Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2499

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
16/01681
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:972, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:2379, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van witwassen door uit (eigen) misdrijf afkomstige verzekeringsgelden te laten storten op bankrekeningen op naam van een ander, die feitelijk aan verdachte ter beschikking stonden. Verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842 over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte A heeft overgehaald om zijn bankrekening ter beschikking te stellen, dat verdachte de beschikking heeft gekregen over de bankrekeningnummers van A, dat A niet gerechtigd was tot ontvangst van de op zijn bankrekening overgeboekte verzekeringssommen, dat verdachte een deel van het ontvangen geld heeft overgeboekt naar andere bankrekeningen en dat A een deel van de stortingen contant heeft opgenomen en aan verdachte heeft overhandigd. ’s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag niet slechts tezamen en in vereniging met een ander heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Samenhang met 16/01682 P. CAG: anders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0386

Uitspraak

26 september 2017

Strafkamer

nr. S 16/01681

EC/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2016, nummer 21/004912-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 11 t/m 15 februari 2011, te Zevenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten een geldbedrag (ongeveer 283.879,- euro), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2.2.1.

Het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt met betrekking tot de bewijsvoering het volgende in:

"De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

- OHRA Levensverzekeringen NV heeft op 11 februari 2011 een bedrag van € 127.611,88 overgemaakt naar rekeningnummer [0001] . Dat bedrag betrof de vrijgevallen verzekeringssom van de lijfrenteverzekering van [betrokkene 1] .

- Op 15 februari 2011 heeft OHRA Levensverzekeringen NV een bedrag van € 156.267,41 overgemaakt naar rekeningnummer [0001] . Dat betrof de vrijgevallen verzekeringssom van de lijfrenteverzekering van [betrokkene 2] .

- Het rekeningnummer [0001] staat op naam van [betrokkene 3] .

- Na de storting van € 127.611,88 op 11 februari 2011 op rekening [0001] , is er vanuit het IP adres [0002] te België opdracht gegeven tot twee overboekingen vanaf die rekening, namelijk een overboeking om 18.38 uur van € 22.000, - naar rekeningnummer [0003] en een overboeking om 18.47 uur van € 27.950,- naar rekeningnummer [0004] .

- Het IP-adres [0002] staat op naam van [betrokkene 4] , [a-straat 1] , [...] Sint-Job-in-'t Goor .

- In de periode van 11 februari t/m 14 februari 2011 is een totaalbedrag van € 52.000,- van de ING-rekening [0001] bij pinautomaten in Zevenaar, Didam, Duiven en Arnhem respectievelijk het casino in Nijmegen contant opgenomen.

- Op 14 februari 2011 is vanaf het IP-adres [0005] een geldbedrag van € 9.000,- van de rekening [0001] naar de rekening [0004] overgeboekt. Het IP-adres is van [betrokkene 5] , wonende aan de [b-straat 1] te Zevenaar .

- Vanaf rekeningnummer [0004] is er in de periode van 11 februari 2011 tot en met 14 februari 2011 een totaalbedrag van € 16.500,- bij pinautomaten in Duiven, Arnhem en Zevenaar, respectievelijk het casino in Nijmegen, contant opgenomen.

- Op 14 februari 2011 heeft er een overboeking van € 10.500,- plaatsgevonden van rekening [0004] naar rekeningnummer [0006] .

- Ten laste van rekeningnummer [0006] is op 14 februari 2011 bij een filiaal van de Rabobank in Zevenaar een bedrag van € 5.000,- contant opgenomen.

- Van de bankrekening 34.52.772 zijn op 14 februari 2011 twee contante geldopnames gedaan: een bedrag van € 10.000,- bij een postkantoor in Arnhem en een bedrag van € 2.000,- bij een postkantoor in Zevenaar.

Aldus is van de rekeningen [0001] , [0004] , [0006] en [0003] een totaalbedrag van € 85.500,- contant opgenomen. De rekeningnummers [0001] , en [0004] , en [0006] en [0003] zijn alle op naam gesteld van [betrokkene 3] .

(...)

Van enig misdrijf afkomstig:

De medewerker [betrokkene 6] van OHRA Levensverzekeringen NV heeft verklaard op verzoek van twee mannen twee vrijwaringsaktes betreffende de vrijkomende lijfrentepolissen van twee klanten te hebben vervalst door bewust het rekeningnummer van [betrokkene 3] , [0001] , in plaats van de rekeningnummers van de rechthebbenden te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze valsheid in geschrifte ten grondslag gelegen aan de storting van een totaalbedrag van (afgerond) € 283.879,- op de rekening [0001] ten name van [betrokkene 3] .

Verklaring [betrokkene 3] :

[betrokkene 3] heeft verklaard door verdachte te zijn overgehaald om zijn bankrekening ter beschikking te stellen voor de storting van een groot geldbedrag. Met betrekking tot dit doeleinde heeft hij, met uitzondering van zijn zakelijke rekening (rekeningnummer [0007] ), de bankrekeningnummers, bankpassen en inlogcodes van zijn bankrekeningen aan verdachte afgegeven. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat hij de hiervoor vermelde contante opnames bij pinautomaten, bankfilialen en bij het casino heeft gedaan. Na elke geldopname moest hij het gepinde geld en de bankpas aan verdachte afgeven. [betrokkene 3] verklaart zelf uiteindelijk € 5.000,- aan de geldopnames te hebben overgehouden.

Ondersteuning van de verklaring van [betrokkene 3] met betrekking tot de rol van verdachte:

(...)

* gebruik IP adres [0002] :

De rekening [0001] werd op 11 februari 2011 veelvuldig geraadpleegd vanuit het IP-adres [0002] verbonden aan het adres [a-straat 1] te Sint-Job-in-'t-Goor , België. Voorts zijn vanuit dit IP-adres op 11 februari 2011, als vermeld bij de vaststaande feiten, twee overboekingen gedaan. De vraag is dan wie van dit IP-adres gebruik heeft gemaakt en de opdrachten heeft gegeven. Het IP-adres staat op naam van verdachtes broer [betrokkene 4] .

De rechtbank constateert dat verdachte zeer wisselende verklaringen aflegt over de plaats waar hij zich op 11 februari 2011 bevond. Verdachte heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij met [betrokkene 3] naar een sauna in België is gegaan, waarna vervolgens [betrokkene 3] in de woning van zijn broer [betrokkene 4] op internet zou hebben ingelogd omstreeks 15.00 uur. Geconfronteerd met het gegeven dat op dit adres is ingelogd om 18.38 en 18.47 uur, blijft verdachte erbij dat hij en [betrokkene 3] die dag om 18.00 uur weer terug in Zevenaar waren. Aldus spreekt verdachte zichzelf in een en hetzelfde verhoor tegen.

Op een later moment verklaart verdachte bij de politie dat hij niet weet of [betrokkene 3] op internet heeft ingelogd en ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij nooit met [betrokkene 3] in België is geweest. Verdachte ontkent ter terechtzitting ook zelf op 11 februari 2011 in België te zijn geweest. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij op 11 februari 2011 niet in België is geweest. Hij maakt alleen gebruik van internetbankieren vanuit zijn bedrijf (IP-adres [0008] ten name van [betrokkene 7] ). De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [betrokkene 3] over zijn afwezigheid in België wordt ondersteund door de analyse van het telefoonnummer van [betrokkene 3] , 06- [...] op 11 februari 2011. Uit het onderzoek naar diens telefoon kan worden afgeleid dat de telefoon van [betrokkene 3] zich op 11 februari 2011 tussen 01.26 uur en 23.22 uur bevond in Zevenaar. Vanaf 23.23.33 uur verplaatst het toestel zich naar Bemmel, Nijmegen in de richting van Lent.

* gebruik laptop van verdachte:

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 3] over de rol van verdachte voorts wordt ondersteund door de bevindingen uit het onderzoek naar de Acer laptop en Toshiba laptop die gedurende de doorzoeking aan de [b-straat 2] te Zevenaar zijn aangetroffen. Uit onderzoek naar de aangetroffen laptops volgt dat met behulp van de Acer laptop herhaaldelijk de rekening [0001] ten name van [betrokkene 3] is geraadpleegd. Daarbij is gebruik gemaakt van de gebruiksnaam [verdachte] . De rechtbank constateert dat de Acer laptop ook is gebruikt om de rekening [0003] ten name van [betrokkene 3] te raadplegen. Voorts leidt de rechtbank uit het onderzoek af dat met behulp van de Toshiba laptop de rekening [0001] ten name van [betrokkene 3] is geraadpleegd. Ter zitting heeft verdachte ontkend dat de Acer laptop van hem is, waar hij bij de politie heeft verklaard dat hij een nieuwe en een tweedehandscomputer heeft liggen in de woning aan de [b-straat 2] .

* gebruik IP-adressen [0009] en [0005] :

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 3] eveneens wordt ondersteund door het feit dat diens rekening [0003] is geraadpleegd vanuit de IP-adressen [0009] en [0005] . Het IP-adres [0009] is op naam gesteld van [betrokkene 4] , [b-straat 2] te Zevenaar . Zoals beschreven in dit overzicht, staat het IP-adres [0005] op naam van [betrokkene 5] , wonende aan de [b-straat 1] te Zevenaar . Gedurende de doorzoeking in de woning aan de [b-straat 2] , ten aanzien waarvan de rechtbank uit gaat dat verdachte daar ten tijde van het tenlastegelegde regelmatig verbleef, werd één onbeveiligd draadloos netwerk geconstateerd. Het signaal van dit werk was het sterkste voor de deur van perceel [b-straat 1] . Getuige [betrokkene 5] bevestigt dat ook zij in februari 2011 een onbeveiligde draadloze internetverbinding had. Zoals beschreven is met behulp van het IP-adres van [betrokkene 5] ook een bedrag van € 9.000,- overgeboekt van rekening [0001] naar [0004] .

Verdachte verklaart bij de politie over de woning aan de [b-straat 2] als zijn "thuis". Ter terechtzitting verklaart verdachte soms in de woning aan de [b-straat] te overnachten. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte regelmatig aan de [b-straat 2] te Zevenaar verbleef, aangezien in de woning tevens een kluis en een laptop zijn aangetroffen, waarvan verdachte bij de politie heeft erkend dat deze aan hem toebehoren. Voorts leidt de rechtbank uit het dossier af dat verdachte zich reeds eerder heeft voorgedaan als [betrokkene 4] . Op 5 juli 2011 immers, heeft verdachte zich bij de politie door middel van een geldig rijbewijs voorzien van nummer [0010] gelegitimeerd als [betrokkene 4] . Verdachte bevestigt ook dat het gaat om een vervalst rijbewijs. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat verdachte niet [betrokkene 4] , maar [verdachte] was.

Op grond van de verklaring van [betrokkene 3] , het feit dat verdachte regelmatig in de woning aan de [b-straat 2] te Zevenaar verbleef, verdachte zich reeds eerder als [betrokkene 4] heeft voorgedaan en heeft erkend dat zijn internetaansluiting van UPC op naam van zijn broer [betrokkene 4] staat, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die met behulp van de Acer laptop en Toshiba laptop en de IP-adressen [0002] , [0009] en [0005] de bankrekeningen van [betrokkene 3] heeft geraadpleegd, vanuit het IP-adres van [betrokkene 5] een bedrag van € 9.000,- heeft overgeboekt en vanuit het IP-adres [0002] in België twee overboekingen heeft verricht. De verklaring van verdachte dat [betrokkene 3] wel eens bij hem op de [b-straat] is geweest om gebruik te maken van het internet op de computer in de woonkamer, acht de rechtbank niet aannemelijk. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [betrokkene 3] slechts oppervlakkig kent en de rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat verdachte een kennis om 7.11 uur de rekening [0001] laat raadplegen. Daarnaast acht de rechtbank het gebruik van diverse IP-adressen door [betrokkene 3] onaannemelijk, gelet op de omstandigheid dat de bankrekeningen van [betrokkene 3] reeds werden gebruikt voor de stortingen door OHRA Levensverzekeringen NV en daarmee het spoor reeds direct naar hem zou leiden zodat [betrokkene 3] op zichzelf niet was gebaat bij het versluieren van het internetbankieren.

Tussenconclusie:

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 3] voldoende wordt ondersteund en dat verdachte [betrokkene 3] heeft overgehaald om zijn bankrekening ter beschikking te stellen voor de storting van een groot geldbedrag. Daarbij heeft verdachte de beschikking gekregen over de bankrekeningnummers, bankpassen en inlogcodes van [betrokkene 3] . Dit maakt dat verdachte zeggenschap had over de bankrekeningen van [betrokkene 3] en daarmee in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 3] het geldbedrag van OHRA Levensverzekeringen NV ter hoogte van € 283.879,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [betrokkene 3] de contant opgenomen bedragen tot een totaal van € 85.500,-, in de periode van 11 tot en met 14 februari 2011 aan verdachte heeft afgegeven.

Wetenschap:

[betrokkene 3] heeft bij de politie verklaard dat verdachte wist van de storting van een groot geldbedrag. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat verdachte middels de IP-adressen [0009] , [0002] en [0005] , de rekening van [betrokkene 3] ( [0001] ) op zowel 11 februari als 14 februari 2011, de dagen waarop door OHRA Levensverzekeringen NV de bedragen € 127.611, 88 en € 156.267,41 werden gestort, veelvuldig raadpleegde.

Voorts hebben op 11 februari 2011 direct veel overboekingen en pintransacties plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist van de stortingen van de geldbedragen door OHRA Levensverzekeringen NV en de criminele herkomst van het totaalbedrag van € 283.879,-."

2.2.2.

Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"Uit de in het vonnis van de rechtbank Gelderland van 23 april 2013 onder paragraaf 3 "de beslissing inzake het bewijs", aangehaalde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van witwassen van € 283.879 waarbij verdachte wist dat het door hem verworven en voorhanden gekregen geld onmiddellijk uit misdrijf afkomstig was.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 21 april 2015 [ECLI:NL:HR:2015:1090] beslist dat in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die op verhullen/verbergen is gericht en dat dan uit de motivering door de rechter moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Door een medewerker van OHRA Levensverzekeringen NV zijn op 11 februari 2011 en 15 februari 2011 vrijgevallen verzekeringssommen van lijfrenteverzekeringen van derden, tot een totaal bedrag van € 283.879, overgeboekt op bankrekeningnummer [0001] van [betrokkene 3] , die niet gerechtigd was tot het ontvangen van die verzekeringssommen. Kort daarna is een deel van het geld dat werd gestort op de rekening van die [betrokkene 3] overgeboekt naar andere bankrekeningen die ook op naam van [betrokkene 3] stonden. Verdachte heeft van [betrokkene 3] de bankrekeningnummers, bankpassen en inlogcodes verkregen. Kort na het storten van de gelden is een deel van het geld door [betrokkene 3] contant opgenomen en vervolgens overhandigd aan verdachte.

Het rekeningnummer [0001] werd op 11 februari 2011 veelvuldig geraadpleegd vanaf een IP-adres verbonden aan de [a-straat 1] te Sint-Job-in-'t-Goor in België. Ook zijn vanaf dit adres op 11 februari 2011 twee overboekingen gedaan. Het IP-adres in België staat op naam van de broer van verdachte. Daarnaast werd het rekeningnummer [0001] rond die tijd ook geraadpleegd vanaf het IP-adres verbonden aan [b-straat 2] te Zevenaar waar verdachte veelvuldig verbleef. Ook dit adres staat op naam van de broer van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig in de woning aan de [b-straat 2] verbleef. Bij zijn aanhouding heeft verdachte zich voorgedaan als zijn broer. Hij was ook in het bezit van een vals rijbewijs op naam van zijn broer. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het verdachte is geweest die bedoelde raadplegingen en overboekingen heeft verricht en de huur op valse naam is aangegaan.

Op grond van de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte handelingen heeft verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht zijn geweest de criminele herkomst van de gelden te verbergen of te verhullen door die gelden niet te laten overboeken op zijn eigen rekening, maar op een rekening die niet op zijn naam stond maar waarover hij wel de beschikking had."

2.3.

Het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als "medeplegen van witwassen".

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde "medeplegen van witwassen" oplevert.

3.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard - kort gezegd - het tezamen en in vereniging met een ander verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag, terwijl hij wist dat dat geldbedrag onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Uit de bewijsvoering vloeit voort - naar ook het middel tot uitgangspunt neemt - dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag naar het oordeel van het Hof onmiddellijk afkomstig was uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

3.3.

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen zoals opgenomen in art. 420bis, eerste lid onder b, en art. 420quater, eerste lid onder b, Sr.

Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218.)

3.4.

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 11 tot en met 15 februari 2011 een geldbedrag van in totaal € 283.879,- heeft verworven en voorhanden gehad. Blijkens de bewijsvoering bevond dat bedrag zich in die periode op de ten name van mededader [betrokkene 3] gestelde, doch feitelijk ter beschikking aan de verdachte staande bankrekeningen [0001] , [0004] , [0006] en [0003] , terwijl de verdachte dat bedrag ten dele ook in contante vorm onder zich had. Het Hof heeft in dat verband vastgesteld dat:

- de verdachte [betrokkene 3] heeft overgehaald om zijn bankrekening [0001] ter beschikking te stellen voor de storting van een groot geldbedrag,

- de verdachte de beschikking heeft gekregen over de voornoemde bankrekeningnummers van [betrokkene 3] en de daarbij behorende bankpassen en inlogcodes,

- door een medewerker van OHRA Levensverzekeringen NV een totaalbedrag van € 283.879,- is overgeboekt op bankrekening [0001] van [betrokkene 3] , terwijl die niet gerechtigd was tot ontvangst van die verzekeringssommen,

- de verdachte onder gebruikmaking van op naam van zijn broer onderscheidenlijk van [betrokkene 5] gestelde IP-adressen een deel van het op bankrekening [0001] ontvangen geld heeft overgeboekt naar de bankrekeningen [0004] en [0003] , alsook een overboeking heeft gedaan van bankrekening [0004] naar bankrekening [0006] , en

- [betrokkene 3] kort na het storten van gelden op die bankrekeningen een deel daarvan contant heeft opgenomen en heeft overhandigd aan de verdachte.

Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag niet slechts tezamen en in vereniging met een ander heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is vastgesteld op 29 augustus 2017 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2017.