Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2569

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
17/01326
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1020, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Auteursrecht. Stelsel van thuiskopievergoeding (art. 16c-16e Auteurswet). Aan wie komt de vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopieheffing toe? Uitleg van HvJEU 5 maart 2015, zaak C-463/12, ECLI:EU:C:2015:144, NJ 2016/186 (Copydan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

6 oktober 2017

Eerste Kamer

17/01326

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

IMATION EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. A.M. van Aerde,

t e g e n

1. de stichting STICHTING DE THUISKOPIE,
gevestigd te Amsterdam,

GEDAAGDE in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. T. Cohen Jehoram,

2. de STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te Den Haag,

GEDAAGDE in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. S.M. Kingma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Imation, Stichting De Thuiskopie en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de tussenvonnissen in de zaak C/09/489719/HA ZA 15-659 van de rechtbank Den Haag van 13 april 2016 en 8 maart 2017.

Het tussenvonnis van 8 maart 2017 is aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv de hierna in 3.4.3 te vermelden prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

Namens Imation, Stichting De Thuiskopie en de Staat zijn schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot ontkennende beantwoording van beide prejudiciële vragen.

De advocaten van Imation en Stichting De Thuiskopie hebben ieder bij brief van 8 september 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

  • -

    i) Imation is importeur van (voornamelijk traditionele) blanco gegevensdragers. Zij is gehouden tot afdracht van de in art. 16c Auteurswet (hierna: Aw) bedoelde billijke vergoeding (hierna: thuiskopievergoeding).

  • -

    ii) Op grond van art. 16d Aw is Stichting De Thuiskopie belast met de inning en de verdeling van de thuiskopievergoeding.

  • -

    iii) Imation en Stichting De Thuiskopie hebben in 1999 een zogenoemd A-contract gesloten over de incasso van de thuiskopievergoeding en de daarmee verband houdende verplichting van Imation tot opgave van de door haar verrichte, voor de heffing van thuiskopievergoeding relevante leveringen van gegevensdragers. Uit hoofde van het A-contract was Imation gehouden maandelijks opgave te doen van de door haar geïmporteerde en geleverde gegevensdragers, en betaalde Imation maandelijks de daarmee corresponderende thuiskopievergoeding aan Stichting De Thuiskopie.

  • -

    iv) Stichting De Thuiskopie heeft thuiskopievergoeding geheven over alle door Imation ingevoerde cd’s en dvd’s.

  • -

    v) Vanaf juni 2010 is Imation – aanvankelijk onder verwijzing naar de op 11 mei 2010 genomen conclusie van de Advocaat-Generaal bij het HvJEU in zaak C-467/08 ([A]), en later met een beroep op het in die zaak door het HvJEU gewezen arrest (HvJEU 21 oktober 2010 (C-467/08), ECLI:EU:C:2010:620, NJ 2011/509) – opgehouden met het afdragen van thuiskopievergoeding aan Stichting De Thuiskopie voor blanco gegevensdragers die zij leverde aan bedrijfsmatige afnemers voor zakelijk gebruik – door Imation aangeduid als haar ‘commercial channel’ – dat zich onderscheidt van Imations ‘consumer channel’, waarin zij levert aan bedrijven die op hun beurt de gegevensdragers doorverkopen aan privégebruikers.

  • -

    vi) Met ingang van 1 maart 2011 heeft Imation haar afdracht van thuiskopievergoeding aan Stichting De Thuiskopie geheel gestaakt, met een beroep op verrekening hiervan met de volgens Imation te veel betaalde thuiskopievergoeding voor leveringen van gegevensdragers aan het commercial channel in de periode van september 2004 tot en met mei 2010; volgens Imation bedraagt die te veel betaalde thuiskopievergoeding ongeveer € 5.585.800,--.

De incassoprocedure

3.2.1

Voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft Stichting De Thuiskopie een procedure tegen Imation aanhangig gemaakt, waarin zij nakoming van het A-contract heeft gevorderd en voortzetting van de door Imation gestaakte betaling van thuiskopievergoeding. Laatstgenoemde procedure wordt aangeduid als ‘de incassoprocedure’.

3.2.2

In de incassoprocedure heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen (Rb. Den Haag 20 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1542). Daarin heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – onder verwijzing naar het hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde [A]-arrest, geoordeeld dat Imation slechts verplicht was thuiskopievergoeding af te dragen voor cd’s en dvd’s die zij direct of indirect heeft geleverd aan privégebruikers – niet voor de aan professionele gebruikers geleverde cd’s en dvd’s – en dat Imation gerechtigd is de door haar vanaf 1 juli 2006 onverschuldigd afgedragen thuiskopievergoeding te verrekenen met hetgeen zij verschuldigd is aan Stichting De Thuiskopie. De vordering van Imation ten aanzien van vóór 1 juli 2006 onverschuldigd verrichte betalingen is naar het oordeel van de rechtbank verjaard.

3.2.3

In de incassoprocedure heeft het hof, in het door Stichting De Thuiskopie ingestelde appel tegen dat tussenvonnis, in zijn tussenarrest (Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3876) het tussenvonnis deels vernietigd en de zaak in zoverre teruggewezen naar de rechtbank, en het tussenvonnis voor het overige bekrachtigd. Het hof oordeelde, kort samengevat, dat het door Stichting De Thuiskopie gehanteerde stelsel voor de berekening van thuiskopievergoeding in strijd is met het bepaalde in art. 5 lid 2, aanhef en onder b, van Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten (hierna: Auteursrechtrichtlijn) en de art. 16c-16e Aw. Naar het oordeel van het hof kan Imation echter geen aanspraak maken op terugbetaling van de in de periode van september 2004 tot juni 2010 voor haar commercial channel afgedragen thuiskopievergoeding, ook niet door middel van verrekening. Uit het Copydan-arrest (HvJEU 5 maart 2015 (C-463/12), ECLI:EU:C:2015:144, NJ 2016/186) volgt volgens het hof dat enkel de professionele eindgebruiker van de gegevensdrager terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding kan vorderen.

3.2.4

Het hof heeft herhaalde verzoeken van Imation om verlof voor tussentijds cassatieberoep in de incassoprocedure afgewezen. De Hoge Raad heeft Imation niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep van het tussenarrest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:725).

3.2.5

De behandeling van de incassoprocedure is door de rechtbank aangehouden in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure (Rb. Den Haag 5 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7153).

De onderhavige procedure

3.3.1

In de onderhavige procedure spreekt Imation zowel de Staat als Stichting De Thuiskopie aan: eerstgenoemde op grond van onrechtmatige overheidsdaad, laatstgenoemde op grond van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Imation heeft gesteld dat de door Stichting De Thuiskopie aan haar in rekening gebrachte thuiskopievergoeding in drieërlei opzicht in strijd is met de Auteursrechtrichtlijn:

(i) de Nederlandse thuiskopieregeling voorziet in een systeem van thuiskopieheffing dat ten onrechte geen onderscheid maakt tussen privégebruik en professioneel gebruik, zodat een te hoog bedrag aan thuiskopievergoeding bij Imation is geheven (vorderingen onder A);

(ii) de Nederlandse thuiskopieregeling heeft ten onrechte mede betrekking op het kopiëren uit illegale bron (vorderingen onder B); en

(iii) ingevolge de zogenoemde bevriezings-AMvB’s (Besluit van 17 februari 2007, Stb. 75, Besluit van 5 november 2007, Stb. 435, Besluit van 7 november 2008, Stb. 468 (hersteld bij Besluit van 4 mei 2009, Stb. 206) en Besluit van 16 november 2009, Stb. 480) zijn ‘nieuwe’ (digitale) apparaten en gegevensdragers gedurende een bepaald tijdvak niet belast geweest met thuiskopievergoeding; hierdoor drukte de heffing ten onrechte eenzijdig op (Imation als) de fabrikant/importeur van traditionele gegevensdragers zoals cd’s en dvd’s (vorderingen onder C).

3.3.2

Imation stelt op deze drie gronden dat zij in bepaalde tijdvakken (vóór 1 januari 2013) aan Stichting De Thuiskopie te hoge bedragen aan thuiskopievergoeding heeft afgedragen over door Imation geleverde blanco cd’s en dvd’s. Imation heeft onder A, B en C diverse verklaringen voor recht alsmede betaling van bepaalde bedragen gevorderd.

Van Stichting De Thuiskopie verlangt Imation teruggaaf (restitutie) van het totaalbedrag dat zij in haar ogen te veel, dus onverschuldigd, heeft betaald.

Omdat Stichting De Thuiskopie zich op het standpunt stelt dat de betalingen niet onverschuldigd zijn geschied en dat slechts uitvoering is gegeven aan een heffingsregeling waarvan de inhoud (met name: het tarief) niet door haarzelf is bepaald, heeft Imation ook de Staat in rechte aangesproken. Van de Staat vordert Imation, kort gezegd, vergoeding van de door haar ondervonden schade als gevolg van de inning van thuiskopievergoeding bij Imation in strijd met regels van Unierecht.

3.4.1

In haar tweede tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat het meest verstrekkende verweer van Stichting De Thuiskopie en de Staat tegen de vorderingen van Imation het zogenoemde Copydan-verweer is, welk verweer inhoudt dat een eventuele vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding niet aan betalingsplichtigen zoals Imation toekomt, maar alleen aan eindgebruikers, omdat Imation in het Nederlandse stelsel de mogelijkheid heeft – en die mogelijkheid ook heeft benut – om het bedrag van de thuiskopievergoeding langs de weg van doorberekening in de prijs van de gegevensdragers af te wentelen op de eindgebruikers. Stichting De Thuiskopie en de Staat hebben in dit verband erop gewezen dat het hof in zijn (hiervoor in 3.2.3 genoemde) tussenarrest in de incassoprocedure dit Copydan-verweer gegrond heeft bevonden. (rov. 5.8)

3.4.2

Vervolgens heeft de rechtbank in haar tweede tussenvonnis onderzocht in hoeverre de vorderingen A, B en C afstuiten op een van de overige verweren van Stichting De Thuiskopie en de Staat.

De rechtbank heeft eerst het beroep op verjaring van de vorderingen A, B en C behandeld (rov. 5.14-5.25), en geoordeeld dat het verjaringsverweer van de Staat gedeeltelijk slaagt (rov. 5.21), en dat ook het verjaringsverweer van Stichting De Thuiskopie gedeeltelijk gegrond is (rov. 5.23-5.24). De overige geschilpunten die verband houden met het verjaringsverweer, heeft de rechtbank onbesproken gelaten, op de grond dat geen van deze geschilpunten tot de conclusie zal leiden dat het verjaringsverweer geheel opgaat (rov. 5.25).

Naar aanleiding van de vraag of de Staat aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad voor zover de AMvB’s leidden tot heffing van thuiskopievergoeding voor kopiëren uit illegale bron, heeft de rechtbank geoordeeld dat de bedragen in de AMvB’s in strijd met de Auteursrichtlijn zijn vastgesteld (rov. 5.34). Voorts heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat de thuiskopievergoeding die Imation op grond van de bevriezings-AMvB’s heeft betaald, te hoog was (rov. 5.41).

De rechtbank volgt Stichting De Thuiskopie niet in haar betoog dat zij niet is gehouden tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding, omdat onduidelijk is welk bedrag daarmee is gemoeid, dan wel dat de door Imation gedane betaling niet zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden (rov. 5.44-5.49). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Imation een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op Stichting De Thuiskopie voor de in strijd met het Unierecht in de AMvB’s te hoog vastgestelde thuiskopievergoeding (rov. 5.50).

Ten slotte heeft de rechtbank zich gebogen over het door Stichting De Thuiskopie en de Staat gevoerde doorberekeningsverweer (‘passing on’), inhoudende dat Imation geen schade heeft geleden doordat zij de thuiskopievergoeding heeft doorberekend aan de eindafnemers, en terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding uit hoofde van onverschuldigde betaling leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van Imation (rov. 5.51-5.67). Naar het oordeel van de rechtbank is de conclusie gerechtvaardigd dat dit verweer in enige mate zal slagen (rov. 5.66). Voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre het doorberekeningsverweer zal slagen, is nader onderzoek nodig, dat de rechtbank om proceseconomische redenen achterwege heeft gelaten (rov. 5.67).

De andere geschilpunten, die niet leiden tot een andere conclusie, heeft de rechtbank, ook om proceseconomische redenen, nog onbesproken gelaten (rov. 5.68).

3.4.3

Ten slotte heeft de rechtbank in haar tweede tussenvonnis de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“1. Komt, mede gezien het Copydan-arrest, in het Nederlandse rechtsstelsel een vordering tot restitutie van te veel betaalde thuiskopieheffing alleen toe aan de eindverwerver van de drager en niet aan de betalingsplichtige?

2. Dient bij de beantwoording van die vraag onderscheid te worden gemaakt tussen vorderingen gebaseerd op de grondslag dat er thuiskopieheffing is voldaan over dragers bestemd voor professioneel gebruik en vorderingen gebaseerd op andere grondslagen?”

De rechtspraak van het HvJEU

3.5.1

In zijn (hiervoor in 3.2.3 genoemde) arrest in de zaak Copydan Båndkopi heeft het HvJEU geoordeeld over de verenigbaarheid van het Deense stelsel van thuiskopievergoeding met het Unierecht, met name de Auteursrechtrichtlijn. In dat verband heeft het HvJEU, voor zover hier relevant, als volgt beslist (zie dictum onder 3):

“Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die producenten en importeurs die geheugenkaarten voor mobiele telefoons aan handelaren verkopen en ervan op de hoogte zijn dat deze kaarten bestemd zijn om te worden doorverkocht, maar niet weten of de eindverwervers particulieren of handelaren zijn, verplicht de vergoeding ter financiering van de billijke compensatie uit hoofde van de uitzondering op het reproductierecht voor kopieën voor privégebruik te betalen, mits

– een dergelijk stelsel gerechtvaardigd wordt door praktische moeilijkheden;

– betalingsplichtigen zijn vrijgesteld van de betaling van deze vergoeding als zij aantonen dat zij de geheugenkaarten voor mobiele telefoons hebben geleverd aan andere dan natuurlijke personen die deze installaties, apparaten en dragers duidelijk voor andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik aanschaffen, met dien verstande dat deze vrijstelling niet kan worden beperkt tot de levering aan enkel handelaren die zijn geregistreerd bij de organisatie die de vergoedingen beheert;

– dit stelsel voorziet in een recht op terugbetaling van de vergoeding dat doeltreffend is en de teruggave van de betaalde vergoeding niet uiterst moeilijk maakt, waarbij de vergoeding enkel kan worden terugbetaald aan de eindverwerver van een geheugenkaart die daartoe een verzoek bij de organisatie indient.”

3.5.2

In zijn arrest in de zaak Microsoft Mobile Sales (HvJEU 22 september 2016 (C-110/15), ECLI:EU:C:2016:717) heeft het HvJEU geoordeeld over de verenigbaarheid van het Italiaanse stelsel van thuiskopievergoeding met het Unierecht, in het bijzonder de Auteursrechtrichtlijn. In dat verband heeft het HvJEU, voor zover hier relevant, als volgt overwogen:

“52 In dat verband volstaat het om vast te stellen (…) dat het Hof in zijn arrest van 5 maart 2015, Copydan Båndkopi (…) inderdaad heeft overwogen dat het Unierecht niet in de weg staat aan een stelsel van billijke compensatie waarin alleen door eindgebruikers van apparaten of dragers waarvoor de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik geldt, om terugbetaling van deze vergoeding kan worden verzocht, maar het heeft daaraan toegevoegd dat een dergelijk stelsel enkel verenigbaar is met het Unierecht als de betalingsplichtigen, met inachtneming van het Unierecht, van deze vergoeding zijn vrijgesteld als zij aantonen dat zij de apparaten en dragers in kwestie hebben geleverd aan andere dan natuurlijke personen die deze duidelijk voor andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik aanschaffen.”

3.5.3

Uit de hiervoor in 3.5.1 aangehaalde passage moet worden afgeleid dat het Unierecht toelaat dat een lidstaat een stelsel van thuiskopievergoeding hanteert waarbij op producenten en importeurs van gegevensdragers de verplichting rust om de vergoeding te betalen die dient ter financiering van de billijke compensatie die toekomt aan de rechthebbenden uit hoofde van de uitzondering op het reproductierecht voor kopieën voor privégebruik, mits dit stelsel voldoet aan de in het arrest in de zaak Copydan Båndkopi geformuleerde voorwaarden. Uit de hiervoor in 3.5.2 aangehaalde passage moet worden afgeleid dat een in een lidstaat vigerend stelsel van thuiskopievergoeding dat voorziet in een recht op terugbetaling dat uitsluitend toekomt aan de eindgebruiker van de gegevensdrager, slechts in overeenstemming is met het Unierecht indien dat stelsel tevens voorziet in een vrijstelling voor betalingsplichtigen van hun betalingsverplichting voor zover zij aantonen dat zij de gegevensdragers leveren aan anderen dan particuliere eindgebruikers.

3.5.4

Deze uitleg van het Unierecht, met name de Auteursrechtrichtlijn, door het HvJEU stelt de Hoge Raad in staat de aan hem voorgelegde prejudiciële vragen te beantwoorden. Er is geen grond voor het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJEU.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.6.1

In het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding is niet voorzien in een vrijstelling van de heffing van thuiskopievergoeding voor betalingsplichtigen die kunnen aantonen dat zij de gegevensdragers leveren aan anderen dan particuliere eindgebruikers, zoals hiervoor in 3.5.1-3.5.3 bedoeld. Evenmin voorziet dit stelsel in een recht op terugbetaling van ten onrechte of te veel betaalde thuiskopievergoeding dat uitsluitend toekomt aan de eindgebruiker van de gegevensdrager, zoals hiervoor in 3.5.1-3.5.3 bedoeld.

Bij die stand van zaken is er geen grond om het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding aldus uit te leggen dat de vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding (art. 6:203 BW) slechts kan worden ingesteld door de eindgebruiker, met uitsluiting van de betalingsplichtige. Nu de betalingsplichtige in het Nederlandse stelsel geen beroep kan doen op een vrijstelling van de heffing van thuiskopievergoeding voor zover hij aantoont dat hij de gegevensdragers levert aan anderen dan particuliere eindgebruikers, dient (ook) hem het recht toe te komen om een vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding in te stellen. Een andere uitleg van het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding zou onverenigbaar zijn met het Unierecht, in het bijzonder de Auteursrechtrichtlijn, waaruit voortvloeit dat een uitsluitend recht op terugbetaling voor de eindgebruiker slechts toelaatbaar is indien tevens is voorzien in een vrijstelling van de heffing van thuiskopievergoeding voor de betalingsplichtige, als omschreven hiervoor in 3.5.3 (slot).

3.6.2

Aan de vorderingsgerechtigheid van de betalingsplichtige doet niet af dat hij in het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding de mogelijkheid heeft – ongeacht of hij die mogelijkheid (geheel of gedeeltelijk) benut – om door hem betaalde thuiskopievergoeding door te berekenen in de prijs van de gegevensdrager, in welk geval die thuiskopievergoeding niet ten laste van de betalingsplichtige blijft, maar ten laste van de eindgebruiker van de gegevensdrager komt. Weliswaar kan deze mogelijkheid ertoe leiden dat de betalingsplichtige geen schade lijdt en dat hij, bij toewijzing van zijn vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding, wordt verrijkt, maar een en ander staat niet in de weg aan de toewijsbaarheid van de op onverschuldigde betaling berustende vordering van de betalingsplichtige. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van afdeling 6.4.2 (art. 6:203-211) BW (vgl. T.M. en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 803) is de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling geen rechtsvordering tot vergoeding van schade, en is in dat verband de vraag in hoeverre degene die de prestatie zonder rechtsgrond heeft verricht en degene die haar heeft ontvangen, zijn verarmd of verrijkt, in beginsel zonder belang.

3.6.3

Op grond van het vorenstaande dient de eerste prejudiciële vraag aldus te worden beantwoord, dat in het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding (ook) de betalingsplichtige het recht toekomt om een vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopieheffing in te stellen.

3.6.4

Er is geen grond om bij de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag onderscheid te maken tussen de grondslagen waarop de vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding berust. In het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding kan de betalingsplichtige een vordering instellen tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopievergoeding, ongeacht of die vordering berust op (i) de grondslag dat ten onrechte thuiskopievergoeding is voldaan over gegevensdragers die bestemd waren voor professioneel gebruik, (ii) de grondslag dat ten onrechte thuiskopievergoeding is voldaan voor het kopiëren uit illegale bron, dan wel (iii) de grondslag dat de thuiskopievergoeding gedurende een bepaald tijdvak ten onrechte eenzijdig drukte op traditionele gegevensdragers, zoals cd’s en dvd’s, en niet op ‘nieuwe’ digitale apparaten en gegevensdragers.

3.6.5

Op grond van het vorenstaande dient de tweede prejudiciële vraag aldus te worden beantwoord dat in het Nederlandse stelsel van thuiskopievergoeding (ook) de betalingsplichtige het recht toekomt om een vordering tot terugbetaling van te veel betaalde thuiskopieheffing in te stellen, ongeacht op welke grondslag die vordering berust.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.6.3 en 3.6.5 weergegeven wijze;

begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv

– aan de zijde van Imation op € 1.800,--,

– aan de zijde van Stichting De Thuiskopie op € 1.800,--, en

– aan de zijde van de Staat op € 1.800,--.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 oktober 2017.