Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2568

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
16/04937
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:661, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Pilotreglement gerechtshof Amsterdam. Niet-ontvankelijkheid van hoger beroep wegens verzuim om memorie van grieven te nemen. Raadplegen elektronisch roljournaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/1097
NJB 2017/1991
NJ 2017/396
RBP 2018/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2017

Eerste Kamer

16/04937

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN AMRO.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/580576/HA ZA 15-115 van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2015 en 11 november 2015;

b. de rolbeslissingen en het arrest in de zaak 200.186.959/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2016 (rolbeslissing), 10 mei 2016 (rolbeslissing) en 7 juni 2016 (arrest).

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de rolbeslissingen en het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ABN AMRO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor ABN AMRO mede door mr. P.E. Ernste.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep tegen de rolbeslissing van 26 april 2016 en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 7 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) De rechtbank heeft de door [eiser] tegen ABN AMRO ingestelde vorderingen afgewezen.

  • -

    ii) [eiser] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan.

  • -

    iii) De zaak is bij het hof aangebracht op de rol van
    8 maart 2016. Tegen ABN AMRO is verstek verleend.

  • -

    iv) Aan [eiser] is voor het nemen van een memorie van grieven een termijn gegeven die op 26 april 2016 verstreek. Op die dag heeft ABN AMRO het verstek gezuiverd.

  • -

    v) Omdat [eiser] op 26 april 2016 nog niet van grieven had gediend, is bij rolbeslissing van 26 april 2016 de termijn voor het nemen van een memorie van grieven met twee weken verlengd. In het roljournaal is bij het verlenen van deze termijn aangetekend dat bij niet-dienen verval zal worden verleend.

  • -

    vi) [eiser] heeft binnen de extra termijn van twee weken niet van grieven gediend.

  • -

    vii) Bij rolbeslissing van 10 mei 2016 is verval verleend van het recht van [eiser] op het nemen van een memorie van grieven.

  • -

    viii) Bij arrest van 7 juni 2016 heeft het hof [eiser] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van grieven.

3.2

Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof in zijn rolbeslissingen van 26 april 2016 en 10 mei 2016 en in zijn arrest van 7 juni 2016 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de goede procesorde, dan wel zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel onder meer aan (i) dat noch [eiser] noch zijn advocaat ervan op de hoogte was (gesteld) dat ten tijde van het aanbrengen van de onderhavige zaak bij het hof niet het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: het Landelijk procesreglement), maar het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het pilotreglement) van toepassing was, (ii) dat de advocaat ervan uitging dat, in overeenstemming met het Landelijk procesreglement, na een eerste termijn voor het nemen van de memorie van grieven een tweede termijn van (niet twee weken, maar) vier weken zou worden gegeven, en (iii) dat het hof niet kon volstaan met de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde aantekening in het roljournaal, maar contact had moeten opnemen met de advocaat om hem duidelijk te maken dat een laatste termijn van twee weken werd gegeven op straffe van ambtshalve akte niet-dienen.

3.3

In de rolbeslissing van 26 april 2016 is [eiser] een termijn van veertien dagen gegeven voor het nemen van een memorie van grieven en is (overeenkomstig art. 133 lid 4 Rv en art. 1.7 van het pilotreglement) aangetekend dat bij niet-dienen van grieven het recht daarop vervalt. Tegen een dergelijke beslissing, die louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij, kan geen rechtsmiddel worden aangewend (vgl. HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, rov. 4.2-4.3). [eiser] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep tegen deze beslissing.

3.4.1

In de rolbeslissing van 10 mei 2016 en in het arrest van 7 juni 2016 heeft het hof toepassing gegeven aan het pilotreglement. Hoewel het pilotreglement daarin niet uitdrukkelijk voorziet, heeft het hof op de voet van de rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, en HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:606, NJ 2016/266), nadat [eiser] de eerste termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven niet had benut, ambtshalve aan [eiser] een extra termijn van veertien dagen gegeven om dit verzuim te herstellen.

3.4.2

In de procedure bij het hof werd [eiser] vertegenwoordigd door een advocaat. Een advocaat wordt op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding daarvan. Een en ander geldt ook voor de termijnen en de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het pilotreglement (vgl. onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075). Op het vorenstaande stuiten de hiervoor in 3.2 weergegeven klachten af dat de advocaat van [eiser] niet op de hoogte was (gesteld) van de toepasselijkheid van het pilotreglement en dat hij ervan uitging dat na een eerste termijn voor het nemen van de memorie van grieven een tweede termijn van vier weken zou worden gegeven.

3.4.3

Evenmin slaagt de klacht dat het hof niet kon volstaan met de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde aantekening in het roljournaal, maar contact had moeten opnemen met de advocaat om hem duidelijk te maken dat een laatste termijn van twee weken werd gegeven op straffe van ambtshalve akte niet-dienen. Het behoort tot de taak van de advocaat om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken van de procedure en om daartoe het elektronisch roljournaal te raadplegen. In dit geval had de advocaat het elektronisch roljournaal dienen te raadplegen nadat hij de eerste termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven ongebruikt had laten verstrijken, teneinde kennis te nemen van de rolbeslissing.

3.4.4

In cassatie is niet aangevoerd dat zich in dit geval de situatie aandient dat het elektronisch roljournaal in de relevante periode niet functioneerde, dan wel onjuiste of verwarringwekkende informatie bevatte, in welke situatie het gerechtvaardigd kan zijn om een uitzondering te maken op de gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding van een processuele termijn (vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418). Evenmin is in cassatie aangevoerd dat sprake is van een ‘apparaatsfout’ doordat van de zijde van (de administratie van) het hof anderszins onjuiste of verwarringwekkende informatie is verstrekt die van belang is in verband met de relevante termijnen, in welke situatie onder omstandigheden eveneens een uitzondering als hiervoor bedoeld gerechtvaardigd kan zijn (vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2814, NJ 2015/389).

3.4.5

Het vorenstaande brengt mee dat de hiervoor in 3.2 weergegeven klachten falen.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de rolbeslissing van 26 april 2016;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO

begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 oktober 2017.