Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2415

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/01909
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:853, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:1009, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Valselijk bekleden van een ambt, art. 196 Sr. Een verdachte neemt bij zijn verhoor iemand mee die zich voordoet als advocaat. Begrip “ambt” a.b.i. art. 196 Sr. Bepaling is opgenomen in de titel betreffende “misdrijven tegen het openbaar gezag”. ’s Hofs oordeel dat met de uitoefening van het beroep van advocaat een van het openbaar gezag deel uitmakend ambt wordt bekleed i.d.z.v. art. 196 Sr geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. CAG: wellicht kan het handelen van verdachte worden gekwalificeerd als overtreding van art. 436.1 Sr (onbevoegde beroepsuitoefening).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 196
Wetboek van Strafrecht 436
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0380
NBSTRAF 2017/347

Uitspraak

19 september 2017

Strafkamer

nr. S 16/01909

AJ/JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 10 februari 2016, nummer 21/003240-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte, door zich voor te doen als advocaat, een daad heeft verricht behorend tot een "ambt" als bedoeld in art. 196 Sr, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is bewezenverklaard dat de verdachte:

"op 22 oktober 2013 te Zwolle opzettelijk een daad heeft verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedt, immers heeft hij, verdachte, zich voorgedaan als advocaat (van [betrokkene 1] )."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende verklaard:

Op 22 oktober 2013 verscheen voor mij, verbalisant, de verdachte [betrokkene 1] aan het hoofdbureau van politie te Zwolle. Ik had de verdachte uitgenodigd om een verklaring te komen afleggen ter zake een door hem gepleegde bedreiging alsmede overtreding van de
Wet wapens en munitie. Ik zag dat de verdachte ( [betrokkene 1] ) in aanwezigheid was van een man die zich voorstelde als [verdachte] . Ik besloot [verdachte] toe te laten tot het verhoor. Vervolgens ben ik met de verdachte [betrokkene 1] in verhoor gegaan in een aangiftekamer van het bureau. Vrijwel direct na het stellen van de eerste vragen zag en hoorde ik dat [verdachte] uit eigen beweging overleg voerde met verdachte [betrokkene 1] . In reactie op zijn gedrag vroeg ik [verdachte] of hij strafrechtadvocaat was waarop hij antwoordde: "Dat doen we er ook bij". Hierop zette ik het verhoor voort. Naar aanleiding van het gedrag van [verdachte] heb ik een onderzoek ingesteld. Op de internetsite van de orde van advocaten zag ik dat [verdachte] niet staat ingeschreven als advocaat.

Ter zitting in eerste aanleg heeft [verbalisant 1] als getuige de volgende verklaring afgelegd:

[betrokkene 1] zei dat hij een advocaat had meegenomen.

Daarna heb ik [verdachte] om een legitimatie of advocatenpas gevraagd. [verdachte] heeft ook gezegd om op zijn website te kijken.

De verdachte heeft ter zitting van het hof het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 22 oktober 2013 samen met [betrokkene 1] een bezoek heb gebracht aan het politiebureau te Zwolle. [betrokkene 1] werd aldaar als verdachte gehoord. Ik was op verzoek van [betrokkene 1] meegekomen teneinde hem bij te staan tijdens het politieverhoor. Ik ben door [verbalisant 1] gevraagd naar mijn legitimatie, maar ik kon mij niet legitimeren. Het klopt dat ik daarna aanwezig ben geweest bij het verhoor van [betrokkene 1] als verdachte.

Ik weet dat alleen een advocaat een verdachte kan bijstaan tijdens een politieverhoor. Ik ben jurist, geen advocaat. Ik heb geen meesterstitel. Ik was mij ervan bewust dat bij de verhorende verbalisant de indruk is ontstaan dat ik advocaat zou zijn. Alhoewel ik op meerdere momenten aan de verbalisant had kunnen melden dat ik geen advocaat ben, heb ik dat nagelaten, omdat ik wist dat ik [betrokkene 1] dan niet tijdens het verhoor meer zou mogen bijstaan.

Het verhoor van verdachte [betrokkene 1] is opgenomen. Uit een zich in het dossier bevindende transcriptie van het verhoor blijkt dat het volgende is gezegd:

Vraag verbalisant [verbalisant 1] : U heeft uw advocaat meegenomen?

Antwoord [betrokkene 1] : Ja.

Vraag verbalisant [verbalisant 1] : Als ik nog even uw naam mag?

Antwoord [verdachte] : [verdachte] met [...] , dubbel [...] .

Vraag verbalisant [verbalisant 1] : U bent van welk kantoor?

Antwoord [verdachte] : [A] in Leiden. [A] .

(...)

Vraag verbalisant [verbalisant 1] : Bent u strafrechtadvocaat?

Antwoord [verdachte] : Wij doen wel eens strafrechtzaken maar niet heel vaak. Ik zal mij er verder niet mee bemoeien.

Opmerking verbalisant [verbalisant 1] : Nee precies, want het valt mij op dat u heel veel zegt en als u weet wat de regels zijn....

Antwoord [verdachte] : Ik weet wat de regels zijn. Ik zal mijn mond houden.

Gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde door zich de toegang te verschaffen tot een politieverhoor van een persoon die als verdachte wordt gehoord en aan die persoon tijdens dat verhoor bijstand te verlenen, terwijl hij niet beëdigd was als advocaat."

2.3.1.

Art. 196, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk onderscheidingstekens draagt of een daad verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

2.3.2.

De tenlastelegging is toegesneden op deze bepaling, die is opgenomen in Titel VIII (Misdrijven tegen het openbaar gezag) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term "ambt" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 196 Sr.

2.4.

In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat met de uitoefening van het beroep van advocaat een van het openbaar gezag deel uitmakend ambt wordt bekleed in de zin van art. 196 Sr. Het middel klaagt terecht dat 's Hofs oordeel in zoverre blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van de term "ambt".

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is vastgesteld op 29 augustus 2017 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.