Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2460

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
16/03972
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:354, Contrair
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 20 WBR, artikel 7:925 BW; kwaliteitsregeling voor slachtvee met compensatiemogelijkheid bij afkeuring vlees. Verzekering in de zin van art. 20 WBR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-09-2017
FutD 2017-2402

Uitspraak

29 september 2017

nr. 16/03972

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X2] B.V. (voorheen [X2] N.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 28 juni 2016, nr. 15/01062, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 14/5149) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de assurantiebelasting over het tijdvak 1 september 2013 tot en met 30 september 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 13 april 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:354).

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende bood tot 1 juli 2013 verzekeringen aan ter dekking van het risico op schade als gevolg van verborgen gebreken bij slachtdieren. De afnemers van deze verzekeringen waren slachtbedrijven.

2.1.2.

In 2012 heeft belanghebbende besloten haar activiteiten te wijzigen. Onder de naam “Kwaliteitsregeling [X1] en [X2]” (hierna: de Kwaliteitsregeling) is zij met ingang van 1 juli 2013 tegen vergoeding diensten gaan verlenen aan slachtbedrijven.

2.1.3.

De Kwaliteitsregeling bevat voorschriften om de kwaliteit van op het bedrijf van een contractant ter slacht aangeboden dieren te verbeteren. Contractanten van belanghebbende betalen voor alle slachtdieren een bijdrage en worden periodiek gecontroleerd op naleving van de voorschriften uit hoofde van de Kwaliteitsregeling. Indien die voorschriften zijn nageleefd en desondanks na slacht het vlees geheel of gedeeltelijk ongeschikt voor menselijke consumptie wordt verklaard, kan de contractant belanghebbende om compensatie verzoeken.

In zowel de tot de Kwaliteitsregeling behorende overeenkomst tot deelname, de algemene voorwaarden als de voorschriften en beoordelingscriteria is opgenomen dat belanghebbende nimmer tot zodanige compensatie is gehouden. Tegen afwijzing van een verzoek om compensatie kan bij belanghebbende bezwaar worden gemaakt waarna arbitrage overeenkomstig het Arbitragereglement van het Nederlands Arbitrage Instituut openstaat.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of de door belanghebbende aangeboden overeenkomsten moeten worden aangemerkt als verzekeringen in de zin van artikel 20 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: de Wet).

2.2.2.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het de overeenkomsten getoetst aan artikel 7:925, lid 1, BW en overwogen dat door de overeenkomst jegens de contractant een verbintenis is ontstaan waarbij laatstgenoemde mag verwachten dat, indien hij zich aan de voorwaarden van de Kwaliteitsregeling houdt en het slachtdier geen uitgesloten gebrek of ziekte heeft, zijn schade wegens ongeschikt verklaren voor menselijke consumptie wordt gecompenseerd. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de Kwaliteitsregeling in de keten van belanghebbende, het slachthuis (de contractant van belanghebbende), een eventuele veehandelaar en de boer, geen materiële wijziging teweeg heeft gebracht ten opzichte van de voorheen bestaande verzekering. Het Hof heeft eveneens aannemelijk geacht dat belanghebbende een verzoek om compensatie niet naar believen en ongemotiveerd (geheel) zou kunnen afwijzen onder verwijzing naar de bewoordingen van de overeenkomst met de contractant. Dat bij bepaalde oorzaken van het ongeschikt voor menselijke consumptie verklaren geen compensatie plaatsvindt en dat bij het niet (volledig) voldoen aan de voorwaarden van de Kwaliteitsregeling een korting wordt toegepast, doet aan het voorgaande niet af. Iedere overeenkomst van verzekering bevat immers voorwaarden waaraan de verzekerde zich dient te houden om (het risico op) schade te voorkomen dan wel te beperken. Evenmin is van belang dat belanghebbende niet tot compensatie is gehouden ingeval de contractant failliet is of belanghebbende over onvoldoende middelen beschikt. In het laatstgenoemde geval kan geen enkele verzekeraar een uitkering doen en het eerstgenoemde geval kan contractueel worden uitgesloten, aldus het Hof.

2.3.1.

Tegen deze oordelen richt zich het middel. Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat, zoals ook het Hof tot uitdrukking heeft gebracht, voor het begrip ‘verzekering’ in artikel 20 van de Wet moet worden aangesloten bij de civielrechtelijke uitleg van dit begrip (zie HR 14 februari 2014, nr. 12/05800, ECLI:NL:HR:2014:282, BNB 2014/82). Assurantiebelasting kan daarom alleen worden geheven als een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:925 BW tot stand is gekomen. Een zodanige overeenkomst houdt in dat de ene partij, de verzekeraar, jegens de andere partij, de verzekeringnemer, een in rechte afdwingbare verbintenis aangaat tot het doen van een of meer uitkeringen bij het intreden van het verzekerde risico.

2.3.2.

Voorts wordt vooropgesteld dat bij de uitleg van overeenkomsten als de onderhavige, die eenzijdig zijn opgesteld teneinde verbindend te worden voor wederpartijen die over de inhoud ervan niet hebben kunnen onderhandelen, naar vaste rechtspraak groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Dit neemt niet weg dat ook bij dergelijke overeenkomsten de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat aan de bepalingen van de overeenkomst een andere dan de taalkundige betekenis moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 5 april 2013, nr. 11/05299, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214, onderdeel 3.4.3).

2.3.3.

In de hiervoor in 2.2.2. weergegeven overwegingen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de door belanghebbende gesloten overeenkomsten in weerwil van de bewoordingen daarvan aldus moeten worden uitgelegd dat belanghebbende verplicht is haar wederpartij te compenseren voor geleden schade indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Bij die uitleg van de overeenkomsten geeft ’s Hofs oordeel dat sprake is van verzekeringen in de zin van artikel 20 van de Wet geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.3.4.

Dit oordeel van het Hof is ook naar behoren gemotiveerd. De in onderdeel 2.2.2. van dit arrest samengevatte overwegingen kunnen het oordeel dragen dat de op de Kwaliteitsregeling gebaseerde contracten aldus moeten worden uitgelegd dat belanghebbende een daarin voorziene uitkering niet zal kunnen weigeren op de enkele grond dat in de overeenkomst is bepaald dat geen daartoe strekkende verplichting wordt aanvaard. In verdergaande mate kan dat oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet worden onderzocht.

2.3.5.

Het middel faalt.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.