Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:237

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
16/00458
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1481, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. OM-cassatie. Art. 378 Sv en art. 378a Sv. Casus: op verzoek van het hof in de onderhavige ontnemingszaak wordt het stempelvonnis van de Pr in de bijbehorende strafzaak ex art. 378a Sv alsnog uitgewerkt. In het op dat verzoek opgemaakte p-v met daarin de aantekening van het mondeling vonnis is, anders dan in het stempelvonnis, geen pleegdatum maar, overeenkomstig de tll, een pleegperiode bewezenverklaard. Het hof wijst de ontnemingsvordering af omdat het vasthoudt aan de pleegdatum in het stempelvonnis (en op die dag is geen profijt gegeneerd). HR: ’s Hofs overwegingen komen hierop neer dat in het rechtsgeding voor de Pr slechts in de gevallen die in art. 378.2 Sv zijn vermeld, een p-v ttz moet worden opgemaakt, en dat - behoudens indien schriftelijk vonnis wordt gewezen - buiten die gevallen zo een p-v niet mag worden opgemaakt. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Gelet op art. 378a.5 Sv moet worden aangenomen dat ook in laatstbedoelde gevallen het stempelvonnis komt te vervallen. ’s Hofs oordeel dat nochtans moet worden uitgegaan van de pleegdatum als vermeld in het stempelvonnis behoeft nadere motivering aangezien dat stempelvonnis inmiddels was vervallen. Als zodanige motivering kan niet gelden de overweging van het hof dat een verdachte erop moet kunnen vertrouwen dat de uitspraak in zijn zaak overeenstemt met het stempelvonnis, reeds omdat niet blijkt dat door of namens de betrokkene beroep is gedaan op dat vertrouwen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 378
Wetboek van Strafvordering 378a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0113
NBSTRAF 2017/104
RvdW 2017/280
NJ 2017/108

Uitspraak

14 februari 2017

Strafkamer

nr. S 16/00458 P

CB/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 juli 2015, nummer 22/001232-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ervan is uitgegaan dat de bewezenverklaarde pleegperiode in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak beperkt was tot 1 oktober 2009.

2.2.1.

De Politierechter heeft in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak de betrokkene bij mondeling vonnis van 17 juni 2011 veroordeeld. De aantekening als bedoeld in art. 378a Sv van dit mondeling vonnis (hierna: stempelvonnis) houdt - voor zover hier van belang - in:

"Tegenspraak (...)

KWALIFICATIE:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

GEPLEEGD:

op 01 oktober 2009

(...)

BESLISSING:

Werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis."

Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Evenmin is het mondeling vonnis op de voet van art. 378, tweede lid onder b of c, Sv aangetekend in het proces-verbaal der terechtzitting.

2.2.2.

In deze ontnemingsprocedure heeft het Hof bij tussenarrest de Politierechter in de strafzaak verzocht om het stempelvonnis uit te werken in een proces-verbaal van de terechtzitting als bedoeld in art. 378, tweede lid, Sv. Het tussenarrest houdt ter zake van dit verzoek het volgende in:

"Heropening van het onderzoek

Na de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De politierechter heeft op 17 juni 2011 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 09-655369-10 overeenkomstig het gestelde in artikel 378a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, mondeling vonnis gewezen en een aantekening van dit mondeling vonnis gewaarmerkt. Het hof vraagt zich in dit verband af of de in bovengenoemde aantekening van het mondelinge vonnis opgenomen pleegperiode correct is weergegeven. Het hof verzoekt de rechtbank te Den Haag om het mondelinge vonnis in een proces-verbaal van de terechtzitting als bedoeld in artikel 378, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, uit te werken."

2.2.3.

Het op verzoek van het Hof uitgewerkte "proces-verbaal terechtzitting aantekening mondeling vonnis" houdt - voor zover hier van belang - in:

"Bewezenverklaring.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

Hij op meer tijdstippen in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 4 november 2009 te ′s-Gravenzande, gemeente Westland, opzettelijk een geldbedrag (van in totaal 7000 euro), dat geheel toebehoorde aan tankstation BP "De rotonde" (gevestigd Koningin Julianaweg 142), en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als kassamedewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.4.

Het Hof heeft de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

"De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal EUR 7.000,- (zeven duizend), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit.

(...)

Met de raadsman constateert het hof dat geen van de gevallen als vermeld in artikel 378 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering zich in deze zaak voordoen. Gelet op het feit dat een verdachte er naar het oordeel van het hof dan op moet kunnen vertrouwen dat de uitspraak in zijn zaak conform de inhoud van het bedoelde stempelvonnis is - een andere opvatting zou een onaanvaardbare inbreuk op de rechtszekerheid met zich brengen -, zal het hof uitgaan van de pleegdatum als vermeld in het stempelvonnis, namelijk 1 oktober 2009.

Het hof leidt uit het dossier af dat niet is gebleken dat er op 1 oktober 2009 door de veroordeelde enig voordeel is genoten.

De vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de advocaat-generaal moet derhalve worden afgewezen."

2.3.1.

Het hier toepasselijke art. 378 Sv luidt:

"1. De politierechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis.

2. Het vonnis wordt in het proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen

a. indien de politierechter dit ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, bij de uitspraak bepaalt;

b. indien de officier van justitie, de verdachte of zijn raadsman, dan wel de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;

c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid;

d. indien het vonnis bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel een benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, tenzij sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.

(...)"

2.3.2.

Het hier toepasselijke art. 378a Sv luidt:

"1. Behoudens het bepaalde in artikel 378, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.

2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het vorige lid, moet bevatten, worden, onverminderd het bepaalde in artikel 381, derde lid, vastgesteld door Onze Minister van Justitie. De aantekening vermeldt in ieder geval:

1° de naam van de politierechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;

2° indien een veroordeling is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezenverklaarde oplevert;

3° de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

(...)

5. Wordt alsnog aan artikel 378, tweede lid, onder b of c, toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door."

2.4.1. '

s Hofs overwegingen komen hierop neer dat in het rechtsgeding voor de politierechter slechts in de gevallen die in het tweede lid van art. 378 Sv zijn vermeld, een proces-verbaal van de terechtzitting moet worden opgemaakt, en dat - behoudens indien schriftelijk vonnis wordt gewezen - buiten die gevallen zo een proces-verbaal niet mag worden opgemaakt. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht. Gelet op het vijfde lid van art. 378a Sv moet worden aangenomen dat ook in laatstbedoelde gevallen het stempelvonnis komt te vervallen.

2.4.2.

Blijkens de aantekening mondeling vonnis die is opgenomen in het alsnog uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter is het bewezenverklaarde feit begaan in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 9 november 2009. 's Hofs oordeel dat nochtans moet worden uitgegaan van "de pleegdatum als vermeld in het stempelvonnis, namelijk 1 oktober 2009", behoeft nadere motivering aangezien dat stempelvonnis inmiddels was vervallen. Als zodanige motivering kan niet gelden de overweging van het Hof dat een verdachte erop moet kunnen vertrouwen dat de uitspraak in zijn zaak overeenstemt met het stempelvonnis, reeds omdat niet blijkt dat door of namens de betrokkene beroep is gedaan op dat vertrouwen.

2.4.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2017.