Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2386

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
16/05550
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:518, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinder- en partneralimentatie. Passeren essentiële stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0262

Uitspraak

15 september 2017

Eerste Kamer

16/05550

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M. Littooij,

t e g e n

[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak E 67571/14 van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 24 juni 2014 en 22 december 2014;

b. de beschikkingen in de zaak EJ 67571 - H 77/15 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 11 augustus 2015, 16 februari 2016 en 16 augustus 2016.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 16 augustus 2016 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 2001 met elkaar gehuwd.

(ii) Zij hebben samen drie kinderen. Het jongste kind is geboren op [geboortedatum] 2006 en is derhalve thans nog minderjarig (hierna: de minderjarige).

3.2.1

De vrouw heeft in dit geding verzocht, voor zover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uit te spreken en de man te veroordelen tot het betalen van kinder- en partneralimentatie.

Het gerecht heeft bij beschikking van 24 juni 2014 de echtscheiding uitgesproken en de beslissing met betrekking tot de kinder- en partneralimentatie aangehouden.

Bij beschikking van 22 december 2014 heeft het gerecht het verzoek om kinderalimentatie afgewezen. Het heeft, kort gezegd, overwogen (rov. 2.4) dat de minderjarige ongeveer evenveel tijd bij de man als bij de vrouw zal doorbrengen, dat de man alle vaste kosten van de minderjarige voldoet, zoals schoolgeld, sporten en hobby’s, en dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij ook bijdraagt in de kosten van de minderjarige.

Ten aanzien van de partneralimentatie heeft het gerecht beslist dat de man Naf 2.000,-- per maand dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en eindigend per 1 juli 2015. Het heeft daartoe, samengevat, overwogen (rov. 2.3) dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen, omdat hij de hypotheeklasten betaalt voor de voormalige echtelijke woning, waarin de vrouw verblijft, en bijdraagt in de kosten van de jongmeerderjarigen en de minderjarige. Het gerecht overwoog dat de man desondanks, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, partneralimentatie dient te betalen, zij het voor een overgangsperiode.
Het heeft vastgesteld dat bij de vrouw sprake is van verdiencapaciteit, maar dat zij enige tijd nodig heeft om die te gaan realiseren.

3.2.2

Het hof heeft bij tussenbeschikking van 11 augustus 2015 bepaald dat de man financiële stukken moet overleggen met betrekking tot zijn draagkracht en de kosten die hij maakt ten behoeve van zijn kinderen, en dat de partneralimentatie van Naf 2.000,-- per maand na 1 juli 2015 doorloopt totdat het hof anders beslist. Bij zijn eindbeschikking heeft het hof de beschikking van het gerecht van 22 december 2014 bevestigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“2.1 (…) De man is niet in staat gebleken de jaarrekeningen van zijn medische praktijk over te leggen.

2.2

Het Hof stelt vast dat de uitgangspositie zoals die gold ten tijde van het wijzen van de tussenbeschikking van 11 augustus 2015, en daarmee ook van de beschikking in eerste aanleg, zo goed als onveranderd is. Een uitzondering hierop vormt de omstandigheid dat de vrouw in de tussentijd is gaan werken. Zij verdient daar gemiddeld Naf 428,00 netto per maand mee. Ook heeft de vrouw onbetwist naar voren gebracht dat [de minderjarige] in de schoolvakanties en tijdens de vakanties van de man voltijds bij de vrouw verblijft.

2.3

Aangezien de beschikking in eerste aanleg in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal deze worden bevestigd. Dit geldt ook ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dat de vrouw inmiddels geringe eigen inkomsten verwerft en dat zij in vakantieperioden de gehele zorg voor de minderjarige heeft legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidende beslissing te komen.”

3.3.1

Onderdeel 1 komt met twee klachten op tegen het oordeel van het hof ten aanzien van de kinderalimentatie. Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 2.3 niet de juiste maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat de beschikking in eerste aanleg in voldoende mate recht doet aan de tussen partijen geldende omstandigheden en in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Volgens het onderdeel had het hof de actuele behoefte en draagkracht moeten onderzoeken en vervolgens een bijdrage moeten vaststellen.

3.3.2

Het hof heeft in rov. 2.2 overwogen dat de situatie sinds de eindbeschikking van het gerecht (slechts) in zoverre is gewijzigd dat de vrouw inmiddels werk heeft en dat de minderjarige inmiddels meer bij de vrouw verblijft dan bij de man. Het hof heeft aldus niet miskend dat het de actuele situatie diende te beoordelen, maar heeft, naar ook blijkt uit de slotzin van rov. 2.3, de genoemde wijzigingen van onvoldoende gewicht geacht om een andere beslissing te nemen dan het gerecht. De klacht kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.3.3

Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd en wijst daartoe op de in het onderdeel onder a tot en met d genoemde stellingen die het hof volgens het onderdeel niet (kenbaar) in zijn motivering heeft betrokken. Deze betreffen, kort gezegd, (a) de tijd gedurende welke de minderjarige sinds de beschikking van het gerecht bij de vrouw respectievelijk de man verblijft, (b) de actuele verdiencapaciteit van de vrouw, (c) de behoefte van de minderjarige en (d) de draagkracht van de man en de gevolgtrekking die dient te worden verbonden aan het uitblijven van de financiële gegevens die de man ingevolge de tussenbeschikking van 11 augustus 2015 diende over te leggen.

De klacht is gegrond. In het licht van de genoemde stellingen, is het oordeel van het hof dat de door het gerecht bepaalde bijdrage nog steeds in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en dat de door het hof aan het slot van rov. 2.3 weergegeven omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen om tot een andere beslissing te komen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9-3.14).

3.4.1

Onderdeel 2, dat in drie onderdelen uiteenvalt, heeft betrekking op de partneralimentatie.

3.4.2

Onderdeel 2.2 behelst een klacht van dezelfde strekking als onderdeel 1.1 en deelt het lot van dat onderdeel.

3.4.3

Onderdeel 2.3 klaagt dat het hof de bij onderdeel 1.2 onder a-d genoemde stellingen, met name die onder b en d, niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Deze klacht slaagt op dezelfde gronden als onderdeel 1.2 (hiervoor in 3.3.3 en de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.20-3.21).

3.4.4

Onderdeel 2.1 behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 16 augustus 2016;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 september 2017.