Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2450

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
16/05347
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:646, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:4309, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 6.27 Wet IB 2001, uitgaven niet aangemerkt als scholingsuitgaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-09-2017
FutD 2017-2403
NLF 2017/2326 met annotatie van Almer de Beer

Uitspraak

29 september 2017

nr. 16/05347

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 september 2016, nr. 16/00059, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nr. BRE 15/2912) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat‑Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 juni 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:646).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was in 2011 in loondienst bij een technisch bedrijf. Hij verrichtte daar licht administratief werk en verzorgde cursussen voor het bedienen van machines.

2.1.2.

Vanaf eind 2006 tot eind oktober 2013 dreef belanghebbende een juridisch adviesbureau in de vorm van een eenmanszaak. In zijn aangiften IB/PVV 2007 tot en met 2011 heeft hij geen winst uit onderneming en geen resultaat uit een werkzaamheid aangegeven.

2.1.3.

Sinds januari 2013 is belanghebbende enig aandeelhouder en bestuurder van een in de vorm van een besloten vennootschap gedreven juridisch adviesbureau (hierna: de vennootschap). In haar aangiften vennootschapsbelasting 2013 en 2014 heeft de vennootschap geen omzet en kosten aangegeven.

2.1.4.

In 2011 heeft belanghebbende een aantal postacademische juridische cursussen gevolgd (hierna: de cursussen). In verband daarmee heeft hij in zijn aangifte IB/PVV voor 2011 in totaal € 13.764 aan kosten van de cursussen en van literatuur, kopiëren en mappen in aftrek gebracht als uitgaven in de zin van artikel 6.27 (tekst 2011) van de Wet IB 2001 (hierna: scholingsuitgaven).

2.1.5.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur alleen de kosten van de cursussen voor een bedrag van € 5501 als scholingsuitgaven in aftrek toegelaten.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of de in 2.1.4 bedoelde kosten volledig in aftrek kunnen worden gebracht als scholingsuitgaven.

2.2.2.

Het Hof heeft voormelde vraag in ontkennende zin beantwoord door het oordeel van de Rechtbank over te nemen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in redelijkheid kon verwachten na voltooiing van de cursussen daarmee inkomen te zullen verwerven. In aanvulling daarop heeft het Hof overwogen dat uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 6.27 Wet IB 2001 volgt dat een opleiding voor de toepassing van dat artikel ook mag zijn gevolgd met het oog op het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het behouden van inkomen. Daarover is echter niets aannemelijk geworden, aldus het Hof.

Tevens heeft het Hof de oordelen van de Rechtbank overgenomen dat de uitspraak op bezwaar niet onvoldoende is gemotiveerd, de Inspecteur in de aanslag en/of bezwaarfase niet willekeurig heeft gehandeld en dat een schending van het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk is gemaakt.

2.3.1.

Tegen de hiervóór vermelde oordelen richt zich het beroepschrift in cassatie met zeven klachten.

2.3.2.

De klachten falen op de gronden vermeld in onderdeel 5 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal.

2.3.3.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.