat hij steeds meer kracht aan het zetten was met zijn handen/vingers. Ik voelde pijn in mijn nek.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015125015-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 25 april 2015 was ik, verbalisant, belast met het opnemen van een aangifte. De aangifte werd gedaan door [betrokkene 1] . Tijdens het verhoor zag ik dat de aangeefster op haar keel rode bloeduitstortingen had."

3.3.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in:

"Op 25 april 2015 kwam ik terug van het doen van boodschappen. [betrokkene 1] had een KIK-account en begon daarover. Zij gedroeg zich opstandig, gooide haar mobiele telefoon in mijn richting en gaf mij een klap. Ik heb haar toen op de grond gelegd om haar rustig te krijgen. Ik heb haar bij de hals gepakt en aan haar gevraagd 'ben je rustig?'. Vervolgens ben ik weggegaan om zo te proberen de situatie te kalmeren. (...) [betrokkene 1] heeft om zich heen geslagen (...). Verder wil ik opmerken dat ik ook letsel had. Mijn neus was kapot en ik had een bijtwond in mijn borst. Wij stonden in de keuken toen zij mij in mijn borst beet. (...) Als er één letsel had, was ik het wel. Het klopt dat ik [betrokkene 1] bij haar hals heb gepakt, maar dat was om haar rustig te krijgen. Zij werd als het ware helemaal wild. De advocaat-generaal vraagt mij waarom ik niet ben weggegaan toen zij boos werd. [betrokkene 1] viel mij gelijk aan. Zij kwam van een stoel af en begon mij gelijk te slaan. Zij sloeg best hard. Ik probeerde mijn best te doen om haar rustig te krijgen (...)"

3.3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"(...) als het feit bewezen verklaard kan worden, heeft [verdachte] zich verdedigd tegen [betrokkene 1] die hem sloeg en beet. En waren de handelingen die bestonden uit het naar de grond brengen van [betrokkene 1] en het daar houden door met zijn handen (...) haar bij haar hals en schouders op de grond te drukken, geboden ter noodzakelijke verdediging tegen de aanval van [betrokkene 1] en dient een ontslag van rechtsvervolging plaats te vinden."

3.3.3.

Het Hof heeft het verweer als volgt verworpen:

"Met de politierechter is het hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen, ook als wordt uitgegaan van zijn verklaring. De verdachte had immers op elk moment tijdens de ruzie weg kunnen gaan en de deur van de keuken achter zich dicht kunnen doen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

3.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 omtrent de in art. 41 Sr omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer onder meer het volgende overwogen:

"Geboden door de noodzakelijke verdediging

3.5.1.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

(...)

Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste

3.5.2.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.

Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.

Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.

Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid - bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon - hier van belang zijn."

3.5.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overweging kennelijk geoordeeld - uitgaande van hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan het beroep op noodweer als feitelijke toedracht ten grondslag is gelegd - dat het beroep op noodweer reeds faalt omdat de verdachte op elk moment tijdens de ruzie weg had kunnen gaan en de deur van de keuken achter zich dicht had kunnen doen en aldus voor hem geen noodzaak tot verdediging bestond. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld, diende het Hof bij de beoordeling van de vraag of de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedraging geboden was door de noodzakelijke verdediging evenwel tevens te betrekken of van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich aan de gestelde aanranding onttrok. Nu het Hof dit niet - kenbaar - heeft gedaan, is zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.

3.6.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017.