Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
16/02502
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1483, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Daderschap rechtspersoon opzettelijke overtreding zorgplicht ex art. 13 Wet bodemscherming. Bewezenverklaard is o.a. dat de rechtspersoon opzettelijk in en rondom de fundering(svakken) een partij (met PCB's) verontreinigde grond heeft aangebracht, waarbij stoffen (PCB's) die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, en niet aan de zorgplicht ex art. 13 Wet bodembescherming heeft voldaan. Middel betreft de bewijsmotivering: het Hof heeft de bewezenverklaring van het opzet in de kern slechts ontleend aan de omstandigheid dat X., in dienst bij verdachte als projectleider, “niet af [had] mogen gaan op de mededeling van Y. dat de grond wel had mogen worden toegepast”. HR: blijkens de bewijsvoering was X. in de in de bewezenverklaring vermelde periode ervan op de hoogte dat de tijdens het ontgraven van de bouwput verwijderde en in depot geplaatste hoeveelheid grond was vervuild met PCB's en volgens Z. diende te worden afgevoerd. In die bewijsvoering ligt voorts besloten dat verdachte geen eigen/nader onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de effecten van het toepassen van die grond of anderszins maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van aantasting of vervuiling van de bodem. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de enkele mededeling van Y. aan X. dat de in depot geplaatste grond wel mocht worden gebruikt, niet in de weg staat aan het aannemen van opzet bij verdachte, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient dat art. 36.3 Besluit bodemkwaliteit niet afdoet aan de hier bewezenverklaarde, in art. 13 Wet bodembescherming geformuleerde zorgplicht. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 13
Besluit bodemkwaliteit
Besluit bodemkwaliteit 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/92
SR-Updates.nl 2017-0112
JBO 2017/67 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
RvdW 2017/276
NJB 2017/571
M en R 2017/67

Uitspraak

14 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/02502 E

DAZ/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 10 juni 2014, nummer 20/002144-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats] .

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode 21 februari 2008 tot en met 22 februari 2008 te Veghel, in de gemeente Veghel, op een perceel gelegen aan de [a-straat 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het in en rondom de fundering(svakken) aanbrengen van een partij (met PCB's) verontreinigde grond, waarbij stoffen (PCB's) die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, teneinde deze daar te laten, en toen, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem/hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel, indien die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"3. Een geschrift, namelijk een e-mailbericht, p. 452 van het politiedossier, voor zover dat geschrift inhoudt:

Van : [betrokkene 1] [ [e-mailadres] ]

Verzonden : donderdag 27 december 2007

Aan : [betrokkene 2]

,

Tijdens het ontgraven is er toch nog verdachte grond "verschenen". Deze grond bevond zich achter op het perceel aan het eind van de bouwput, over een laag van 30 cm?? Het is duidelijk achteraf gestorte grond.

Om nu de voortgang niet te vertragen hebben we deze grond ontgraven en op het terrein in depot gezet. Zou jij hiervan een AP-04 bemonstering van willen uitvoeren, waarna we eea verder kunnen beoordelen. (wij hebben nog even niets naar gemeente gemeld, laten we eerst maar even kijken wat het allemaal is).

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 1]

[A] B.V.

4. Een geschrift, namelijk een het rapport van een AP04 onderzoek, pagina 413 t/m 447, voor zover dat geschrift inhoudt:

Briefhoofd en logo: [B] B.V.

Datum : 21 januari 2008

Auteur : [betrokkene 2]

Opdrachtgever : [A] B.V.

: [betrokkene 1]

1.1.

Algemeen

In opdracht van [A] BV te Lithoijen is, door milieuadviesbureau [B] BV te Uden, een AP04 onderzoek uitgevoerd van een partij grond gelegen ter plaatse van het achterterrein van de [a-straat 1] te Veghel. Deze keuring heeft als doel het vaststellen van de kwaliteit van de grond om zo te kunnen beoordelen wat met deze partij dient te geschieden.

2.1

Monsterneming

De partij bestond uit één partij en heeft een omvang van circa 432 m3/ 691 ton. De ligging en locatie van de partij (depot) is weergeven in bijlage 1 & 3. De bemonstering van de partij is uitgevoerd op 07-01-2008, conform het monstememingsplan (zie bijlage 2).

3.1

Toetsing

Alle analyseresultaten zijn door [B] BV beoordeeld conform het Bouwstoffenbesluit en getoetst (zie bijlage 5).

Uit de toetsingsresultaten blijkt dat het gehalte PCB's de samenstellingswaarde grond (SG) ruimschoots overschrijdt.

2.2

Conclusie

Gezien de overschrijding van de samenstellingswaarde grond wordt de partij beoordeeld als zijnde "niet toepasbaar" en dient daarmee afgevoerd te worden naar een erkende ontvanger en/of grondreinigingsinstallatie.

De grond mag binnen de werkingsfeer van het Bouwstoffenbesluit niet als bouwstof worden gebruikt. Op grond van de afvalstoffen wetgeving zijn er twee verwerkingsmogelijkheden: reinigen of (wanneer dit niet mogelijk is) storten.

5. Geschriften, namelijk opeenvolgende e-mailberichten, pagina 453 en 454, voor zover die inhouden in chronologische volgorde:

Van: [betrokkene 2]

Verzonden: maandag 21 januari 2008 20:11

Aan: [e-mailadres]

CC: ' [betrokkene 3] '

Onderwerp: [a-straat 1] ong te Veghel...

Urgentie: Hoog

Geachte heren,

Bijgaand de AP04 rapportage van de partij grond aan de [a-straat 1] te Veghel.

Het origineel zal, in 3-voud, morgen per post worden verzonden.

Met vriendelijke groet,

[B] BV

[betrokkene 2]

[...]

E. [e-mailadres]

Van: [e-mailadres]

Verzonden op: 22 januari 2008

Aan: [e-mailadres]

Onderwerp: FW: [a-straat 1] ong te Veghel...

Hierbij een kleinere versie (de eerste was 8MB) en paste niet in uw postvak.

Onderwerp: FW: [a-straat 1] ong te Veghel...

Van: [e-mailadres]

Datum: Tue, 22 Jan 2008 11:36:26 +0100

Aan: "info" < [e-mailadres] >

[betrokkene 4] ,

hierbij het ap04 rapport, kun jij een prijsopgave maken indien de grond afgevoerd moet worden.

gr.

[betrokkene 3]

projectleider

[verdachte]

6. Een geschrift, namelijk een brief van Grondbank Noord-Oost Brabant B.V. van 24 januari 2008 aan [C] , p. 456 van het politiedossier, voor zover dat geschrift inhoudt:

Aan:

[C]

T.a.v. [betrokkene 5]

Datum: 24 januari 2008

Betreft: Resultaten keuringen Veghel

Geachte [betrokkene 5] ,

Hierbij doen wij u toekomen de analyseresultaten van de uitgevoerde partijkeuringen aan de [a-straat 1] ong. te Veghel. In opdracht van de Grondbank Noord-Oost Brabant b.v. te Oss zijn door Van de Giessen milieupartner te Sint-Oedenrode twee partijen grond indicatief gekeurd.

Uit de resultaten blijkt dat de grenswaarde voor PCB's zeer ruim wordt overschreden (grenswaarde voor PCB's is 0,5 mg/kg d.s. bij een organisch stof gehalte van 2,3%). De aanwezigheid van PCB's in de grond hangt zeer waarschijnlijk samen met de (voormalige) activiteiten van de verffabriek ter plaatse.

Gezien de mate van overschrijding wordt met aan grote zekerheid verwacht dat, gelet op de gehaltes aan EOX in de overige mengmonsters, eveneens in de beide overige monsters een vergelijkbare overschrijding van PCB's boven de grenswaarde aanwezig is.

De grond uit beide depots is, op basis van de resultaten, derhalve niet herbruikbaar en dient gecontroleerd te worden afgevoerd naar een erkende instantie of installatie.

7. De verklaring van getuige [betrokkene 3] , afgelegd ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2014, vastgelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, p. 2-3, voor zover die verklaring inhoudt:

Ik ben in dienst bij [verdachte] Ik ben projectleider van beroep. Ik heb begrepen dat ik ben opgeroepen als getuige om te verklaren over de kwestie van [D] in Veghel. Destijds was mijn rol ook projectleider bij [verdachte] Namens mijn werkgever nam ik deel aan bouwvergaderingen. Namens de opdrachtgever zat [betrokkene 6] bij de bouwvergadering en [betrokkene 7] of [betrokkene 1] namens [A] B.V. [A] had de bouwdirectie.

Ik denk dat begin december 2007 is begonnen met het ontgraven van de bouwput. De afgegraven grond is aan drie kanten in depot gezet naast de bouwput. Ik heb dit werk uitbesteed aan [C] B.V.

Volgens mij is op een gegeven moment alle grond gekeurd. Dat is dan door [B] gebeurd in opdracht van [A] . De resultaten van dit onderzoek zijn mij via de mail bekend geworden. Ik heb het rapport rond 21 januari 2008 gezien. Ik heb de conclusie gelezen en ik dacht dat de grond die afgevoerd moest worden niet toepasbaar was.

Hierover is in de bouwvergadering gediscussieerd. Ik heb aangegeven dat ik twijfels had of de grond terug zou mogen. Men heeft mij ervan overtuigd dat het terug mocht. In mijn functie is het gebruikelijk om op eigen gezag dergelijke beslissingen te nemen. Als twijfels weggenomen worden, dan is terugkoppeling niet meer nodig. Dat is de normale gang van zaken. Ik heb [C] vervolgens opgedragen om de grond terug te storten.

8. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 9 juni 2010, p. 550 t/m 554 van het politiedossier, voor zover dat inhoudt:

Op woensdag 9 juni 2010 werd door ons [verbalisanten] als verdachte gehoord een man die opgaf te zijn:

Naam: [betrokkene 3]

Voornamen: [betrokkene 3]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1969

Ik weet waarvan ik wordt verdacht, te weten betrokkenheid bij het toepassen van verontreinigde grond in een bouwput aan de [a-straat 1] te Veghel, ter plaatse waar nu het [D] is gebouwd.

Ik ben projectleider bouw bij [verdachte] te Schaijk. In die hoedanigheid ben ik betrokken geraakt bij dit werk.

Op een bouwvergadering waarvan ik u de notulen nog zal mailen is besproken dat de grond terug in de bouwput mocht worden gebracht. Voordat deze bouwvergadering plaats vond heb ik contact gehad met [A] , ik denk met [betrokkene 1] . Ik heb hem gevraagd of deze grond terug in de bouwput mocht worden gebracht.

[betrokkene 1] gaf mij de opdracht deze grond terug in de bodem te brengen. Hij had contact gehad met [B] b.v. Tijdens de bouwvergadering is dat formeel vastgelegd in de notulen.

(...)

[betrokkene 1] heeft vervolgens als opdrachtgever de opdracht gegeven om de afgekeurde grond in de bouwput toe te passen. Gelet hierop heb ik [betrokkene 5] van [C] b.v. opdracht gegeven de afgekeurde grond in de bouwput terug te brengen.

9. Een geschrift, namelijk de notulen van de 2e bouwvergadering van 19 februari 2008, pagina 555 en 556 van het politiedossier, voor zover dat geschrift inhoudt:

Project: [D]

Datum/locatie: 19-02-2008 te Veghel

Aanwezig:

[betrokkene 6] [D]

[betrokkene 4] [verdachte]

[betrokkene 3]

[betrokkene 7] [A]

05. Informatieverstrekking

05.05.1

Het gronddepot zoveel mogelijk in het werk hergebruiken.

10. De verklaring van [betrokkene 8] , vertegenwoordiger van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
21 mei 2012, vastgelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, p. 2, voor zover die verklaring inhoudt:

De projectleider kiest welke grond gebruikt wordt, dat is hem gedelegeerd. [betrokkene 3] had alle vrijheid om te handelen.

(...)

13. Een geschrift, namelijk het evaluatierapport van [E] van 26 mei 2009, pagina 665 t/m 675 van het politiedossier, voor zover dat geschrift inhoudt:

Evaluatierapport grondsanering op een deel van het perceel Sectie [...] aan de [a-straat 1] te Veghel.

In opdracht van:

Naam : [D] BV

Datum : 26 mei 2009

1. Inleiding en doel

In de periode van 11 juni 2008 tot en met 11 juli 2008 is in opdracht van [D] bv door [E] bv de milieukundige begeleiding (processturing en verificatie) uitgevoerd ten behoeve van de deelsanering op het perceel Sectie [...] aan de [a-straat 1] te Veghel.

2.1

Terreingegevens en historisch gegevens

De locatie is gelegen op een bedrijven/industrieterrein. De fundering van de nieuwbouw was voorafgaand aan de sanering reeds aangelegd. Een deel van de vrijgekomen grond is op locatie in drie depots geplaatst op het zuidoostelijke terreindeel (geschatte hoeveelheid 1.127 m3). Een ander deel van de vrijgekomen grond is na aanleg van de fundering tussen het noordelijke deel van de fundering gestort in een laagdikte van
0,4 à 0,5 meter (geschatte hoeveelheid 392 m3).

2.2.

Verontreinigingssituatie

Op de locatie is sterk met PCB verontreinigde grond tussen de reeds aangebrachte funderingen aangebracht (vakken BI t/m B8). De drie gronddepots alsmede grond ter plaatse van nutstracé's bleken eveneens sterk verontreinigd met PCB c.q. niet toepasbaar op basis van PCB."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De verdediging heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet als dader van de ten laste gelegde gedraging kan worden aangemerkt. [betrokkene 3] , projectleider bij de verdachte rechtspersoon, hoefde redelijkerwijs niet te vermoeden dat de grond was verontreinigd en derhalve kon van hem niet gevergd worden dat hij maatregelen nam. [betrokkene 3] heeft zich door [A] BV laten overtuigen dat de grond mocht worden toegepast. Nu van [betrokkene 3] niet hoefde te worden gevergd dat hij maatregelen nam, dient ook verdachte te worden vrijgesproken. Indien het ten laste gelegde [betrokkene 3] wel kan worden toegerekend dan kunnen de gedragingen alsnog niet aan verdachte worden toegerekend, nu de gedragingen niet in de sfeer van de rechtspersoon zijn gepleegd.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte wordt onder feit 2 primair verweten dat door het toepassen van verontreinigde grond met PCB's de bodem kon worden verontreinigd of aangetast en verdachte haar zorgplicht ter voorkoming, beperking dan wel het ongedaan maken daarvan heeft geschonden.

[A] BV heeft met [D] BV een raamovereenkomst gesloten met betrekking tot het projectmanagement voor de bouw van diverse [D] . Hieronder viel ook het te realiseren project aan de [a-straat 1] te Veghel. [A] had in haar rol als 'bouwregisseur' de feitelijke zeggenschap over de wijze waarop het werk ter plaatse werd uitgevoerd. Verdachte, [verdachte] , was ter plaatse de hoofdaannemer en [F] BV (destijds [C] BV) de onderaannemer.

[verdachte] zette de contouren van de te ontgraven bouwput uit en liet [C] BV (later overgegaan in [F] BV) de bouwput ontgraven. Tijdens het ontgraven werd over een laag van 30 centimeter over een derde deel van de bouwput 'verdachte' grond aangetroffen. In opdracht van [A] BV is deze laag grond door [C] BV ontgraven en in depot gezet. De opgeslagen grond in dit depot is in opdracht van [A] BV vervolgens AP04 gekeurd door [B] BV. De grond wordt in deze rapportage als 'niet toepasbaar' gekwalificeerd. Betreffende rapportage is door [betrokkene 2] van [B] BV op 21 januari 2008 gemaild aan [betrokkene 7] van [A] BV en aan [betrokkene 3] van [verdachte] . Op 22 januari 2008 heeft [betrokkene 3] deze rapportage gemaild naar [betrokkene 5] van [C] BV.
BV heeft tevens een deel van de door hen ontgraven grond indicatief laten keuren. Uit de analyseresultaten van de indicatieve keuring, welke aan [betrokkene 5] bij brief van 24 januari 2008 werden gemeld, valt op te maken dat er mogelijk sprake is van ernstig verontreinigde grond. Tijdens de bouwvergadering van 19 februari 2008 wordt, in aanwezigheid van onder andere [betrokkene 3] van [verdachte] , door [betrokkene 7] namens [betrokkene 1] , directeur bij [A] BV, medegedeeld dat de grond van het depot in de bouwput zal worden toegepast. [betrokkene 3] geeft hierop [C] BV de opdracht de grond in het depot in de bouwput toe te passen.
BV voert deze opdracht vervolgens uit. Hierbij worden geen bodem beschermende maatregelen getroffen. Voorts is op 26 mei 2009 uit onderzoek van [E] gebleken dat de grond, welke reeds tussen de funderingen was aangebracht, sterk verontreinigd is met PCB's.

Het hof overweegt dat door het terugplaatsen van de verontreinigde grond in de bouwput een extra verontreiniging had kunnen ontstaan. Het feit dat de bodem reeds verontreinigd was doet hier niets aan af. Zo had er bijvoorbeeld doordat er geen bodem beschermende maatregelen waren getroffen, een piekbelasting van de verontreiniging kunnen optreden. Door het toepassen van de reeds verontreinigde grond heeft verdachte niet alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd, teneinde een verontreiniging of aantasting te voorkomen.

Het hof is - anders dan de verdediging - van oordeel dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op artikel 1, derde lid, van het Bouwstoffenbesluit. Dit artikellid plaatst daar genoemde activiteiten alleen buiten de werking van het Bouwstoffenbesluit. Andere regelgeving die van toepassing kan zijn, bijvoorbeeld betreffende het omgaan met verontreinigde bodem, blijft onverminderd van kracht.

Ten aanzien de strafrechtelijke aansprakelijkheid van [verdachte] stelt het hof het volgende.

(...)

Op grond van de eerder genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang dat het toepassen van de grond in de bodem valt onder de normale bedrijfsvoering van [verdachte] .

Het hof is van oordeel dat [verdachte] het ten laste gelegde opzettelijk heeft begaan. [betrokkene 3] was als projectleider op de hoogte van het rapport van [B] BV, derhalve had hij niet af mogen gaan op de mededeling van [A] dat de grond wel mocht worden toegepast. Hij wist dat de grond verontreinigd was met PCB's en heeft door gevolg te geven aan de opdracht van [betrokkene 7] namens [A] BV tot het hergebruiken van de grond uit het depot, zijn zorgplicht verzaakt. [betrokkene 3] heeft in casu aan [C] BV de opdracht gegeven de grond in het depot in de bouwput toe te passen.

[betrokkene 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het in zijn functie gebruikelijk was om beslissingen op eigen gezag te nemen. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat projectleiders bij haar in dienst in grote mate zelfstandig kunnen bepalen hoe zij projecten aanpakken. Onder deze omstandigheden kan het bewust handelen dan wel het nalaten van [betrokkene 3] aan verdachte worden toegerekend.

Ten slotte is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [A] BV, [verdachte] en [C] BV. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de feitelijke gang van zaken en de afgelegde verklaringen. Partijen hebben een ieder vanuit hun eigen rol en positie in de keten opdracht gegeven tot het uiteindelijk feitelijk uitvoeren van het ten laste gelegde.

Het verweer van de verdediging wordt op al zijn onderdelen verworpen."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het Hof dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof de bewezenverklaring van dat opzet in de kern slechts heeft ontleend aan de omstandigheid dat [betrokkene 3] , in dienst bij de verdachte als projectleider, "niet af [had] mogen gaan op de mededeling van [A] dat de grond wel mocht worden toegepast".

3.2.

Blijkens de hiervoor onder 2.2 en 2.3 weergegeven bewijsvoering was [betrokkene 3] in de in de bewezenverklaring vermelde periode ervan op de hoogte dat de tijdens het ontgraven van de bouwput verwijderde en in depot geplaatste hoeveelheid grond was vervuild met PCB's en volgens [B] B.V. diende te worden afgevoerd. Voorts ligt in die bewijsvoering besloten dat de verdachte geen eigen/nader onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de effecten van het toepassen van die grond of anderszins maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van aantasting of vervuiling van de bodem. Gelet hierop getuigt het oordeel van het Hof dat de enkele mededeling van [A] aan [betrokkene 3] dat de in depot geplaatste grond wel mocht worden gebruikt, niet in de weg staat aan het aannemen van opzet bij de verdachte, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient nog opmerking dat art. 36, derde lid, Besluit bodemkwaliteit niet afdoet aan de hier bewezenverklaarde, in art. 13 Wet bodembescherming geformuleerde zorgplicht.

3.3.

De klacht faalt.

3.4.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 4.000,-.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

vermindert de geldboete in die zin dat deze € 3.500,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2017.