Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2392

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/00132
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:919, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde (contactverbod), voor zover inhoudende “relaties van voornoemde personen”, art. 14c.2 Sr. 2. Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht, art. 14e.1 Sr.

ad 1. Een bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2 sub 14 Sr dient het gedrag van veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:1968:AB6079). De door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde dat “de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met X en Y, dan wel relaties van voornoemde personen” is in strijd met genoemde bepaling v.zv. deze betrekking heeft op “relaties van voornoemde personen”, omdat in zoverre in deze voorwaarde niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd. HR vernietigt bijzondere voorwaarde v.zv. deze betrekking heeft op “relaties van” X en Y.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:537 m.b.t. motiveringsverplichting dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. ’s Hofs arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14c
Wetboek van Strafrecht 14e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0366
NBSTRAF 2017/341

Uitspraak

19 september 2017

Strafkamer

nr. S 16/00132

ABG/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 december 2015, nummer 23/000565-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat de "veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen", voor zover daarin is opgenomen "dan wel relaties van voornoemde personen", en voor zover het Hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de in de uitspraak vermelde voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht heeft bevolen, met verwerping van het beroep voor het overige.

2 De bestreden uitspraak

2.1.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank van 5 februari 2015 bevestigd met aanvulling van de gronden. De verdachte is ter zake van (i) belaging, (ii) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en (iii) bedreiging met zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van honderdvijftig dagen, waarvan honderdveertien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven.

2.2.

Het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

- onder het opschrift 'Motivering van de sancties':

"Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Een contactverbod met de kinderen van verdachte en [betrokkene 1] zal niet worden opgelegd teneinde eventueel contact tussen verdachte en zijn kinderen in de toekomst niet te frustreren. Daarnaast acht de rechtbank een locatieverbod noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal eveneens als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank zal, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daartoe is redengevend dat verdachte een bedreigende situatie heeft gecreëerd voor beide aangevers, waarbij de berichten die hij heeft verzonden en de bedreigingen die hij heeft geuit in sommige gevallen zeer dreigend van aard waren. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het reclasseringsrapport alsmede uit de psychiatrische pro justitia rapportage blijkt dat het recidiverisico als gemiddeld tot hoog wordt ingeschat."

- onder het opschrift 'Beslissing':

"Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen;

- zich gedurende de proeftijd van drie jaren niet zal bevinden binnen een straal van één (1) kilometer van de [a-straat 1] te [plaats].

Verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer dat de door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde te onbepaald is.

3.2.

Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. ten aanzien van art. 14c, tweede lid onder 5° (oud), Sr, HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079, NJ 1970/123).

3.3.

De door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde dat "de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dan wel relaties van voornoemde personen" is in strijd met genoemde bepaling voor zover deze betrekking heeft op "relaties van voornoemde personen", omdat in zoverre in deze voorwaarde niet een voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd. Voor zover het middel hierover klaagt is het gegrond. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en de bijzondere voorwaarde vernietigen voor zover deze betrekking heeft op "relaties van" [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

3.4.

Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt erover dat het Hof toepassing heeft gegeven aan art. 14e, eerste lid, Sr en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

4.2.

Art. 14e, eerste lid, Sr luidt:

"De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen."

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden en dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. (Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236.)

4.4.

Het bestreden arrest voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven niet zonder meer volgt dat de bewezenverklaarde feiten waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat er voorts ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal begaan.

Het middel is terecht voorgesteld.

4.5.

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft:

- de bijzondere voorwaarde betreffende het contactverbod, voor zover inhoudende dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met "relaties van" [betrokkene 1] en [betrokkene 2];

- het bevel dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.