Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2537

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
17/03025
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBROT:2014:5366, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Veroordeling t.z.v. moord. Aangevoerd wordt dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het oordeel dat het bewezenverklaarde feit niet aan aanvraagster kan worden toegerekend en derhalve tot ovar, indien de Rb. bekend was geweest met de inhoud van de bij de aanvraag in kopie overgelegde psychiatrische rapporten van X en Y van 22 april 2017. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:736, inhoudende dat een nieuw of gewijzigd deskundigenbericht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een “gegeven” ex art. 457 Sv. De Rb. heeft de vraag onder ogen gezien of en in welke mate het bewezenverklaarde aan aanvraagster kan worden toegerekend en heeft die vraag uitvoerig gemotiveerd beantwoord in die zin dat zij aanvraagster volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht en daarmee strafbaar voor het bewezenverklaarde feit. De bij de aanvraag overgelegde rapporten van X en Y komen erop neer dat zij de voor het oordeel omtrent de (mate van de) toerekenbaarheid van aanvraagster van belang zijnde f&o anders wegen dan de Rb. heeft gedaan. Die enkele omstandigheid is niet voldoende om het voor herziening vereiste “ernstige vermoeden” te wekken. Volgt afwijzing aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0412
RvdW 2017/1093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 17/03025 H

CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 juli 2014, nummer 10/811025-13, ingediend door J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort, namens:

[aanvraagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvraagster ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

2 De aanvraag tot herziening

2.1.

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2.

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe - naar de kern bezien - aangevoerd dat, indien de Rechtbank bekend zou zijn geweest met de inhoud van de bij de aanvraag gevoegde deskundigenrapporten, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekenbaarheid.

3 Bewezenverklaring en strafbaarheid van de aanvraagster

3.1.

In de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, is ten laste van de aanvraagster bewezenverklaard dat:

"zij op 1 februari 2013 te Vlaardingen opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.2.

De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, houdt ten aanzien van de strafbaarheid van de aanvraagster, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Dissociatieve stoornis en vijfde deskundige

Voor de terechtzitting van 27 november 2013 zijn door twee ambulante deskundigen rapporten opgemaakt. Deze rapporten zijn besproken met de deskundigen ter terechtzitting van 27 november 2013. Echter bij de beraadslaging in raadkamer bleken bij de rechtbank nog vragen te rijzen ten aanzien van de conclusie, dat de verdachte in een dusdanige dissociatieve toestand was geraakt, dat ze volledig ontoerekeningsvatbaar moest worden geacht.

Bij tussenvonnis van 19 december 2013 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend. De verdachte is vervolgens onderzocht in het Pieter Baan Centrum. De conclusies van de deskundigen in het Pieter Baan Centrum waren tegengesteld aan die van de ambulante deskundigen. Er was bij de verdachte geen sprake van een dissociatieve toestand. De verdachte moet volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Rapporten ambulante deskundigen

Door de psychiater, drs. P.C.A. van der Graaff, is omtrent de verdachte rapport opgemaakt d.d. 1 juli 2013 en 3 november 2013. Dit houdt onder meer het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een cognitieve stoornis Niet Anderszins Omschreven (hierna NAO) met daarnaast een intelligentie op zwakbegaafd niveau. Tevens is er sprake van een kwetsbare persoonlijkheid met afhankelijke en ontwijkende trekken. Ten tijde van het delict was sprake van een dissociatieve stoornis NAO met depressieve stemming, depersonalisatie en derealisatie die ontstaan is doordat de verdachte is onderworpen aan de geestelijke en fysieke mishandeling en indoctrinatie door de medeverdachte gedurende de aan het delict voorafgaande weken. Zij kreeg vanuit deze bijzondere omstandigheden een grote psychische drang om het delict te plegen. Er was voor haar geen andere mogelijkheid dan het delict te plegen. De verdachte moet als volledig ontoerekeningsvatbaar beschouwd worden. De omstandigheden waren dermate uitzonderlijk dat de kans op recidive als laag moet worden ingeschat.

Door de psycholoog, drs. B.Y. van Toorn is rapport opgemaakt d.d. 12 juni 2013 en 15 november 2013. Dit houdt onder meer het volgende in:

Bij de totstandkoming van het ten laste gelegde is sprake geweest van een combinatie van structurele kwetsbaarheid, beperkte weerbaarheid, afhankelijkheid en de neiging om op spanningen te reageren met dissociatieve symptomen en met toenemende cognitieve desorganisatie. In combinatie met de wekenlange mishandelingen, intimidaties, bedreigingen en zeer ernstig seksueel geweld heeft dit uiteindelijk geleid tot een dissociatief toestandsbeeld waarbij de verdachte de grip op de werkelijkheid en haar handelen kwijt raakte en volledig verloor toen de medeverdachte dreigde haar kinderen te zullen vermoorden. Het dissociatief toestandsbeeld ten tijde van het ten laste gelegde heeft er toe geleid dat zij niet meer in staat was zelfstandig afwegingen te maken en haar handelen dienovereenkomstig te sturen, waardoor zij op dat moment vanuit de beschreven pathologie, geen andere keuze meer had dan te gehoorzamen aan de opdracht van de medeverdachte. Op basis hiervan is het advies om de verdachte als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive is laag.

Rapport Pieter Baan Centrum

De psychiater M.J. van Haaren heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 23 mei 2014. Dit houdt onder meer het volgende in:

In diagnostische zin is er bij de verdachte geen sprake van een psychotische, een stemmings- of angststoornis. Op basis van het relaas van de verdachte ten aanzien van de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde, zou zij wekenlang ernstig (fysiek, geestelijk en seksueel) zijn mishandeld, hetgeen zij als traumatisch ervoer. Op basis van de onderzoeksgesprekken komen echter geen aanwijzingen naar voren voor de actuele aanwezigheid van een depressieve stoornis of posttraumatische stoornis, noch voor het bestaan van deze stoornissen in de aanloop tot én ten tijde van het ten laste gelegde.

Afgaande op verdachtes laatste verklaring was het bewustzijn van de verdachte in de aanloop tot het ten laste gelegde wel vernauwd; zij kon slechts denken aan haar kinderen, die zij moest beschermen door het latere slachtoffer te vermoorden.

Deze bewustzijnsvernauwing zou verklaard kunnen worden vanuit de grote psychische druk die de verdachte door de dreigementen ervoer, maar heeft als zodanig geen pathologisch karakter. Bij de verdachte kan niet worden gesproken van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens.

De psycholoog P.A.E.M.T. Cremers heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 23 mei 2014. Dit houdt onder meer het volgende in:

Uit uitgebreid intelligentieonderzoek en neuropsychologisch onderzoek zijn geen beperkingen naar voren gekomen. De in het ambulante onderzoek gestelde diagnose 'zwakbegaafdheid' (hoewel Van Toorn die diagnose in haar aanvullend onderzoek heeft laten vallen) kan dan ook niet worden bevestigd. Dat geldt ook voor de cognitieve stoornis NAO. Er konden geen cognitieve functiestoornissen worden vastgesteld en er zijn evenmin aanwijzingen voor dissociatieve stoornissen. Vanuit het persoonlijkheidsbeeld is de verdachte niet verhoogd gevoelig voor dissociatieve toestanden of stoornissen. Ook van een posttraumatische stressstoornis is niets gebleken. Het ten laste gelegde lijkt dan ook niet door een dissociatieve stoornis veroorzaakt. Dat de verdachte in angst was, zich klein voelde en dat geluiden harder klonken, is vanuit de optiek van grote angst en hetgeen zij van plan was te gaan doen te begrijpen. Hoewel er mogelijk sprake is geweest van een verkokering van het denken, lijkt het niet waarschijnlijk dat ze vanuit haar angst is gedissocieerd.

De psycholoog en psychiater komen gezamenlijk tot de volgende conclusie:

Op basis van het onderhavige onderzoek kan bij de verdachte niet worden gesproken van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in engere zin. Er bestaan geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis of voor pathologische persoonlijkheidstrekken. Evenmin zijn er stoornissen in de gewetensontwikkeling, impulscontrole, agressieregulatie en frustratietolerantie gevonden. Er is evenmin sprake van een dissociatieve stoornis. Geadviseerd wordt de verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De verdachte moet ten tijde van het delict in staat worden geacht de wederrechtelijkheid van haar gedrag in te zien en daarnaar te handelen.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat niet bepaald kan worden op basis waarvan aan het ene persoonlijkheidsonderzoek meer waarde zou moeten worden toegekend dan aan het andere. Alle deskundigen zijn door justitie benoemd. Bovendien is het onderzoek van het Pieter Baan Centrum gebrekkig, nu daar niet de SCID-D test is afgenomen.

De verdediging heeft primair verzocht de behandeling aan te houden en een vijfde deskundige te benoemen die gespecialiseerd is in dissociatieve stoornissen.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit om de conclusies van de eerste deskundigen over te nemen, de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten en derhalve te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen een aanhouding.

De verdachte is uitgebreid onderzocht en geobserveerd. Het benoemen van een vijfde deskundige heeft geen meerwaarde. Alle onderzoekers zijn bevraagd en hebben ter terechtzitting uitgebreid een toelichting kunnen geven. De SCID-D test meet slechts het bestaan van een dissociatieve stoornis op het moment van het onderzoek. Echter alle deskundigen zijn het met elkaar eens dat er ten tijde van hun onderzoek en ook thans geen sprake is van een dissociatieve toestand of stoornis bij de verdachte.

Nu duidelijk is dat er geen sprake was en is van een dissociatieve of enige andere stoornis moet de verdachte volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Oordeel van de rechtbank

De SCID-D test, zo heeft de rechtbank ter zitting van de deskundigen begrepen, voor zover deze al met die test bekend waren, zal alleen als diagnosemiddel kunnen dienen wanneer een dissociatieve stoornis actueel is. Alle deskundigen zijn het met elkaar eens dat in de huidige situatie geen sprake is van een dissociatieve toestand of stoornis bij de verdachte. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat het afnemen van de SCID-D test standaard is bij het vaststellen van een dissociatieve stoornis merkt de rechtbank op, dat geen van de deskundigen die de verdachte hebben onderzocht de betreffende test ooit heeft gebruikt.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben niet alleen een nieuw onderzoek verricht en op basis daarvan een rapport opgesteld, maar ook hebben zij kennis genomen van de uitkomsten van het eerste onderzoek. De resultaten daarvan zijn betrokken bij het door hen uitgevoerde onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies. Zij hebben de verdachte bevraagd op symptomen van een dissociatieve stoornis in het verleden en ten tijde van het delict en hebben daarvoor geen aanwijzingen gevonden. Desondanks hebben zij de screeningstesten DisQ en DES uitgevoerd. Uit deze testen zijn evenmin uitkomsten gekomen die zouden wijzen op een dissociatieve stoornis op een eerder moment.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum beschrijven dezelfde omstandigheden als de eerdere deskundigen, waarin de verdachte ten tijde van het plegen van het delict verkeerde, maar labelen dat niet als een dissociatieve toestand. Ter zitting hebben zij toegelicht dat het eventueel verkeren in een dissociatieve toestand, bovendien niet betekent dat erbij iemand sprake is van een stoornis.

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de vakbekwaamheid van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum, hun wijze van onderzoek en de juistheid van hun toelichting en ziet derhalve geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het benoemen van een vijfde deskundige. Alle deskundigen zijn ter terechtzitting uitvoerig bevraagd naar hun onderzoek, hun bevindingen en conclusies.

De rechtbank wijst het primaire verzoek van de verdediging af, neemt de gezamenlijke conclusie van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum over dat bij de verdachte geen sprake was van een dissociatieve toestand op basis waarvan de strafbaarheid zou komen te vervallen en acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het door haar gepleegde feit."

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

4.2.

In de aanvraag wordt gesteld dat sprake is van een gegeven als bedoeld in voormelde bepaling. Daartoe wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot het oordeel dat het bewezenverklaarde feit niet aan de aanvraagster kan worden toegerekend en derhalve tot een ontslag van alle rechtsvervolging, indien de Rechtbank bekend was geweest met de inhoud van de bij de aanvraag in kopie overgelegde psychiatrische rapporten van R.J.H. Winter van 2 februari 2016 en G.H.E. van Hoecke van 22 april 2017.

4.3.1.

Voormeld rapport van R.J.H. Winter houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Beantwoording van de vraagstelling.

(...)

Ten tijde van het ten laste gelegde, en inmiddels bewezen geacht delict, was er sprake van een post traumatische stressstoornis, mogelijk een acute stressstoornis. Dit laatste vooral ook omdat er sprake is van een dissociatieve amnesie (niet in staat zich een belangrijk aspect van het trauma te herinneren) hetgeen een specifiek symptoom bij een acute stressstoornis is.

(...)

De stoornis kon in zoverre gerelateerd worden aan het later uitgevoerde delict, dat betrokkene bedreigd werd met de dood of de dood van anderen wanneer zij de opdracht tot het doden van haar liefdesobject niet uitvoerde hetgeen in wezen als een dubbel trauma kan worden geclassificeerd. Het delict was echter gekozen door de partner en moest, onder bedreiging, door betrokkene worden uitgevoerd. Zij verkeerde zoals dat heet in een duivels dilemma waarin zij door haar partner annex beul voor het bijna onmogelijke werd gesteld. Rationele berekening ontbrak ten ene male en betrokkene voerde, geheel onder invloed van de voortdurend aanwezige angst de opdracht uit met het bekende gevolg.

(...)

Gezien de fysieke en psychische toestand waarin onderzochte zich bevond voorafgaande aan het delict moet worden geconstateerd dat dit een ernstige aanslag pleegde op haar vermogen tot rationele afweging zodanig dat geadviseerd wordt betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar."

4.3.2.

Voormeld rapport van G.H.E. van Hoecke houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Beantwoording van de vraagstelling

(...)

Onderzochte lijdt aan een posttraumatische stoornis, die thans partieel in remissie is. Haar verbale intelligentie imponeert laag. Ze heeft geen persoonlijkheidsstoornis, maar wel afhankelijke trekken in haar persoonlijkheid.

(...)

Ten tijde van het ten laste gelegde, had ze een acute stress stoornis, die zich ontwikkelde ten gevolge van extreme fysieke, psychische en seksuele mishandeling door haar toenmalige partner. Dit had tot gevolg dat ze onder andere een cognitieve stoornis ontwikkelde die als 'minimal brain damage' beschreven werd door Drs. B. Toorn.

(...)

Uit inventarisatie van de risicofactoren op femicide, dat kenmerken van haar relatie met M.B., er een groot risico was dat onderzochte door M.B. om het leven zou worden gebracht. Dit risico werd kort voor het ten laste gelegde nog hoger dan voorheen, door de aanwezigheid van een revolver, toename van de jaloezie, de kans op verstikking tijdens seksueel contact en het herhaaldelijk gebruiken van seksueel geweld. De perceptie van onderzochte dat de situatie waarin ze verkeerde daadwerkelijk levensbedreigend voor haar was, wordt door de risicoanalyse van Campbell ondersteund.

Gezien de verbale dreiging van M.B. dat hij hun kinderen om het leven zou brengen, was de angst van onderzochte dat dit mogelijk kon gebeuren, niet ongegrond.

In de studie van R. Verwijs en K. Lunnemann, stond beschreven, dat het vaker voorkwam dat een slachtoffer na een periode van blootstelling aan ernstige agressie, er iets breekt bij het slachtoffer ('het ombrengen van haar kinderen, was de laatste druppel in haar wereld'), waardoor ze zelf gewelddadig gaat handelen.

Daarnaast was onderzochte door de diverse en veelvuldige mishandelingen van M.B. in de twee weken voor het ten laste gelegde, volledig mentaal uitgeput. Dit culmineerde ten tijde van het ten laste gelegde in een acute stress stoornis, waarbij ze symptomen van depersonalisatie en dissociatie ervaarde. Ze voerde de instructies van M.B. ten tijde van het ten laste gelegde uit op een volledig onthechte manier, met als enige achterliggende gedachte dat ze haar kinderen in leven wilde houden en dat haar pijn zou stoppen.

(...) Het ten laste gelegde kan onderzochte niet aangerekend worden.

(...) Ze beschreef de symptomen die voorkomen ten gevolgen van sociale isolatie, slaapgebrek, stress positioning, culturele vernederingen, seksuele degradatie en perceptuele deprivatie voorkwamen: ze werd vatbaarder voor suggesties en verhoogd meegaande met M.B. Haar vermogen om informatie te verwerken nam af. Ze had ook een verminderd vermogen om alternatieven te bedenken om de risico's van haar gedrag en de gevolgen ervan te overzien. Ze wilde gewoon dat de mishandelingen stopten. De ernst symptomen werden door het cluster effect nog verveelvoudigd. Dit leidde uiteindelijk tot een desintegratie van haar persoonlijkheid en van haar vermogen om zich rationeel te gedragen."

4.4.

Een nieuw of een gewijzigd deskundigeninzicht kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een "gegeven" in de zin van art. 457 Sv en kan daardoor grond zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige de voor het oordeel omtrent de toerekenbaarheid van belang zijnde feiten en omstandigheden anders weegt dan de rechter, is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. (Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736, NJ 2016/305.)

4.5.

Blijkens haar hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen heeft de Rechtbank de vraag onder ogen gezien of en in welke mate het bewezenverklaarde aan de aanvraagster kan worden toegerekend en heeft zij die vraag uitvoerig gemotiveerd beantwoord in die zin dat zij de aanvraagster volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht en daarmee strafbaar voor het bewezenverklaarde feit. De bij de aanvraag overgelegde rapporten van Winter en Van Hoecke komen naar de kern genomen erop neer dat zij de voor het oordeel omtrent de (mate van de) toerekenbaarheid van de aanvraagster van belang zijnde feiten en omstandigheden anders wegen dan de Rechtbank heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, is die enkele omstandigheid niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. De bij de aanvraag overgelegde rapporten bieden derhalve noch op zichzelf beschouwd, noch in onderling verband bezien steun aan de stelling dat de Rechtbank, indien zij met de genoemde rapporten bekend zou zijn geweest, tot het oordeel was gekomen dat het bewezenverklaarde feit niet aan de aanvraagster kan worden toegerekend en derhalve de aanvraagster had ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2017.