Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2588

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
16/04778
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1039, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 552a en 116 Sv. Ontvankelijkheid klager in klaagschrift. Teruggave aan iemand anders dan klager/beslagene. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat geen toepassing is gegeven aan art. 116.3 Sv. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de OvJ om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan beslagene (klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. ECLI:NL:HR:1996:AD2480). De Rb heeft dit miskend. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0417
NBSTRAF 2017/356

Uitspraak

10 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/04778 B

IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2016, nummer RK 16/1235, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.

2.2.

De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Op 15 juli 2015 is onder klager voornoemd voorwerp inbeslaggenomen. Op 2 november 2015 is de onder klager in beslag genomen personenauto geretourneerd aan de als geregistreerd staande rechtmatige eigenaar.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klaagschrift, nu de auto reeds is teruggegeven aan een ander dan aan klager, namelijk aan de rechtmatige eigenaar, en het beslag niet meer bestaat.

De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat, nu de strafzaak is geseponeerd en klager niet langer verdacht wordt van diefstal of heling dit al voldoende reden zou moeten zijn om de auto aan klager te retourneren. De raadsman heeft gewezen op twee arresten van de Hoge Raad met LJN BJ9900 en BL2823, waaruit volgt dat klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift ook al is het inbeslaggenomen voorwerp reeds teruggeven aan een ander. Klager is de rechtmatige eigenaar van de auto, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het dossier blijkt dat de personenauto inmiddels is geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar, [A] B.V. Nu op deze goederen, gelet op artikel 134, tweede lid, aanhef en onder a Sv, geen beslag meer rust, is klager met betrekking tot dit voorwerp niet-ontvankelijk in zijn beklag. Het beslag is reeds geƫindigd."

2.3.

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat geen toepassing is gegeven aan art. 116, derde lid, Sv. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene (klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526).

2.4.

Blijkens het onder 2.2 weergegevene heeft de Rechtbank het voorgaande miskend. Het middel is gegrond.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017.