Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2503

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/05327
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:976, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, verkoop harddrugs. Middelen over de door Hof gebruikte methode van extrapolatie en motivering Hof winstpercentage verkoopprijs van de verdovende middelen HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/05030 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

26 september 2017

Strafkamer

nr. S 16/05327 P

SLU

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2015, nummer 20/003900-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2017.