Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2436

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
16/03857
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:372, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2012, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 14, lid 1, letter a, Wva. Afdrachtvermindering onderwijs. Inspecteur is niet bevoegd om te beoordelen of een door een instelling verzorgde en in het Centraal Register Beroepsonderwijs geregistreerde beroepsopleiding voldoet aan de wettelijke voorschriften. Bewijskracht van diploma of certificaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-09-2017
FutD 2017-2337 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2017/2334 met annotatie van Ferhat Aksoy
Mr. P.T. van Arnhem annotatie in NTFR 2017/2401

Uitspraak

22 september 2017

nr. 16/03857

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 juli 2016, nrs. BK-15/00973 en BK-15/00974, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/1554 en 15/1555) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 20 april 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2017:372).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2012 en 2013 de afdrachtvermindering onderwijs toegepast als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (teksten 2012 en 2013; hierna: WVA). De toegepaste afdrachtvermindering heeft betrekking op werknemers van belanghebbende die de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd die deel uitmaakt van de deelkwalificatie Ondersteunende vorming houtberoepen niveau 2, 3 of 4. Deze deelkwalificatie is onderdeel van een geheel van kwalificaties dat is opgenomen in het Centraal register beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB). Aan de werknemers zijn certificaten voor de betreffende deelkwalificatie verstrekt.

2.1.2.

De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de toegepaste afdrachtvermindering onderwijs. Naar aanleiding daarvan heeft hij zich op het standpunt gesteld dat niet volledig aan de voorwaarden voor de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan. Daarom zijn aan belanghebbende de naheffingsaanslagen opgelegd.

2.2.

Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de werknemers gevolgde opleidingen behoren tot de beroepspraktijkvorming die onderdeel is van een beroepsbegeleidende leerweg in de zin van artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, WVA. Het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur bevoegd is om te beoordelen of de door de werknemers van belanghebbende gevolgde opleidingen voldoen aan de vereisten van de WEB. De door de werknemers van belanghebbende gevolgde opleidingen voldoen naar ’s Hofs oordeel niet aan de eisen die de WEB stelt aan de beroepspraktijkvorming die deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding. Belanghebbende kan daarom voor de opleidingen geen recht op afdrachtvermindering onderwijs doen gelden, aldus het Hof.

2.3.1.

Tegen het hiervoor in 2.2. weergegeven oordeel van het Hof richt zich de tweede klacht met het betoog dat de Inspecteur niet bevoegd is de opleidingen inhoudelijk te toetsen.

2.3.2.

Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering die is voorzien in artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, WVA. Deze afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot “de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding”.

2.3.3.

Op grond van artikel 7.2.4, lid 2, WEB draagt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OC&W) zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn.

2.3.4.

Artikel 6.4.1 WEB bepaalt dat in het Centraal register beroepsonderwijs gegevens worden geregistreerd met betrekking tot de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties in het beroepsonderwijs, en met betrekking tot de instellingen en de exameninstellingen. Het Centraal register beroepsonderwijs wordt aangelegd en beheerd door de Minister van OC&W.

2.3.5.

Het toezicht op het onderwijs is in de Wet op het onderwijstoezicht opgedragen aan de Inspectie van het onderwijs, die onder de Minister van OC&W ressorteert.

2.3.6.

Het hiervoor in 2.3.2 tot en met 2.3.5 bedoelde samenstel van regels brengt mee dat de vermelding als zodanig in het Centraal register beroepsonderwijs voor de toepassing van artikel 14 WVA volstaat om te kunnen aannemen dat beroepspraktijkvorming deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, WEB bedoelde beroepsopleiding. Het ligt dan ook niet op de weg van de inspecteur of van de rechter in belastingzaken om in het kader van de toepassing van de WVA te beoordelen of een in dat register opgenomen opleiding voldoet aan de eisen van de WEB.

2.3.7.

Opmerking verdient dat in het kader van de toepassing van de WVA wel kan worden beoordeeld of een werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. De bewijslast daarvoor rust op de inhoudingsplichtige. Indien een certificaat of diploma als bedoeld in de artikelen 7.2.3 en 7.4.6 van de WEB is uitgereikt, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het desbetreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst.

2.3.8.

Verder verdient opmerking dat in het kader van de toepassing van de WVA ook kan worden beoordeeld of de beroepspraktijkvorming die een werknemer heeft gevolgd, behoort tot de in het Centraal register beroepsonderwijs vermelde beroepsopleidingen.

2.3.9.

Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 2.3.6 slaagt de tweede klacht. De overige klachten behoeven geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet plaatsvinden voor een nader onderzoek, met inachtneming van dit arrest, of belanghebbende voor de desbetreffende werknemers voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1857 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2017.