Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/02629
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:876, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diefstal mobiele telefoon en fles met muntgeld uit woning. Kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte tot het bewijs gebezigd. Wat er ook zij van het gebruik door het Hof van de als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van verdachte voor het bewijs, het middel kan niet tot cassatie leiden omdat de bewezenverklaring ook met weglating van deze verklaring toereikend is gemotiveerd. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0362

Uitspraak

19 september 2017

Strafkamer

nr. S 16/02629

IV/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 mei 2016, nummer 21/001317-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben H.M.W. Daamen en J.W.E. Luiten, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 en bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, als bewijsmiddel 8 een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 28 september 2013 tot en met 04 oktober 2013 in de gemeente Nijmegen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia) en een geldbedrag (ongeveer 350 Euro), toebehorende aan [betrokkene 1] ."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , aspirant van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 25 oktober 2013 (dossierpagina 16), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Op 28 september 2013 was ik in de kroeg " [...] " te Nijmegen. Ik raakte met een man aan de praat en hij stelde zich voor als [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij nog een verblijfplaats zocht. Ik heb [verdachte] aangeboden om bij mij te overnachten. Dit accepteerde [verdachte] en ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij mij per dag 35 euro als vergoeding wilde geven.

In de dagen tot 3 oktober 2013 heeft [verdachte] bij mij geslapen. Ik had met [verdachte] afgesproken dat hij donderdag 3 oktober 2013 het geld voor de overnachtingen zou overhandigen. Dit heeft hij niet gedaan. Op 3 oktober ben ik omstreeks 16:10 uur naar mijn werk gefietst. Op het moment dat ik naar mijn werk ging was [verdachte] bij mij thuis. Toen ik op 4 oktober omstreeks 02:30 uur van mijn werk thuiskwam zag ik dat de lichten brandden. Ik ben naar boven gelopen en zag dat [verdachte] er niet was. Ook zag ik dat alle spullen van [verdachte] er niet meer waren. Vervolgens ben ik naar beneden gegaan om te kijken of er spullen van mij weg waren genomen. Ik zag dat mijn jeneverfles van 3 liter, die normaal gevuld is met muntgeld, leeg was. Het bedrag was enkele dagen hiervoor nog door mij geteld en het bedrag aan muntgeld was 350 euro.

De volgende dag merkte ik op dat mijn mobiele telefoon die op een kast lag, weg was. Deze telefoon was van het merk Nokia.

2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , agent van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 19 oktober 2013 (dossierpagina 6), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

Op 28 september 2013 kwam [verdachte] het café binnen met een grote tas op wieltjes. Hij gaf aan dat hij geen slaapplek meer had. Een vaste klant ving dit gesprek op en stelde voor dat [verdachte] wel bij hem kon verblijven tijdelijk. Deze klant betreft [betrokkene 1] . [verdachte] is vanaf 28 september 2013 verbleven bij [betrokkene 1] .

Op 8 oktober 2013 kwam [betrokkene 1] thuis om 02:30 uur in de nacht. Hij zag dat [verdachte] vertrokken was. Hij heeft toen direct in de kasten en lades gekeken en ontdekte dat zijn telefoon en geld was verdwenen uit de woning.

Toen ik dit hoorde van [betrokkene 1] , ben ik via internet gaan zoeken op [verdachte] . Ik kwam verschillende berichten tegen op facebook en oplichting sites waar [verdachte] werd besproken.

[verdachte] zou volgens deze site van verschillende namen gebruik maken. [A] , [B] , [C] , [D] en [E] .

In vrijwel alle berichten vonden wij herkenning. Via www.google.nl heb ik twee foto's gevonden van [verdachte] .

3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van 29 november 2013 (dossierpagina 19), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:

Op 28 september 2013 kwam ik in café " [...] " in Nijmegen. Ik zag dat [verdachte] aan de bar zat. [betrokkene 1] was er toen ook.

Op 4 oktober 2013 belde [betrokkene 1] mij op dat hij thuis was gekomen uit zijn nachtdienst en dat [verdachte] vertrokken was. [betrokkene 1] vertelde dat [verdachte] het hele huis doorzocht had en onder andere een pot met spaarcenten had meegenomen.

U vraagt mij of ik [verdachte] zou herkennen bij een fotobewijsconfrontatie wat u zojuist aan mij hebt uitgelegd.

[verdachte] staat op mijn netvlies gebrand en ik zou hem voor 100% herkennen tussen al die koppen.

4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2014 (dossierpagina 22), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Via www.google.nl heeft aangeefster [betrokkene 2] twee foto's gevonden van [verdachte] . Deze foto's heeft zij bij haar aangifte gevoegd.

Ik, verbalisant [verbalisant 4] , heb via het systeem integrale bevraging van de politie een zoekslag gemaakt op de naam [verdachte] . Hier kwam ik uit bij de volgende persoon, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .

Ik ontving een foto van [verdachte] uit het herkenningssysteem van de politie. Deze foto heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , vergeleken met de foto die aangeefster bij haar proces-verbaal van aangifte had gevoegd. Ik zag op beide foto's dezelfde persoon.

5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] , brigadier van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2014 (dossierpagina 24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik zag in de fotoconfrontatiemodule dat bij foto nummer PL10HR:13:557 naast het tweeluik van het gezicht van [verdachte] ook drie foto’s waren opgeslagen van tatoeages op een van zijn onderarmen en van beide bovenarmen. Ik heb deze tatoeages, een rode vlam op een onderarm en minder duidelijke afbeelding op een bovenarm, gekopieerd en op een fotoblad afgedrukt.

Vervolgens heb ik [betrokkene 1] het fotoblad getoond met daarop de twee tatoeages. Ik heb hem gevraagd of hij die misschien eerder had gezien. Ik hoorde dat hij zei:

"Ik herken de rode tatoeage. Die is van de man die zich [verdachte] noemde".

Vervolgens toonde ik hem het tweede fotoblad met daarop het gezicht van de verdachte. Ik hoorde dat hij toen zei:

"Dit is de foto van de [verdachte] die bij me was. Zijn haar zat meestal in een staartje."

6. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 22 januari 2015 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] , brigadier van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2014 (dossierpagina 29), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik zag in de fotoconfrontatiemodule dat bij foto nummer PL10HR:13:557 naast het tweeluik van het gezicht van [verdachte] ook drie foto's waren opgeslagen van tatoeages op een van zijn onderarmen en van beide bovenarmen. Ik heb deze tatoeages, een rode vlam op een onderarm en minder duidelijke afbeelding op een bovenarm, gekopieerd en op een fotoblad afgedrukt.

Ik toonde [betrokkene 3] het fotoblad met daarop het gezicht van de verdachte. Ik hoorde dat hij zei:

"Dit is de foto van de [verdachte] die ik bedoelde. Zijn haar zat meestal in een staartje".

7. De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 28 april 2016, inhoudende dat de door verdachte getoonde tatoeage op zijn rechter onderarm overeenkomt met de op de dossierpagina's 26 en 31 (bovenaan) afgebeelde tatoeage.

8. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 28 april 2016, voor zover inhoudende:

Ik ken café [...] niet.

Het hof merkt deze verklaring, gelet op hetgeen in de voorgaande bewijsmiddelen is vervat, aan als kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen."

2.3.

Het middel kan niet tot cassatie leiden, wat er ook zij van het gebruik door het Hof van de als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van de verdachte voor het bewijs (bewijsmiddel 8), omdat de bewezenverklaring ook met weglating van die verklaring toereikend is gemotiveerd.

2.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is vastgesteld op 29 augustus 2017 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.