Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2587

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
15/04840
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1038, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9.2 WVW 1994. Ongeldig verklaard rijbewijs, redelijkerwijs moeten weten. Slagende bewijsklacht. Uit de bewijsvoering kan niet z.m. volgen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verklaring van verdachte dat hij een rijontzegging heeft gehad die reeds was afgelopen en hij zijn rijbewijs niet van het CBR heeft teruggekregen en de omstandigheid dat het CBR het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte heeft genomen zijn daartoe niet voldoende, mede in aanmerking genomen dat de bewijsvoering niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat dit besluit aan verdachte is toegezonden en door hem is ontvangen. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met hetgeen het Hof blijkens de bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0421
RvdW 2017/1118
NBSTRAF 2017/375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 15/04840

EC/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2015, nummer 20/000450-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte "redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij, op 18 oktober 2013, te Cuijk, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, BE, C, CE, C1 en C1E, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Vierlanderdreef, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"A. Het proces-verbaal misdrijf van Politie Brabant Noord, Districten, zaaknummer 00132992, opgemaakt en ondertekend op 28 november 2013 door verbalisanten [verbalisant 1] (brigadier van politie) en [verbalisant 2] (aspirant van politie), inhoudende als bevindingen van verbalisanten:

Op 18 oktober 2013 zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , een witte Suzuki Swift personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] , over de voor het openbaar verkeer openstaande weg Vierlanderdreef te Cuijk rijden. De verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, verbalisant [verbalisant 1] , de volgende personalia:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965. Na controle bij de Rijksdienst voor het wegverkeer bleek dat het rijbewijs van de bestuurder ongeldig was verklaard.

Verdachte verklaarde:

Ik heb zes maanden rijontzegging gehad. Deze is afgelopen op 08/02/2013. Daarna kon ik deze (het hof begrijpt: verdachtes rijbewijs) terugkrijgen van het CBR maar dat is niet gebeurd. Ik reed nu wel auto. Ik bestuurde deze witte Suzuki.

B. Een ander geschrift, als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, zijnde een uitdraai uit het register CBR-Rijbewijsgegevens (bevragingsdatum 18-10-2013), als bijlage gevoegd bij het onder B genoemde proces-verbaal, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Identiteit: [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1965 te [geboorteplaats] .

Ingang ongeldigverklaring: 18-09-2012. Ongeldigheid vanaf 25-09-2012 voor de rijbewijscategorieën B, BE, C, C1, C1E en CE.

Reden ongeldigverklaring: ongeldig i.v.m. deelname aan alcoholslotprogramma.

Feitelijke inleverdatum ongeldig: 08-01-2013.

C. Een ander geschrift, als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, zijnde een besluit van 18 september 2012 van het CBR, nummer [001], tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965, en het opleggen van een alcoholslotprogramma, inhoudende:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965, is één of meerdere keren aangehouden. Hiervan heeft regiopolitie Brabant-Noord op 5 september 2012 een schriftelijke mededeling gedaan, zoals bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94). Het CBR heeft deze mededeling ontvangen op 7 september 2012. Hierbij delen wij mee welk besluit wij hebben genomen als reactie hierop.

Besluit:

Op grond van de schriftelijke mededeling vermoeden wij dat u niet langer voldoet aan de wettelijke geschiktheidseisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs. Daarom hebben wij besloten uw huidige rijbewijs ongeldig te verklaren en om u een alcoholslotprogramma op te leggen. Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit (het hof begrijpt aldus: met ingang van 25 september 2012). Door aan het alcoholslotprogramma mee te werken kunt u in het bezit komen van een rijbewijs voor de categorie 8 met code 103 'rijden met een alcoholslot'. Als u het niet eens bent met ons besluit, dan kunt u volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift indienen bij onze algemeen directeur. U moet dit bezwaarschrift binnen zes weken na verzending van dit besluit opsturen."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - voorts het volgende overwogen:

"Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

Verdachte heeft zijn rijbewijs op 8 januari 2013 ingeleverd. Vast staat dat verdachte op het moment dat hij op 18 oktober 2013, als bestuurder van een motorrijtuig, door de politie werd staande gehouden, niet beschikte over een geldig rijbewijs. Verdachte heeft bij zijn staande houding tegenover de politie verklaard dat hij een rijontzegging had gehad, dat deze op 8 februari 2013 zou eindigen, dat hij het rijbewijs daarna terug kon krijgen, maar dat dat nog niet was gebeurd.

Gelet op deze verklaring, in onderling verband gezien met het besluit van het CBR d.d. 18 september 2012, inhoudende dat het rijbewijs ongeldig zou worden verklaard en dat verdachte eerst aan bepaalde voorwaarden moest voldoen om deze bevoegdheid weer te krijgen, is het hof van oordeel dat verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat hij die dag een auto bestuurde terwijl het op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs was afgegeven."

2.3.

Uit 's Hofs bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte "redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het Hof heeft geoordeeld zijn de hiervoor onder 2.2.2 sub A weergegeven verklaring van de verdachte en de omstandigheid dat het CBR het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte heeft genomen, daartoe niet voldoende, mede in aanmerking genomen dat de bewijsvoering in verband met deze laatstgenoemde omstandigheid niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat dit besluit aan de verdachte is toegezonden en door hem is ontvangen. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met hetgeen het Hof blijkens de hiervoor weergegeven bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen.

2.4.

De bewezenverklaring is daarom in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017.